De befaamde heirbanen van de Romeinen

Regelmatig krijgen we vragen die te maken hebben met het Romeinse wegensysteem. Niet zelden komen die van mensen die na een wandeling over de Via Appia Antica in Rome over het onderwerp beginnen lezen zijn en daarbij nog meer raadsels ontdekten. Er is inderdaad reeds enorm veel gepubliceerd over de heirbanen en het wegennetwerk van de Romeinen uit de oudheid. Heel wat mensen zijn nog steeds bezig met dit onderwerp. Het feit dat je de Romeinse wegen in haast heel Europa kan terugvinden is daar wellicht niet vreemd aan. Nu en dan worden er zelfs nog nieuwe ontdekkingen gedaan. Een fascinerende vraag die regelmatig terugkeert is hoe de Romeinen erin slaagden om zonder kompas of moderne kaarten zo’n rechte heirbanen te maken.

De Romeinen beschikten inderdaad niet over de navigatiemiddelen die reizigers vandaag gebruiken om zich te oriënteren – al is er over het eventuele bestaan van een Romeins kompas nog steeds discussie. Wegenkaarten hadden ze wel, maar die gaven de wegen slechts schematisch weer en niet in realistische verhoudingen of richtingen. Dat wil niet zeggen dat de Romeinen zomaar in het wilde weg, zonder enig gevoel voor richting rondtrokken. Wellicht wisten ze zich door de stand van de zon en de sterren te oriënteren, maar of de hemellichamen ook gebruikt werden bij de aanleg van wegen, is niet bekend.

Wat wel vaststaat, is dat de Romeinen beschikten over goede ingenieurs en landmeters, die ook landmetersinstrumenten gebruikten. Een belangrijk instrument dat men hanteerde om rechte assen in het landschap te projecteren was de groma. Dat was een instrument met twee armen, bevestigd in een kruis met vier rechte hoeken. Elk uiteinde van de vier armen had een gewicht uit lood. Via dit kruis kon de landmeter dan zowel rechte lijnen als hoeken van 90 graden in het landschap projecteren, volgens gelijkaardige princiepes als de landmeters nu hanteren met hun theodolieten. Daarmee zetten ze over lange afstanden rechte lijnen uit van punt naar punt, ongeveer zoals landmeters dat nu nog steeds doen.

Zodra de landmeter een rechte lijn had uitgezet, werden houten staken in de grond geplaatst en werd zo de rechte lijn gemarkeerd. De weg werd vervolgens langsheen deze as gebouwd. Over zichtbare afstanden zagen sommige verharde wegen er dan ook kaarsrecht uit, tenminste op een parcours zonder hindernissen. Waar nodig lieten de meetinstrumenten ook toe om rond een heuvel of een ander obstakel een keurige bocht uit te meten en daarachter weer exact dezelfde rechte koers verder te zetten.

De rechte Romeinse wegen vormden snelle militaire verbindingen tussen legerkampen en bevoorradingsposten. Zo liep er in onze streken een bekende Romeinse weg van Boulogne, destijds een belangrijke havenstad, over Bavay en Tongeren naar Keulen, dicht bij het front met het vrije Germania. Maar hoe wisten de Romeinse wegenbouwers bijvoorbeeld in welke richting ze precies moesten beginnen in Boulogne om honderden kilometers verder aan het einde van de rechte lijn precies in Keulen uit te komen?

Dat was niet zozeer een kwestie van technologie, maar van kennis van het landschap. De Romeinen verkenden het terrein heel goed. Ze beschikten over mobiele verkenningstroepen met paarden en ze hadden veel legerkampen in het gebied. Ze wisten dus vooraf goed hoe het traject van de nieuwe weg moest lopen. Je merkt dat bijvoorbeeld aan het feit dat hun wegen al kilometers voor een rivier beginnen af te buigen om dan precies op de meest geschikte oversteekplaats de vallei en de rivier te kruisen.

Ze bouwden hun wegen van nederzetting naar nederzetting, in etappes. Ze trokken hun wegen dus niet in één lange rechte lijn, maar maakten een aaneenschakeling van rechte trajecten tussen plaatsen en posten die ze goed kenden, met hier en daar een bocht. De mythe van de kaarsrechte Romeinse wegen strookt dus niet helemaal met de realiteit. Al was het landschap in die tijd natuurlijk nog zo weinig bebouwd en ontgonnen dat de Romeinen hun wegen wel rechter konden leggen dan mogelijk zou zijn in ons huidige dichtbebouwde landschap.

