De Bentvueghels van de Santa Costanza

Heb je zin om eens bijzonder fraai mozaïekwerk te zien? Stap dan zeker eens binnen in de Santa Costanza-kerk in het noordoosten van Rome. Ze werd oorspronkelijk gebouwd door de Romeinse keizer Constantijn de Grote in de eerste helft van de vierde eeuw. Het gebouw diende in eerste instantie als mausoleum voor de dochters van de keizer, Constantina en Helena. Later werd Constantina heilig verklaard, de dame kreeg bij die gelegenheid de Italiaanse naam Costanza en zo werd de kerk aan haar gewijd. De geschiedenis van de Santa Costanza omvat echter veel meer. Eeuwen geleden werd een kapel van deze kerk ook gebruikt door de Bentvueghels , een broederschap van kunstenaars uit de Nederlanden die ontstond omstreeks 1620 en ongeveer 100 jaar lang heeft bestaan. Er was niets geheimzinnigs aan deze vereniging maar hun inwijdingsrituelen hebben lange tijd tot de verbeelding gesproken. In zoverre zelfs dat de paus een einde probeerde te maken aan hun activiteiten. In de Santa Costanza kan je vandaag nog altijd de ingekraste namen en graffiti van een aantal Bentvueghels zien.

Bij de Bentvueghels (ook Bentvuegels of Bentvogels genaamd) waren kunstschilders, tekenaars, graveurs, beeldhouwers, edelsmeden en ook dichters aangesloten. Zij waren na hun leertijd in het noorden naar Rome getrokken om hun studie af te ronden met het bestuderen van de daar aanwezige meesterwerken. In het kunstenaarsmilieu heerste toen de algemene opvatting dat een schilder zijn opleiding voltooide met een reis naar het Zuiden. Het was nodig dat een schilder de overblijfselen van de Klassieke Oudheid met eigen ogen aanschouwde en kennis maakte met het werk van de artistieke grootheden uit de Renaissance, zoals Rafaello, Leonardo Da Vinci en Michelangelo. Ze verbleven dan enkele jaren in Rome, vaak in de omgeving van parochies als Santa Maria del Popolo en San Lorenzo in Lucina.

Aangekomen in een volkomen vreemd land, met een andere cultuur en gewoontes, trokken landgenoten naar elkaar toe en deelden elkaars ervaringen. Als xc3xa9xc3xa9n van de leden in nood verkeerde, dan verschafte de groep die persoon hulp, zowel op sociaal als financieel gebied. De kunstenaarsvereniging had een puur sociale functie. De benaming van vueghel (vogel) doelt waarschijnlijk op vrijheid en heeft te maken met het feit dat de leden zich geen beperkingen lieten opleggen. Bent komt van bende, een nogal cynische omschrijving voor wat de groepsleden niet waren, maar zoals ze door de buitenwereld wel werden gezien.

Om lid te kunnen worden van de Bentvueghels moest men immers een inwijdings- en ontgroeningsritueel ondergaan, waarbij de wijn rijkelijk vloeide – dit op kosten van het nieuwe lid. Als slot van het ritueel liepen de Bentvueghels gezamenlijk de stad uit om op het vermeende graf van dee wijngod Bacchus bij de Santa Costanza een wijnoffer te brengen. In de kerk stond immers een sarcofaag versierd met wijnranken en putti die druiven plukken. In de nissen van de zijkapellen ontdekten de Bentvueghels bovendien prachtige mozaïeken van onder meer de druivenoogst. Daardoor dachten de kunstenaars dat dit het graf was van Bacchus, de God van de Wijn.

Tijdens het ontgroeningritueel waren de leden gekleed in tunica’s zoals de Romeinen in de oudheid en waren ze getooid met laurierkransen. Tijdens zo’n rite bestond er een hiërarchie onder de leden, ondanks het feit dat hun rituelen eigenlijk als parodie waren bedoeld. De bijeenkomst was namelijk een parodie op de Bacchanaalrituelen en de initiatiegebruiken van het oude Rome. Daarnaast dreef men zijdelings de spot met de liturgische rituelen van de Rooms-Katholieke Kerk. De dikste van het stel trad steevast op als de wijngod Bacchus en droeg aan de ‘novice’ de regels van de kunst op. Als de nieuweling zijn loyaliteit ten voordele van de Bent had uitgesproken, werd hij met een laurierkrans gekroond. Zo werd hij dan omgedoopt tot Bentlid en kreeg hij vervolgens een nieuwe naam met een cynische ondertoon, die meestal gericht was op zijn uiterlijk, een opvallende eigenschap of karaktertrek.

Het gebruik van een grappige bijnaam was een parodie op de serieuze bijnaamgeving aan leden van de kunstacademie. Op de academie werd de bijnaam vaak van de geboorteplaats afgeleid. De Italiaanse academische schilder Pietro Vanucci bijvoorbeeld werd Il Perugino genoemd (afkomstig uit Perugia) en Il Parmigiano (de Parmazaan, afkomstig uit Parma) was de bijnaam voor Girolamo Francesco Maria Mazzola. Na de doopceremonie volgde een banket en een drinkgelag (betaald door de nieuweling), waarna men langs de Via Nomentana naar de Santa Costanzakerk trok. Daar stond een imposante sarcofaag, die men zoals gezegd beschouwde als het graf van Bacchus. Op deze plek werd een plengoffer gebracht. Op de muren van de kapel zijn nog steeds de (bij)namen van de Bentleden te zien. Op een beroemde maar anonieme tekening in het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam is een aantal van de Bentvueghels met hun bijnaam vastgelegd. De gewoonte om gezamenlijk de wijn aan te spreken komt op deze tekening duidelijk naar voren. Op de tekening zie je bijvoorbeeldJoost uit Den Haag alias Schotsen trommel, Cornelis (Poelenburgh) van Utrecht alias Satier, Wouter (Crabeth) van der Gou alias Almanack, Tyman (Cracht) van den Emster alias Botterkul en Peter van Leiden alias Ram.

