De bouwers van de Sixtijnse kapel

De Sixtijnse kapel werd tussen 1475 en 1481 gebouwd door Giovannino de’ Dolci in opdracht van paus Sixtus IV, naar wie het bouwwerk later ook werd vernoemd. Sixtus IV was geboren als Francesco della Rovere en was paus van 1471 tot 1484, in feite de eerste vertegenwoordiger van het sterk verwereldlijkte renaissancepausdom. Zijn carrière begon als minderbroeder, in 1464 werd hij generaal van zijn orde. Paulus II benoemde hem in 1467 tot kardinaal en op 9 augustus 1471 werd hij gekozen als diens opvolger.

Ordegenoten maakten gebruik van zijn gebrek aan ervaring, o.a. door privileges te vragen (het zgn. Mare magnum van 1474) en door het aantal Mariafeesten te laten uitbreiden. Ook zijn familie maakte schromelijk misbruik van de paus door geld, eigendommen en kerkelijke waardigheden op te eisen.

De meest beruchte waren zijn neef Giuliano della Rovere (de latere paus Julius II), Pietro Riario, minderbroeder (driemaal bisschop, tweemaal aartsbisschop, patriarch van Constantinopel en kardinaal), en vooral Girolamo Riario, ‘de demon van de paus’, die de pauselijke staten uitputte door zinloze oorlogen met Ferrara en Napels (1482) en de paus zwaar compromitteerde door zijn aandeel in de moord op Giuliano de’ Medici tijdens de Pazzi-samenzwering in Florence (1478).

De wraak van de’ Medici werd door de paus beantwoord met ex-communicaties en een interdict over de stad; de daaropvolgende oorlog verloor hij echter. Familievetes tussen de Orsini’s, Colonna’s en later de Borgia’s waren dankzij dit nepotisme schering en inslag. Een en ander kostte zoveel geld dat de aflaten vermeerderd en de kosten voor beneficies verhoogd moesten worden.

Maar ondertussen bouwde Sixtus IV rustig voort aan wat later bekend zou worden als de Capella Sistina, de Sixtijnse kapel. Een vroegere studiegenoot, de dominicaan Andrea(s) Zamometic , sedert 1476 aartsbisschop van Granea, keerde zich vanaf 1480 tegen de misstanden aan het pauselijke hof. Zijn poging om het Concilie van Basel te heropenen (1482) en de paus te doen veroordelen, mislukte o.a. door gebrek aan medewerking van keizer Frederik III.

De paus liet deze persoonlijke ‘triomf’ door Botticelli vereeuwigen in een fresco in de kapel en vaardigde opnieuw het verbod uit te appelleren op een algemeen concilie (1483). Aan de ‘katholieke koningen’ van Spanje stond hij de herinvoering van de Spaanse Inquisitie toe (1478). Wegens zijn grootscheepse opdrachten en uitgaven voor de stad Rome kreeg hij de eretitel ‘Instaurator Urbis’ (Inrichter van de stad).

De muurschilderingen op de zijwanden van de Sixtijnse kapel zijn vervaardigd door Sandro Botticelli, Pietro Perugino, Domenico Ghirlandaio, Cosimo Rosselli en Luca Signorelli. Op de schilderingen worden belangrijke gebeurtenissen uit de christelijke geschiedenis afgebeeld, ingedeeld in drie perioden: vóórdat Mozes de Tien Geboden ontving, de tijd tussen Mozes en Christus en het tijdperk dat erop volgde. Daar komen we zo meteen op terug.

Het plafond was oorspronkelijk azuurblauw geschilderd en met gouden sterren gedecoreerd, maar Paus Julius II besloot in 1508 dat er een nieuw fresco geschilderd moest worden. Hij contracteerde daarvoor Michelangelo, hoewel deze zich tot dan toe vooral met beeldhouwen bezig had gehouden. Michelangelo schilderde zijn fresco’s tussen 1508 en 1512 voor een bedrag van 3.000 dukaten (zie Nieuwsbrief van gisteren).

Wanneer men de hedendaagse drukte bekijkt en de strengheid waarmee bezoekers in het oog worden gehouden, dan kan men zich nauwelijks voorstellen dat Goethe in 1787 in de Sixtijnse kapel heeft geluncht, waarna hij op de nu niet meer aanwezige pauselijke troon een middagdutje deed. En al evenmin is het begrijpelijk dat Goethe en zijn vrienden een ladder tegen ‘Het Laatste Oordeel’ mochten plaatsen om figuren van het fresco te calqueren. Goethe merkte op dat wie de Sixtijnse kapel niet gezien had, zich geen volledige voorstelling kon maken van waartoe één enkel mens in staat is.

Joshua Reynolds (1728-1792) schreef dat de stijl van Michelangelo de ‘taal der goden’ was. De kapel is 40,23 m op 13,41 m en 20,70 m hoog en wordt verlicht door zes vensters aan de lange zijden. Het hek van Andrea Bregno verdeelt de ruimte in een deel voor de geestelijken en een deel voor de leken, ernaast is de beroemde zangerstribune.

De sokkelzone van de muren was van oudsher met tapijten behangen. De vloer bestaat uit ingelegd marmer in de cosmatentraditie. De picturale indeling van de Sixtijnse kapel is zoals vermeld een weerspiegeling van het middeleeuwse geloof dat de geschiedenis van de mensheid in drie delen of tijdperken was in te delen.