Een andere misvatting is dat alle heirbanen Romeinse wegen zijn. De meeste van die ‘banen van de heer’ zijn niet Romeins, maar middeleeuws. Slechts enkele heirbanen stammen uit de Romeinse tijd, meestal uit de 1ste eeuw na Chr. Bovendien was slechts een minderheid van de Romeinse banen verhard. De meeste waren zandwegen voor burgerlijk gebruik, die kronkelend door het landschap liepen. De kwaliteit van de verharde Romeinse wegen was echter heel behoorlijk en werd pas in de 19de eeuw overtroffen door de Schotse uitvinder J.L. McAdam (1757-1836), die zijn naam gaf aan de zogenaamde macadamweg, de voorloper van de asfaltverharding.

Als we het hebben over Romeinse wegen denken we steeds graag aan de Fransman Raymond Chevallier en zijn tot op heden onovertroffen standaardwerk Les voies romaines. Het boek is uitgegeven in 1997. In de reguliere handel zal je het waarschijnlijk niet meer vinden maar met wat geluk kan je het nog wel ergens in een antiquariaat of bij een internetwinkel op de kop tikken. Er bestaan ook diverse herdrukken en heruitgaven. De veelzijdige Chevallier, historicus, archeoloog, latinist en fotograaf, bestudeerde ruim 40 jaar de Romeinse heirbanen en andere wegen. De onvermoeibare en zeer productieve geleerde (alleen al over de Romeinse geschiedenis publiceerde hij tientallen boeken) overleed op 30 november 2004. Hij werd 75 jaar.

Raymond Chevallier, afkomstig uit een familie van leraren, was goed geplaatst voor zijn specialisatie van het Romeinse wegennet. Zijn academische curriculum vitae is meerdere pagina’s lang en zijn passie voor luchtfotografie kwam hem goed te pas om vanuit de hoogte verdwenen Romeinse bouwwerken en wegen op te sporen. Veel archeologen en onderzoekers kregen hun motivatie en inspiratie van Chevallier en groeiden op hun beurt uit tot gepassioneerde historici. Chevallier was dermate populair dat hij voor zijn werk zonder dat er vragen werden gesteld altijd de hulp kon inroepen van ingenieurs, geologen en archeologen in bijna alle landen van het vroegere Imperium Romanum.

Hij kreeg subsidies voor de organisatie van congressen, de begeleiding van thesissen en voor het persoonlijk bezoeken van alle gekende voormalige Romeinse wegen. Wanneer de gespecialiseerde apparatuur voor luchtfotografie niet volstond, schakelde hij zonder aarzelen een aantal relaties in en liet indien nodig zelfs satellietfoto’s maken van bepaalde trajecten. Daarna kon hij het verloop van de vroegere heirbanen en secundaire wegen perfect detecteren en traceren.

Chevallier zou zijn jarenlange ervaringen en bevindingen uiteindelijk neerschrijven in een boek. Het werk bestaat uit vier grote delen: geschreven bronnen en inscripties; de archeologische studie van het wegennet; een geografisch overzicht van de wegen in heel het Romeinse Rijk; de aanleg, onderhoud, halteplaatsen, functies van de wegen. In het eerste deel onderzoekt en definieert hij de vele benamingen voor de vele soorten wegen: het zijn er ruim twintig, variërend van een voetpad voor een wandelaar of ruiter tot een straat en een heirbaan voor twee koetsen.

Uit de onderhoudsterminologie blijkt hoeveel zorg de Romeinen droegen voor hun wegennet. Chevallier citeert uit Strabo, Ptolemaeus, Plinius de Oude en de Jonge, Caesar, Tacitus en Suetonius die wegen beschreven in diverse regio’s van het Rijk. Ook romanschrijvers (Apuleius) en dichters (Horatius, Martialis, Juvenalis) gaven hun indrukken weer.

Dan zijn er de fantastische oude wegenkaarten, zoals de Tabula Peutingeriana uit de 12de-13de eeuw en reisverslagen uit Oudheid en Middeleeuwen. De inscripties op de mijlpalen (om de 1.480 m) maken het de specialisten mogelijk het tracé van vele wegen terug te vinden. Eén ervan is de mijlpaal van Tongeren. Ook reisgidsen uit de Middeleeuwen en uit latere tijden, met bestemmingen zoals Sint-Jacob van Compostela en Rome, of kadasters zoals dat van Napoleon, bewijzen hier hun diensten.

In het tweede deel bestuderen archeologen en geologen de ondergrond en de structuur van de wegen, ze tonen er verticale doorsnedes van, stadsplannen, straatstenen, bruggen met reconstructietekeningen, tunnels, luchtfoto’s van heirbanen. Dan volgt een overzicht van plaatsnamen die afgeleid zijn van Latijnse namen voor wegen, bruggen, woningen, versterkingen, soldatenkolonies en andere gebouwen die vroeger langs de wegen lagen. Het derde deel geeft een indrukwekkend overzicht van zowat 120.000 km wegennet.