De Bentvueghels werden opgericht omstreeks 1620 en bleven zowat een eeuw lang bestaan, tot paus Clemens XI in 1720 maatregelen nam en de activiteiten van de groep verbood. Dit verbod had betrekking op de nachtelijke processies en drinkgelagen buiten het carnavalseizoen en de feestelijke “samenzweringen”, die zonder toestemming van de regering werden gehouden. Het feit dat de Bentvueghels graag de spot dreven met de kerkelijke rituelen zal ongetwijfeld hebben meegespeeld in de beslissing van de paus om paal en perk te stellen aan de activiteiten van de groepering.

De oprichting van de Bentvuegels was eigenlijk een indirecte reactie op de praktijken van de Accademia di San Luca. Elk kunstwerk in Rome moest worden beoordeeld door een commissie van deze academie. Dat had Paus Clement VIII in 1595 beslist. Deze beoordeling gaf beschermheren de garantie dat de kunstwerken voldeden aan een bepaald niveau. Van de geschatte prijsindicatie moest twee procent worden afgedragen aan de academie. De academie maakte echter voortdurend misbruik van dit privilege door werk van academieleden hoger te taxeren dan werk van anderen.

Rond 1600 raakten kleine schilderijen, uitgevoerd op koper of paneel, steeds meer in de mode. Regelmatige uitvoerders van deze modieuze kunstwerken waren de italianisanten Paul Bril, Adam Elsheimer maar ook Bentvueghels zoals Cornelis van Poelenburg en Bartholomeus Breenberg. De schilderijtjes werden verkocht zonder dat de academie de werken had gekeurd. Dit viel natuurlijk niet in goede aarde. Integendeel, de schilderijen brachten de academische werken in diskrediet en leverden de academie geen geld op. Toch verzwaarde Urbanus XIII in 1627 de academische statuten. Een nieuwe regel was bijvoorbeeld dat er een maximum bedrag werd gesteld aan de prijsbepaling van een schilderij, zodat de commissie van de academie er minder winst uit kon halen.

Maar de academie eiste vervolgens van iedere kunstenaar een jaarlijks geldbedrag (onder het mom van aalmoes) in naam van de Heilige Lucas, de beschermheilige van de academie. In ruil ontving de kunstenaar een licentie, die het mogelijk maakte dat de schilder zijn/haar professie kon uitoefenen. De kunstenaars uit het Noorden bleven zich echter verzetten zich tegen deze academische geldklopperij en weigerden de academie geld te betalen. De gemeenschappelijke ontevredenheid, die zo ontstond, mondde uit in een behoefte zich als groep te verenigen. De Bentvueghels waren geboren. De groep was niet geïnstitutionaliseerd, zodat de Romeinse autoriteiten de groep juridisch niet konden aanpakken.

De kunsthistoricus Hoogewerff verdeelt de geschiedenis van de Bentvueghels in de eerste helft van de 17de eeuw in twee periodes. Hij meent dat de eerste periode de jaren 1623 tot 1627 bestrijkt. Hij plaatst de tweede periode, waarin het conflict tegen de academie plaats vond tussen 1633 en 1637. Volgens de auteur Janssens begon het conflict al vóór 1633 en was het nog niet afgelopen in 1637. Naar haar zeggen kwam er in het jaar 1644 een einde aan het protest tegen de academie.

Janssens haalt juist uit Hoogwerff’s Bentvueghels het bewijs hiervoor: “In 1644 stierf Paus Urbanus VIII en het is na zijn overlijden dat althans enkele der Bentvogels hun houding van protest laten varen.” Janssens is het niet eens met Hoogewerff’s verdeling van twee periodes. Zij benadrukt dat de weigering van betaling aan de academie juist verbonden is met de stichting van de Bent. De uitvaardiging van Paus Urbanus XIII gaf aanleiding om een grotere afwijzende positie aan te nemen, maar was niet de oorzaak van het conflict.

De Bentvueghels telden ongeveer 480 leden in de zowat 100 jaar dat het genootschap bestond. Van de eerste generatie Bentleden kwam het merendeel uit Utrecht. In die periode was Abraham Bloemaert daar met een Tekenschool begonnen, waarvan de opleiding werd afgerond met een trip naar Italië. Veel van Bloemaert’s pupillen werden leden van de Bentvueghels. Bloemaert was een Romeliefhebber en schonk in zijn studio veel aandacht aan de Italiaanse kunst. De school specialiseerde zich in historische schilderkunst en had een katholieke basis. Bovendien was Bloemaert de stichter van het Sint-Lucasgilde. Het is mogelijk dat de kunstenaars het clubleven zoals ze dat in de Utrechtse gilde kenden, op een ietwat losbandiger manier hebben voortgezet in de Romeinse Bentvueghels.

Wie meer wil lezen over de geschiedenis van de Bentvueghels moet proberen een exemplaar te vinden van de uitstekende studie van Lisette Bockwinkel: ‘De Waardering van Amsterdamse Verzamelaars uit de Eerste helft van de 18de eeuw voor de Landschapsschilderkunst van de Eerste Generatie Bentvueghels’.

http://www.sacred-destinations.com/italy/rome-santa-costanza

Advertenties

No Responses Yet to “De Bentvueghels van de Santa Costanza”

  1. Ook zeer aan te bevelen is het boek: Tekenen van warmte van Peter Schatborn. Een boek uit 2001, wat de tentoonstelling in Rijksmuseum Amsterdam over Italianisanten begeleidde.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s