De geschiedenis van de Scala Santa

De Scala Santa of heilige trap kwam in onze nieuwsbrief van gisteren even ter sprake naar aanleiding van de restauratie van een fresco van onze Zuid-Nederlandse streekgenoot Paul Bril. Vandaag staan we even stil bij de Scala Santa zelf en het gebouw waarin deze trap zich bevindt. Het gebouw van de Scala Santa (of Scala Sancta) bevat twee resten van het verdwenen paleis van Lateranen, namelijk de heilige trap en de vroegere huiskapel van de pausen, het Sancta Sanctorum. Een bezoek aan deze pauselijke kapel is eigenlijk een absolute must.

Het Lateraan, een paleis op de Monte Celio was oorspronkelijk in handen van het Romeinse adellijke geslacht van de Lateranen maar werd door een keizerlijke schenking tijdens Constantijn de Grote eigendom van de Kerk. Gedurende het grootste deel van de middeleeuwen was het de residentie van de pausen. 161 pausen hebben er gewoond. Toen de pausen aan het begin van de veertiende eeuw het Lateraan verlieten om zich in Avignon te vestigen verloor het patriarchaat haar reden van bestaan. Het paleis werd niet meer gebruikt en werd al gauw het doelwit van vandalisme en plundering. Een grote brand in 1308 verwoeste het complex dat niet hersteld werd. In 1361 brandde ook het overblijvende deel grotendeels uit. Toen Gregorius XI in 1377 eindelijk uit Avignon terugkeerde, ging hij om politieke en praktische redenen in het Vaticaan wonen. Niemand bekommerde zich nog om de ruïne van Lateranen.

Toen Felice Peretti di Montalto verkozen werd als paus Sixtus V (1585-1590) was de stad nog slechts een schim van het grootse antieke Rome. In het kader van een omvangrijk programma van stadsvernieuwing gaf de nieuwe paus architect Domenico Fontana de opdracht een nieuw paleis te bouwen. De nog overeind staande delen van het oude paleis werden daarbij afgebroken, een onherstelbaar verlies voor de kerkgeschiedenis.

Slechts drie delen van het oude patriarchaat bleven behouden en werden vervat in een gebouw dat later bekend zou raken als de Scala Sancta. Eén van de apsissen van de eetzaal, met name van het triclinium uit de achtste eeuw, waar Karel de Grote gedineerd had na zijn kroning, bleef bewaard. Ook de privékapel van de pausen bleef behouden, evenals de grote trap van het paleis. Van deze drie behouden delen bleef enkel de kapel op de oorspronkelijke plaats. De trap werd in 1589 verplaatst zodat hij voortaan naar de pauselijke huiskapel leidde en de apsis van de eetzaal werd verplaatst naar een zijmuur van het gebouw dat rond de pauselijke kapel werd gebouwd.

Zo kwam de apsis uit de achtste eeuw in open lucht te staan, terwijl ze vroeger behoorde tot het triclinium. Deze drie delen, de apsis, trap en kapel, werden gespaard om hun grote politieke en religieuze betekenis. De apsis als een verwijzing naar Karel de Grote; de kapel omdat de pausen daar gedurende eeuwen de belangrijkste riten van het Christendom hadden uitgevoerd en de belangrijkste relieken bevatte, waardoor de kapel het Sancta Sanctorum werd genoemd. De trap werd behouden wegens de overtuiging dat hij afkomstig was uit Jeruzalem en deel had uitgemaakt van het paleis van Pontius Pilatus.

Volgens eeuwenoude getuigenissen zou dit de trap zijn die leidde naar het bordes waar Jezus na de geseling door Pilatus aan het volk getoond werd. De trap zou omstreeks 326 door Helena, de moeder van keizer Constantijn, van Jeruzalem naar Rome zijn overgebracht. In 324 bezocht Helena inderdaad de heilige plaatsen in Palestina, waar zij de basilica’s op de Olijfberg te Jeruzalem en de Geboortekerk te Betlehem liet bouwen. De Kerk besliste tijdens de zestiende eeuw dat dit effectief de originele trap was waarop Jezus had gelopen en deze beslissing werd nooit herroepen.

