De zuil van Marcus Aurelius

Bijna halfweg Via del Corso in Rome wandel je, komende van Piazza Venezia, voorbij Piazza Colonna, een statig plein waar je ondermeer Palazzo Chigi (vandaag de ambtswoning van Enrico Letta, de Italiaanse minister-president), Palazzo Wedekind (vandaag het hoofdkwartier van de krant Il Tempo, vroeger de pauselijke posterijen) en een mooie fontein uit de zestiende eeuw aantreft. Het hele plein wordt echter gedomineerd door de enorme zuil van Marcus Aurelius, die hier in opdracht van de Romeinse senaat werd geplaatst tussen 180 en 193 ter herdenking van de overwinningen van keizer Marcus Aurelius (161-180). De zuil wordt door de Romeinen weleens de ‘portamonnezza’ genoemd, het dialectwoord voor een vuilnisblik dat van een rechtopstaande steel is voorzien zodat men zich bij het vegen niet hoeft te bukken.

Om de zuil te beschermen verhuurde Agapitus II (946-955) het monument in 949 aan het klooster van San Silvestro in Capite (vandaag een kantoor van de Poste Italiane). De kloosterlingen probeerden daar voordeel uit te halen, tegen betaling mochten pelgrims de trappen van de zuil beklimmen zodat ze konden genieten van een prachtig uitzicht over de stad.

Die activiteit bracht zoveel geld op dat op een bepaald ogenblik een abt een ex-communicatie uitvaardigde tegen al wie overwoog om de huurconcessie aan anderen toe te wijzen of aan anderen zou verkopen. Dat dreigement is overigens nog steeds te lezen in de voorhal van de kerk San Silvestro in Capite, op Piazza Silvestro. Uiterst rechts van de deur tegen de kerkgevel bevindt zich de marmeren plaat uit 1119, waarop de toenmalige abt van het Sint Silvesterklooster, een zekere Pietro, zijn ex-communicatie uitspreekt. Het is de grote verticaal geplaatste steen helemaal rechts in de middelste horizontale rij.

Tijdens de achttiende eeuw was de zuil nog omringd met ovens waarin de koffie voor de hele stad werd gebrand. Nadien was er tot 1805 een barbierszaak tegen de zuil gevestigd. Couperus maakte in 1911 mee dat de zuil werd verpakt in een soort kermistent, het teatro Frattini, waar hij avond na avond worstelpartijen bezocht. Bij muziekuitvoeringen op het plein werden in een halve cirkel rijen stoelen rond de zuil geplaatst. En tot de jaren tachtig van de vorige eeuw stond de zuil nog midden in een zee van geparkeerde auto’s.

De zuil maakte oorspronkelijk deel uit van een door zijn zoon en opvolger keizer Commodus (180-192) gebouwd complex bestaande uit een tempel toegewijd aan Marcus Aurelius (die zich bevond op de plaats van het huidige palazzo Wedekind) met links en rechts een porticus, en vooraan een triomfboog. Van deze boog resteren vandaag nog de prachtige marmeren zuilen die je kan zien naast het hoogaltaar van de Sant’ Agnese-kerk op Piazza Navona. Op de zuil bevonden zich de beelden van Marcus Aurelius en Faustina.

De zuil bestaat uit 28 marmeren trommels en is met zijn doorsnede van 3,7 m iets dikker dan de zuil van Trajanus die 80 jaar ouder is en als voorbeeld diende. 3,86 m van het oorspronkelijke voetstuk bevindt zich onder de grond, de totale zichtbare hoogte is 42 m. De schacht zelf is honderd Romeinse voet hoog (29,6 m en dus hoger dan zijn voorbeeld).

De zuil is vervaardigd uit Carrara-marmer en over zijn hele lengte gedecoreerd met een spiraalvormig verhalend reliëf. Net als bij de zuil van Trajanus loopt er binnenin een wenteltrap naar de top. De 201 treden worden verlicht door 56 kleine raampjes, niet groter dan schietgaten. Ter vervanging van de verloren gegane beelden bovenaan, liet paus Sixtus V er in 1589 door Domenico Fontana een verguld bronzen beeld van de apostel Paulus plaatsen, de tegenhanger van het Petrusbeeld dat dezelfde paus twee jaar eerder op de zuil van Trajanus had laten neerzetten.

De omlijsting van de oude sokkel ging door toedoen van Fontana verloren. Zijn naam staat vermeld onderaan de basisblok, aan de zijde van Palazzo Chigi. Op de vernieuwde sokkel die Sixtus V liet aanbrengen, staat verkeerdelijk vermeld dat de zuil aan keizer Antoninus Pius (138-161) gewijd was (te lezen aan de zijde van Palazzo Wedekind, voorlaatste regel), waardoor de zuil bij de Romeinen bekend raakte als de ‘colonna Antonina’.

