Koepel Sant’Andrea al Quirinale gerestaureerd

Precies een jaar na het begin van de restauratie van de fraaie koepel van de Sant’Andrea al Quirinale, een meesterwerk van Gian Lorenzo Bernini, is de oorspronkelijke glans van bladgoud en het stucwerk weer in volle glorie te bewonderen. De werkzaamheden hebben 800.000 euro gekost. Bernini (1598-1680) werkte voor de bouw samen met zijn leerling Mattia de Rossi (1637-1695). De kerk werd opgetrokken tussen 1658 en 1678 en wordt beschouwd als één van de beste voorbeelden van Romeinse barok. Bernini beschouwde het als zijn enige meesterwerk. Het zou ook zijn laatste werk zijn en samen met de Santa Bibiana – die hij beschouwde als een jeugdzonde – de enige kerk van zijn hand in Rome. Het is wel een juweeltje geworden en als je bij een bezoek aan Rome slechts twee kerken bezoekt moet dit er eigenlijk eentje van zijn.

Volgens verhalen die werden neergeschreven door Bernini’s zoon kwam de kunstenaar de laatste paar jaar voor zijn dood vaak naar deze kerk om te genieten van de fraaie lichteffecten op het marmer, het verguldsel en het stucwerk op de koepel. Al te vaak heeft men in Rome, in het vuur van de contra-reformatie, bestaande kerken die zich daar volstrekt niet toe leenden in barokke toevoegingen of ornamenten verpakt, maar hier zien we een door een meesterhand in deze stijl ontworpen kerk.

Een openbaring van buitengewone schoonheid en harmonie is het resultaat. De kunstenaars slaagden erin het materiaal als het ware te kneden en te boetseren zodat de stugheid welke eigen is aan marmer en steen, ogenschijnlijk verdwijnt. De werken van Bernini werden in het verleden echter niet steeds door iedereen gewaardeerd. Toen Charles Dickens in ‘Pictures from Italy’ zijn bezoek aan Rome beschrijft, noemt hij Bernini’s barokmonumenten ‘onverdraaglijke misgeboorten’ en ‘het meest verwerpelijk soort bouwsels uit de hele wereld’. Smaken kunnen verschillen.

De Sant’Andrea al Quirinale werd gebouwd voor de novicen van de jezuïtenorde in opdracht van kardinaal Camilio Pamphili, neef van Innocentius X, paus van 1644 tot 1655. Dit verklaart de vele IHS emblemen, Iesus Hominum Salvator, Jezus redder der mensheid. De werken werden uitgevoerd tussen 1658 en 1678 en werden gesuperviseerd door Gian Lorenzo Bernini, bijgestaan door zijn leerling Mattia De Rossi.

Deze laatste ontwierp de kapellen, de vloer van de kerk en de sacristie. Geen van beide architecten aanvaardde enige geldelijke vergoeding, zij verkozen een vergoeding in natura. Zo was Bernini voor de rest van zijn leven een dagelijkse broodmaaltijd beloofd. Lang heeft hij daar niet van genoten: de kunstenaar stierf reeds twee jaar na de voltooiing van de kerk.

Door de drukke straat wordt een goed zicht op deze mooie kerk, die oorspronkelijk honingkleurig was, sterk bemoeilijkt. Vroeger was er vóór de trappen zelfs geen voetpad zodat de gevel en de gebogen muren links en rechts zich eleganter openden naar de waarnemer. De porticus bestaat uit een versierd voordak op twee vrijstaande Ionische zuilen.

Vóór de gevel is, door de naar voren grijpende lage muurarmen, een voorplein gewonnen. De concave zijwanden benadrukken de convexe porticus. Het geheel herinnert aan de enkele jaren jongere gevel van de Santa Maria della Pace van Pietro da Cortona. De kapitelen en het familiewapen der Pamphili’s werden in 1670 vervaardigd ‘rekening houdend met de smaak en de goedkeuring van Bernini’.

Zodra je de Sant’Andrea al Quirinale betreedt, merk je de analogie op met de kerk van Sint-Juliaan-der-Vlamingen, waarvoor deze kerk van Bernini inderdaad model stond. Het sublieme interieur is ovaalvormig, niet groot maar groots. Omdat de beschikbare oppervlakte breed en ondiep was, richtte Bernini de lengte-as niet naar het hoogaltaar maar evenwijdig ermee. Zo bekwam hij een dwarsovaal dat de diepte drukt en de toeschouwer tot stilstaand brengt. Bernini creëerde prachtige effecten, dit is barok in de meest goede betekenis van het woord.

De rijke tonen van het veelkleurige marmer van het onderste deel van de kerk, steekt af tegen het wit en het vergulde stucwerk van de koepel. Marmeren pilaren dragen de tamboerloze koepel met cassetten en ribben, die door de basisvensters en vanuit de lantaarn verlicht wordt. Het licht dat door de ramen tussen de ribben en door de lantaarn valt, verlicht de centrale ruimte gelijkmatig, maar laat de kapellen in het duister. Elke kapel wordt dan weer verlicht door hoogstaande vensters achter het altaar.

Let op de engeltjes die de sokkel van de centrale lantaarn omkransen. Zo ook boven de kleine vensters met ertussen vissers, de gezellen van Andreas. De altaarruimte straalt in een helder licht afkomstig uit een verborgen bron, een hoog dakportaal en twee paar marmeren, gegroefde Corinthische zuilen omlijsten het geheel met aan beide kanten donkere doorgangen die reliëf geven.