Het verplaatsen van de 28 treden tellende trap uit het oude Lateranen-paleis naar de toegang tot de pauselijke kapel gebeurde in één nacht. Omdat de trap enkel op de knieën mocht beklommen worden, liet Domenico Fontana de trap omkeren. De oorspronkelijk onderste trede werd als eerste afgebroken en bovenaan gelegd, de tweede trede werd de voorlaatste bovenaan, enz. Het was voor de paus ondenkbaar dat de arbeiders de trap met hun voeten zouden ontheiligen.

Het tegenwoordige paleis diende van 1854 tot 1963 als museum voor antieke en vroeg-christelijke kunst. Bij het Lateraanpaleis werd reeds onder Constantijn een basiliek gebouwd, gewijd aan de goddelijke Verlosser en (later) aan Johannes de Doper (Sint-Jan van Lateranen). Als bisschopskerk van de paus kreeg zij de titel ‘Moeder en hoofd van alle kerken van de stad en de gehele wereld’. Ook deze kerk is verscheidene malen afgebrand en werd telkens herbouwd. Met de bouw van het achthoekige baptisterium werd eveneens onder keizer Constantijn begonnen.

Staande voor het gebouw van de Scala Santa zie je het opschrift dat werd aangebracht door Sixtus V: ‘non est in toto sanctior orbe locus’ (er is geen heiliger plaats in de hele wereld). De vijf grote bogen die de toegang tot het gelijkvloers van de Scala Santa vormen, leiden elk naar een trap, de middelste is de heilige trap. De marmeren trap wordt beschermd door een bekleding van notenhout waarin met kristal bedekte openingen uitgespaard zijn om de plaatsen te markeren waarop het bloed van Jezus gedruppeld zou hebben.

Het gaat om de tweede, de elfde en de achtentwintigste trede. Een plakkaatje maakt duidelijk dat de trap enkel op de knieën mag worden beklommen. Men gelooft echter dat deze traditie niet verder teruggaat dan de zevende of de achtste eeuw. Pelgrims die zich binnen de muren van het Lateranenpaleis door de paus wilden laten zegenen, moesten toen deze trap beklimmen om zich naar de zegeningszaal te begeven. Wellicht ontstond de gewoonte uit eerbied en als hoogtepunt van hun bedevaart dit op de knieën te doen, wat men vandaag ook nog in andere bedevaartsoorden ziet.

De 28 trappen zijn in de loop der eeuwen door vele miljoenen gelovigen maar ook door pausen en latere heiligen op hun knieën beklommen. Luther zou ooit, uit onvrede met de roomse relikwieënverering, de trap gewoon betreden hebben. Het Engelstalige bordje meldt dat dit de trap van Pontius Pilatus is, in andere talen wordt enkel vermeld dat de trap door Helena naar Rome werd gebracht. Bovenaan de trap, naar links, bevindt zich de toegang tot de gesloten kapel van de heilige Sylvester waar de broers Paul en Matthias Bril (zie Nieuwsbrief van gisteren) eveneens mooie landschapslunetten schilderden.

Deze kapel kan in principe tussen 8.30 u. en 12 u. en van 15.30 u. tot 18 u. worden bezocht, maar je moet daarvoor toestemming vragen aan de nonnetjes in het winkeltjes tegenover de Capella San Silvestro. De toegang kost 5 euro.

De muren van deze Sylvesterkapel behoren tot de oorspronkelijke, middeleeuwse struktuur van het oude paleis van Lateranen, net als de muren van het Sancta Sanctorum. Tegenover de middentrap zie je een raam met tralies. Daarachter bevindt zich het Sancta Sanctorum. In het triclinium, een eetzaal van 26 m op 12,5 m van het verdwenen Lateraans paleis waarvan we deze bescheiden resten zien, had paus Leo III (796-816) de gewoonte om hier op Pasen met de kardinalen te dineren. Soms werden er belangrijke gasten uitgenodigd. De eerste hooggeplaatste gast was Karel de Grote, later werden er door de opeenvolgende pausen o.a. de pas gekroonde keizers ontvangen. De zaal had drie apsissen, in één ervan was een mozaïek (798) aangebracht waar de goddelijke tweedeling van geestelijke en wereldlijke macht werd voorgesteld met de portretten van paus Leo III (795-816) en Karel de Grote.