Er heeft inderdaad een zuil van Antoninus Pius bestaan maar die werd pas in 1705 in stukken teruggevonden. Het was de bedoeling van Clemens XI (1700-1721) die teruggevonden zuil van Antoninus Pius hier vlakbij op Piazza di Montecitorio te laten heroprichten maar dat project ging niet door.

Wel werd in 1792 beslist om voor de restauratie van de obelisk van Augustus op Piazza di Montecitorio stukken graniet te gebruiken afkomstig van de herdenkingszuil van Antoninus Pius. De gerestaureerde obelisk werd bij die gelegenheid ook verplaatst naar de plek waar oorspronkelijk de zuil van keizer Antoninus Pius had gestaan.

Deze verdwenen zuil van Pius was een in technisch opzicht verbluffend antwoord op de zuil van Trajanus. Hij bestond uit een vijftig meter hoge cenotaaf van roze graniet met bovenop een bronzen beeld van de keizer, rustend op een bijna 2,5 m hoog van afbeeldingen voorzien wit marmeren voetstuk. Dat voetstuk is bewaard gebleven en bevindt zich vandaag in de Vaticaanse musea, op de binnenplaats voor de Pinacotheek.

Maar even terug naar de zuil van Marcus Aurelius. De tekst die Sixtus V in 1589 liet aanbrengen (kant Chigi) luidt ‘Triumphalis et sacra nunc…’, thans triomfeer ik en ben ik heilig, omdat ik de leerling van Christus draag, die het kruis predikte en zo de overwinning behaalde op Romeinen en barbaren.

Het thema van het reliëf wordt gevormd door de oorlog tegen de Markomannen en de Quaden (169-173) en de strijd tegen de Sarmaten (174-176). De Markomannen waren Germanen die zich omstreeks 8 v. Chr. in Bohemen vestigden en voor het eerst in de geschiedenis een sterk Germaans rijk opbouwden. Door het opdringen van noordelijke stammen overschreden ze de Donau, maar werden uiteindelijk na bloedige gevechten door de Romeinen verdreven (na 500 zouden ze zich in Beieren vestigen).

De Sarmaten zijn een verzamelnaam voor de ruitervolkeren tussen Weichsel en Wolga. De westelijke groep onder hen sloot zich aan bij de Germanen, de oostelijke groep overvleugelde de Scyten die zelf zullen opgaan in de Sarmaten. Keizer Marcus Aurelius nam persoonlijk het opperbevel over het leger op zich en dankzij de door hem geboekte overwinningen werd de invasie van de barbaren in Rome enkele eeuwen uitgesteld.

Net als op de zuil van Trajanus wordt het verhaal in twee segmenten verdeeld door een Victoria die op een schild schrijft (net naast het vijfde kijkgat, tellend vanaf de basis, kant Via del Corso). Het onderste deel vertelt de campagne tegen de Germaanse stammen, het bovenste de strijd tegen de Sarmaten. De reliëfs zijn opgebouwd uit krijgstaferelen met veldslagen, belegeringen, gevangennemingen en capitulaties, en scènes die zijn gewijd aan offers en de bouw van legerkampen.

Het verhaal begint met de tocht van het leger naar Carnuntum, een beslissende episode in het offensief. Het eerste deel toont o.a. het wonder van de bliksem die een oorlogsmachine van de vijand vernietigde en de regen die de Quaden overweldigde maar de dorstige Romeinen goed uitkwam. Let op de weergave van de verslagen barbaren: ze hebben bijna allemaal opengesperde ogen en van pijn vertrokken monden. Dit toont de minachting voor de vijand.

De figuren in de zuil werden uitgehakt met behulp van een speciale steenboor, een werktuig dat tijdens de regering van Marcus Aurelius in gebruik werd genomen. De spiraalvormige ijzeren boor werd met twee stukken touw aangedreven en maakte het mogelijk diep in het marmer te boren. Daardoor lijken veel figuren los te komen van de ondergrond en ontstaan sterke licht-donker effecten. Dit liet toe het fries zo ‘leesbaar’ mogelijk te maken, met taferelen en figuren die, precies door hun extra volume, bijdragen aan de duidelijkheid van de voorstelling. Voor het publiek dat de inhuldiging van de zuil heeft meegemaakt moet dat een fantastische, nieuwe ervaring geweest zijn.

Op de vele afbeeldingen van de keizer, vaak als opperbevelhebber tussen zijn generaals, is hij meestal frontaal weergegeven. Hij lijkt zich in een andere sfeer te bevinden dan zijn ondergeschikten en wordt omgeven door een soort goddelijke aura. Zo wordt de keizer getoond als een machtige, beheerste en imposante heerser, in perfecte symmmetrie omgeven door zijn onderdanen.