De wegen zijn aangeduid op talrijke, overzichtelijke kaartjes: 15 voor Italië, 21 voor Frankrijk, 2 voor België. De overbekende heirbaan van Boulogne, de havenstad van de Morini aan de Atlantische Oceaan, via Kassel, Doornik, Bavay en Tongeren naar Keulen, de hoofdstad van de Ubii aan de Rijn, is aangelegd tussen 25 en 15 v. Chr., dus relatief snel na de veroveringen van onze gewesten door Caesar. Ze speelde een rol in de verdediging van Noord-Gallië, in de romanisering van onze gewesten en waarschijnlijk ook in het ontstaan van de taalgrens.

Het zuiden en het midden van ons land waren vrij goed voorzien van wegen, mogelijk dank zij de aanwezigheid van meer natuursteen en betere landbouwgrond. Vlaanderen had Romeinse sites, o.a. in Elewijt, Velzeke, Grobbendonk en uiteraard in Tongeren, maar de romanisering begon hier later, namelijk ten tijde van de Flavii (69-96). De landelijke zandwegen haalden er niet het niveau van de heirbanen.

De vele wegen en straten die we nu nog steeds ‘heirbaan’, ‘heerbaan’ of ‘heerweg’ noemen, hebben helaas geen Romeins verleden. Na het wegenbulletin, volgt een hoofdstuk over de buitenlandse handel. Deze reikte tot ver buiten het Romeinse Rijk, meer bepaald tot in Scandinavië, de Baltische landen, Ethiopië, Azië. Een ambassadeur van keizer en stoïcijns filosoof Marcus Aurelius (161-180) zou tot aan het Chinese hof zijn geraakt.

Het vierde deel gaat onder de hoofding ‘Vie de la route’, over alles wat langs de wegen gebeurde en leefde. Het gaat over de bouw, het onderhoud, de financiering, de bouwvakkers, de wegenpolitie, de post, de bevoorrading van de grenstroepen, de tol aan grenzen, stadspoorten, bruggen, wegen, de hotels, herbergen en minder brave cafxc3xa9s, de aflossingsplaatsen voor paarden en ruiters, de onderhoudsgarages van de karren, de versterkingen, controletorens, woonhuizen, boerderijen, heiligdommen, graven en mausolea: er was in de Romeinse tijd dus ongetwijfeld meer te zien dan vandaag langs onze vaak saaie snelwegen.

Ook het vervoer over rivieren en zeeën komt aan bod. In de Oudheid speelde het verhoudingsgewijs een veel grotere rol dan nu, zowel voor personen als voor goederen. Het wegennet was er ook op afgestemd want lange reizen verliepen deels over land, deels over het water. Beide plaatsen hadden hun voor- en nadelen en hun gevaren, veroorzaakt door de mens of door de natuur. De auteur overloopt ook wat er in de Middeleeuwen en later nog overbleef van een aantal wegen en door welke menselijke, economische of fysische factoren de wegen veranderden of verdwenen.

In zijn conclusies vat Chevallier samen welke functies de ruim 120.000 km wegen vervulden:

– Een militaire rol: organisatie en consolidatie van de overheersing en van de ‘Pax Romana’, aanleg van wegen om nieuwe gebieden in te palmen. Ook in latere tijden werden ze nog gebruikt door veroveraars.

– Administratief: organisatie van het bestuur, inning van de belastingen.

– Economisch: de handel in tin, ijzer, keramiek, zout, olie, wijn, kruiden, zijde gaf zelfs een naam aan vele wegen.

– Cultureel en godsdienstig: ploegen pottenbakkers, metselaars, beeldhouwers, mozaïekkunstenaars verplaatsten zich langs de heirbanen en brachten hun technieken over naar andere volkeren, bijvoorbeeld van Aquileia naar de Rhxc3xb4nevallei. Voor de cultussen van Cybele, Mithras en zovele anderen leidden alle wegen naar Rome, waar ze welkom waren in het Pantheon en van waar ze zich verspreidden over het Romeinse rijk.

– Moreel: struikrovers bedreigden de reizigers, ziektes en ondeugden verspreidden zich langs de grote routes.

Chevallier besluit zijn boek met een pleidooi om de resterende heirbanen te beschermen, te restaureren, er toeristische trekpleisters van te maken en ze te erkennen als Europees erfgoed. Let wel: bij het verschijnen van zijn boek was er van een verenigd Europa nog geen sprake, maar Chevallier stipte toen al wel het belang en de noodzaak aan om in deze materie eensgezind op te treden. De bibliografie is indrukwekkend en bevat ook Duitse, Italiaanse en Nederlandstalige werken. De foto’s en tekeningen van wegen, straten, bruggen en rijtuigen maken van het originele boek een pronkstuk en een nuttig gebruiksvoorwerp voor elke Romeliefhebber.

Raymond Chevallier
Les voies romaines
1997, Paris/Bruxelles, Editions Picard
343 blz.
ISBN 2-7084-0526-8

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.