Toen paus Sixtus V in 1589 het oude, deels vernielde Lateranencomplex liet afbreken bleef dit bewuste, maar helaas ernstig beschadigde mozaïek behouden. In 1743 werd het verplaatst naar een speciaal daartoe aangebracht omhulsel in de rechter zijmuur van de Scala Sancta. Bij die verplaatsing brak het mozaïek zodat we vandaag enkel nog een zwaar hersteld mozaïek zien dat zelfs niet volledig met het origineel overeenstemt.

We onderscheiden drie delen. Vooreerst het deel rechts op de triomfboog, het stelt Petrus (met nimbus) voor die de stola overhandigt aan paus Leo III (met vierkante nimbus) als hoofd van de geestelijke macht aan wie hij zijn Kerk toevertrouwt.

Een tevreden glimlachende Karel de Grote, aangeduid als Carolo Rex, ontvangt van Petrus als opperste wereldlijke gezagsdrager (eveneens met vierkante nimbus) het ‘vexillum’, de standaard van het Romeinse Rijk. Na Constantijn die we links zien, is Karel de Grote zo de tweede stichter van het Heilig Romeinse Rijk, het Sacrum Imperium dat Constantijn stichtte. Het onderschrift luidt ‘Beate Petre donas vita Leon pp. E victoria Carvlo regi donas’, heilige Petrus, gij schenkt het leven aan paus Leo en de overwinning schenkt gij aan koning Karel. Let op de punten als aanduiding voor de woordscheiding, op de niet-klassieke spelling (b voor v) en het foutieve Latijnse taalgebruik. Dit deel van het mozaïek stemt getrouw overeen met het origineel. Op het deel links op de triomfboog geeft Christus het ‘labarum’ aan keizer Constantijn en het pallium aan de apostel Petrus.

Het labarum was bij de Romeinen het belangrijkste vaandel van het leger, gemaakt in een kostbare purperen stof aan een stang met dwarsstang waarboven later het Christus-monogram werd geplaatst. Dit deel van het mozaïek werd in 1625 volledig hermaakt zonder exact te weten hoe het origineel eruit zag. Het zou kunnen dat het Sylvester was die afgebeeld werd en niet Petrus, maar het kan ook een totaal andere groep geweest zijn. Als derde deel toont het middenmozaïek de zending der apostelen. Ook dit deel stemt goed overeen met het origineel uit de achtste eeuw. We zien Christus samen met elf discipelen, klaar om te dopen en de Kerk te verspreiden. Het geopende boek toont ‘Pax Vobis’. De tekst onderaan luidt ‘docete omnes gentes…’, onderwijst en doopt allen in naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Ik zal altijd bij u zijn tot het einde der tijden.

Deze scène is een allusie op de politiek gevolgd door de Romeinse Kerk in Europa, een politiek van geloofsverspreiding en van de versterking van haar eigen positie waarvoor ze op de hulp van Karel de Grote rekende. Zelfs indien bepaalde details van het mozaïek in vraag kunnen worden gesteld, geeft het een eerste teken van de Karolingische renaissance die tot 960 zal duren. Onder het Triclinium-mozaïek geeft een meestal gesloten deur toegang tot het ‘oratorio del Santissimo Sacramento’. Binnen bevinden zich links bovenaan zes landschapslunetten, geschilderd door Paul en Matthijs Bril. Het verhaal gaat dat in deze fresco’s zelfportretten verwerkt zijn.

In Rome bestaan er nog andere heilige trappen die echter niets te maken hebben met Jeruzalem of de heilige Helena. De eerste bevindt zich in het klooster van de Zusters van de Heilige Drievuldigheid ‘San Giuseppe a Capo le Case’ aan de via Francesco Crispi, een zijstraat van de Via Sistina, niet ver van de Spaanse Trappen.De tweede trap is terug te vinden in de Santi Michele e Magno, de kerk van de Friezen vlakbij het Sint-Pietersplein.

Om gunsten te verkrijgen werden overigens ook de trappen van de Santa Maria in Aracoeli en de Santa Maria Maggiore op de knieën beklommen. Dit herinnert ons aan Julius Caesar die bij gelegenheid op zijn knieën de trappen beklom van de tempel van Jupiter op het Capitool. Op 78-jarige leeftijd beklom paus Pius IX eveneens op zijn knieën de trappen van de Scala Santa aan de vooravond van de inval der Italiaanse troepen in 1870. Maar zijn gebed heeft niet geholpen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s