In tegenstelling hiermee zagen we hoe Trajanus te midden van zijn generaals wordt afgebeeld als een man die in de werkelijkheid staat en de discussie aangaat. De iconografie op de zuil van Marcus Aurelius vertegenwoordigt een fase waarin de Romeinse macht zich van zijn meest absolute kant durfde te laten zien.

Het concept van een superieure dynastie werd ingegeven door Commodus, die de zuil liet uitvoeren. Marcus Aurelius had dertien kinderen (zeven zonen en zes dochters) maar enkel Commodus bleef in leven. Marcus Aurelius week af van het door zijn voorgangers gevolgde adoptiesysteem en droeg de regering over aan zijn ontaarde zoon (180-192). Dat was niet meteen zijn beste beslissing. Toen Commodus 15 jaar oud was werd hij medekeizer en vier jaar later keizer.

De nieuwe keizer maakte in 180, bij de dood van Marcus Aurelius, zo snel mogelijk een einde aan de oorlogen die zijn vader aan het voeren was en keerde terug naar Rome waar hij zich overgaf aan vermaak, omgeven door een hofhouding die hem vereerde als Hercules. De betrekkelijke stabiliteit van het Romeinse Rijk ging na de dood van Marcus Aurelius verloren, in de 125 jaar die ons dan nog scheiden van Constantijn zullen maar liefst 40 keizers mekaar opvolgen.

Tijdens de zeventiende eeuw kreeg Bernini de haast onmogelijke opdracht de zuil van Trajanus (113) van het Forum naar Piazza Colonna te verplaatsen, dit om samen met de zuil van Marcus Aurelius (193) samengebracht te worden in een soort tweelingproject. Het plan werd gelukkig nooit uitgevoerd. Beide triomfzuilen lijken inderdaad sterk op elkaar (deze van Trajanus is weliswaar 80 jaar ouder dan deze van Marcus Aurelius) maar er zijn wel degelijk grote verschillen.

Een eerste verschil is de hoogte van de rond lopende fries die bij de zuil van Marcus Aurelius merkelijk hoger is waardoor het aantal taferelen kleiner wordt en het ‘verhaal’ korter. Omwille van de zichtbaarheid zijn bij Marcus Aurelius de voorstellingen groter en is het relief dieper, wat wel ten koste gaat van de verfijning.

De zuil van Marcus Aurelius mist ook de verbreding op twee derde van de zuil van Trajanus. Ondanks een hang naar versobering wilde men de afbeeldingen bij Marcus Aurelius een zekere pathos geven, vooral wat betreft de uitdrukking op de gezichten. Hoewel het compositieschema over het algemeen pover is, is de kwaliteit toch hoog.

In tegenstelling tot de zuil van Trajanus wordt in de kolom van Marcus Aurelius elk illustratief detail uit het beeldverslag geweerd, zelden komt er een boom of een dier in voor en er is nauwelijks een aanduiding van het landschap. De figuren zijn niet afgestemd op een ruimtelijke verhouding tot elkaar en tot hun omgeving.

Op de zuil van Trajanus is het verhaal afstandelijk. Bij Marcus Aurelius zoekt men het effect, dit gebeurt door de herhaling van eenzelfde beweging, door de sterk vergrote volumes en de diep uitgegraven schaduwen. Door de grafische vereenvoudiging komt de afbeelding als het ware op de toeschouwer af.

Op de Trajanuszuil is de keizer de figuur die de handeling voortstuwt en wordt hij bijna steeds in profiel weergegeven zodat hij een rol speelt in het gebeuren binnen de afbeelding. Bij de zuil van Marcus Aurelius komt de keizer telkens weer uit het reliëf naar de toeschouwer toe waardoor hij deze betrekt in het gebeuren. Dit is nieuw. Dit zal ook later in de middeleeuwen worden toegepast wanneer men Christus afbeeldt, kijkend naar de toeschouwers terwijl de discipelen naar Christus kijken.

Op de zuil van Marcus Aurelius moeten we vaststellen dat er minder zorg lijkt te zijn besteed aan de afwikkeling van het verhaal. Zo zijn er op zichzelf staande herhalingen van uitgesproken propagandistische taferelen, waaronder veel scènes gewijd aan de onderwerping van barbaarse stammen.

Het bekendste tafereel is de ook in een literaire bron overgeleverde scène van het zogenaamde regenwonder op de derde baan vanaf de basis, kant Via del Corso. Hij stelt een door de Romeinen gewonnen slag voor, onder de hoede van een enorme gevleugelde en bebaarde beschermgod, die een hevige regenbui veroorzaakt.

In deze scène is dus een irrationeel element aanwezig dat bij Trajanus ondenkbaar was en dat vooruit wees naar de geestelijke onrust in het rijk. Tijdens de vierde eeuw en vermoedelijk onder invloed van keizer Constantijn werd het bewuste incident omschreven en beschouwd als een mirakel, dat louter te danken was aan de aanwezigheid van christenen onder de Romeinse soldaten.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s