De ‘Kruisiging van Sint-Andreas’ (1668) boven het hoogaltaar is een werk van Borgognone (1621-1676), de bijnaam van Jacques Courtois. Ervoor en erboven in de ronde uitsnijding van het fronton ‘vaart de heilige Andreas op een wolk ten hemel’, een ontwerp van Bernini en in stuc uitgevoerd door Antonio Raggi (1624-1686) die ook de indrukwekkende groep engelen en cherubijnen uitvoerde boven het altaar. De blik van de heilige voert op zijn beurt naar de lantaarn met de Heilige Geest helemaal bovenaan.

Van Raggi ken je ook het prachtige stucwerk in de Gesù, de hoofdkerk van de Jezuïeten in Rome. In de tweede kapel rechts bevinden zich drie werken betreffende Sint Franciscus Xaverius (1506-1555) uitgevoerd door Baciccio (1639-1709). Vooral de ‘Dood van S. Franciscus Xaverius’ boven het altaar is mooi. De Spaanse heilige (1506-1552) was een metgezel van Ignatius van Loyola en ondernam vanuit Goa missiereizen in Indië en Japan.

Het indrukwekkende altaar met het ovaal reliquarium dat de rechter onderarm van deze heilige bevat, bevindt zich in de Gesù. Van Baciccio, de artiestennaam van Giovanni Battista Gaulli zie je nog steeds in dezelfde Gesù-kerk zijn plafondfresco, ongetwijfeld het meesterwerk van deze kunstenaar.

In de derde kapel links van de Sant’Andrea al Quirinale worden de resten bewaard van Stanislaus Kostka. Deze Poolse heilige werd geboren in 1550, hij studeerde in Wenen maar kwam op ‘vraag’ van Maria in 1564 te voet naar Rome waar hij toegelaten werd tot het hier gelegen noviciaat van de jezuïeten (de Sant’Andreakerk bestond toen nog niet). Hij stierf er op 15 augustus 1568. De verschijning van de Maagd aan Kostka wordt uitgebeeld op het schilderij van Carlo Maratta (1625-1713) boven het altaar.

In de smalle kapel links van het hoogaltaar staat links een beeld van Karel Emmanuel IV van Savoye, die hier de laatste vier jaar van zijn leven als jezuïet sleet nadat hij eerst zijn troon en vervolgens zijn vrouw had verloren. Hij was bij leven koning van Piëmont en stamvader van het Italiaanse koningshuis.

Opgejaagd door de Franse revolutie deed hij in 1802 troonsafstand, trad in bij de jezuieten, werd blind en stierf hier in 1819. In 1870 zou zijn nazaat Vittorio Emanuele II als koning van Italië, aan de overkant van de straat in het Quirinaalpaleis komen wonen.

Langs de doorgang rechts van het hoogaltaar voert een trap naar de kamer van Stanislas Kostka (1550-1568) op de eerste verdieping. Daar stierf de heilige, nauwelijks achttien jaar oud, volgens de legende tijdens een visioen waarin Maria hem met een engelenkoor tegemoet trad. Dit soort verhalen werden in dit tijd wel vaker verteld. Zijn kamer is een reconstructie want de originele kamer verdween in 1872 toen een deel van het klooster werd ingepalmd door het ministerie van Koningszaken.

In deze kamer bevindt zich sinds 1703 een levensgroot, marmeren beeld van de heilige op zijn sterfbed. Het is een werk van Pierre Legros (1666-1719). Het is een nogal bont beeld omdat de kunstenaar marmer gebruikte met vijf verschillende kleuren, zachtroze voor het bed, roodgeel voor ledikant en matras, grijs-wit voor de kussens en lakens, zwart voor het gewaad, wit voor hoofd en handen. Het beeld is een voorbeeld van barok illusionisme. Het gelaat van Kostka is nogal simpel. Persoonlijk zijn we niet zo wild van dit kunstwerk. Toch waren mensen generaties lang, zeer ontroerd door het gelaat.

Toen hij het beeld had voltooid was de protestant Legros er zo over in zijn nopjes dat hij overging tot het katholicisme. De twaalf schilderingen die het verhaal van Stanislas uitbeelden zijn het werk van de jezuïet Andrea Pozzo (1642-1709), de schilder van de unieke trompe-l’oeil en het plafondfresco in de Sant’ Ignazio en een goede vriend van Legros. Pozzo was een veel grotere kunstenaar dan de zeker niet onverdienstelijke maar al bij al middelmatige Legros, die in andere eeuwen in Rome heel grote dingen had kunnen verwezenlijken maar in het verkeerde tijdperk was geboren.

In de sacristie (via dezelfde doorgang rechts van het hoogaltaar, dan rechts tot einde gang) bevindt zich een mooi plafond met trompe-l’oeil effecten. Het zijn fresco’s (1670) van Giovanni De La Borde waarvoor Bernini destijds zijn waardering uitspraak bij de evaluatie van de schetsen. De lavabo zou een werk van Bernini zijn. Langs de muren staan kasten in notehout met erboven balustrades. Er is een schilderij met de ‘Hemelvaart van Maria’, ook een werk van Andrea Pozzo.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s