Het eerste was het verhaal van de wereld voordat God Mozes de Wet gaf. Het tweede wordt gevormd door de Wet zoals die door Mozes werd voorgeschreven. Het derde is het leven sinds de Wet, dat zich concentreert rond de geboorte van Christus, de periode van het Nieuwe Testament. Sixtus IV gaf opdracht het derde tijdperk en een deel van het tweede in beelden voor te stellen. Dit betekende dat het eerste tijdperk nog onaangeroerd was en dus vertrouwde Julius II Michelangelo de taak toe om het verhaal van het Oude Testament op het plafond weer te geven.

Twaalf muurschilderingen, geschilderd door Umbrische en Toscaanse meesters, zijn deze fresco’s uit 1481–1483 getuigen van de wens van Sixtus IV om de decoratieve traditie van de vroeg-christelijke basilieken voort te zetten. Aan de onderkant zijn draperieën geschilderd zoals die in de oude basilieken tussen de zuilen hingen. Tussen de ramen werden door Fra Diamante, Ghirlandaio, Botticelli en Rosselli de eerste pausen afgebeeld van Petrus tot Marcellus I (308-309). De gedaanten van Christus en de eerste drie pausen verdwenen toen ‘Het Laatste Oordeel’ boven het altaar werd geschilderd.

Halverwege de wanden is een reeks schilderingen gewijd aan scènes uit het leven van Mozes en Christus, als symbool van de geschiedenis van de mensheid voor en na de komst van de Messias. Alle warmte, menselijkheid, liefde voor intieme, persoonlijke details en alle toespelingen op eigentijdse gebeurtenissen en persoonlijkheden die zo karakteristiek zijn voor de schilderkunst uit de vroege renaissance in Italië, treffen we in deze scènes aan. Vooral deze uit het leven van Mozes vertonen deze kenmerken in hoge mate.

Deze fresco’s zijn hoogtepunten van de renaissance-schilderkunst, maar ze worden door de overweldigende pracht van Michelangelo’s werk in de schaduw gesteld en daardoor vaak over het hoofd gezien. Opdat de aangezochte kunstenaars hun uiterste best zouden doen, had de paus een prijs uitgeloofd voor het mooiste fresco, een wedstrijd die door Cosimo Rosselli (1439-1507) werd gewonnen.

Hendrick van den Broeck (1519-1597), die na verblijven in Florence, Perugia en Orvieto meerdere decennia in Rome werkte en tot zijn dood in de stad verbleef, kreeg de eervolle opdracht op de muur tegenover het Laatste Oordeel zijn gesigneerde ‘Opstanding van Christus’ te schilderen. Deze vroegst gekende autonome Romeinse opdracht aan de Mechelse schilder is vermoedelijk te dateren omstreeks 1570, wellicht onder Gregorius XIII.

Deze sober opgezette voorstelling is wellicht één van de belangrijkste opdrachten in fresco die een Vlaming tot dan toe in Rome te beurt was gevallen en qua stijl duidelijk anders geörienteerd dan zijn werk in Umbrië. Na Spranger en vóór Rubens was hij de meest gevraagde figuurschilder uit het noorden voor grote religieuze opdrachten in Rome.

Let op de stand, de vorm, de aankleding en een zekere massiviteit van bepaalde bijfiguren die sterk teruggaan op het tegenover liggende werk van Michelangelo. Op dezelfde muur zien we de ‘Verzoeking van Christus’ (1480), een werk van Botticelli. In elke episode is de duivel gekleed als een franciskaan, nogal eigenaardig want de regerende paus, Sixtus IV, was voor zijn verkiezing generaal der franciskanen. De tempel in het midden toont ons het Romeinse hospitaal Santo Spirito, dat de paus grondig gerenoveerd en uitgebreid had.

Aangezien de veldtochten van Julius II zoveel geld opslorpten dat hij zelfs zijn tiara moest verpanden aan de bankier Agostino Chigi, kon de paus Michelangelo niet behoorlijk betalen. Het waren voor de kunstenaar jaren van armoede en ontbering. Toen het werk voltooid was, kreeg hij voor vier jaar intensieve arbeid slechts drieduizend dukaten.

Wanneer men met zijn gezicht naar ‘Het laatste Oordeel’ staat, is ter hoogte van het plafond tafereel ‘De schepping van zon en maan’, links tussen ‘De Perzische Sibylle’ en ‘Jeremia’, te zien hoe de geërgerde Michelangelo zich in de lunetschildering ’Salomo, Boaz, Obed’ op de paus heeft gewroken omdat die zo op spoed aandrong.

De oude Boaz heeft namelijk een soort scepter in de hand met daarop een kopje dat een karikatuur is van de paus. Michelangelo bracht zijn spotternij aan precies boven de pauselijke troon, die daar toen stond. Het schijnt dat Julius het zelf nooit heeft gezien. Vier maanden nadat Michelangelo het werk voltooid had stierf de paus.

Michelangelo signeerde zijn werk niet, in een opschrift liet hij de eer aan God. Ter hoogte van de rechterknie van de profeet Jeremia (links van het eerste tafereel, ‘De scheiding van licht en duisternis’) staat op het met verf nagebootste stucwerk een tekst die in vertaling luidt: ‘Met de hulp van God, de Alfa en de Omega, is het werk begonnen en tot een goed einde gebracht.’ Met het blote oog is dat evenwel niet leesbaar. Naar het oordeel van bepaalde auteurs is de afbeelding van de profeet trouwens een zelfportret van Michelangelo.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s