Het overweldigende interieur van de Chiesa Santissimo Nome di Gesù

De voorbije dagen hadden we het over de Chiesa Santissimo Nome di Gesù, kortweg Il Gesù of Gesù, de hoofdkerk van de Orde der Jezuïeten. De lectuur van dinsdag heeft er wellicht voor gezorgd dat je nooit nog op dezelfde manier aan dit gebouw voorbij gaat. Vandaag stappen we er ook even binnen. Het eerste effect bij het binnentreden is verpletterend. Weelderig en veelkleurig marmer, schilderingen, beeldhouwwerk, brons, stucwerk en verguldsels laten geen plekje onbenut en maken een overweldigende indruk. Oorspronkelijk was deze kerk echter zeer sober versierd, de stucs en trompe-l’oeil dateren uit de periode 1672-1685, de kerk is dan al een eeuw oud.

De gekoppelde pijlers in het schip waren oorspronkelijk grijs en het gewelf was uitgevoerd in wit stucwerk. Dateert de eenvoudige buitenkant van de kerk uit de tijd van de contra-reformatie, de overdadige decoratie van het interieur is duidelijk afkomstig uit de barok, de glorietijd van de pausen. De grote verandering kwam er toen de nieuwe leider van de jezuïeten, pater Olivia, wilde dat de Gesù de triomf van de katholieke Kerk en van de Orde zou uitstralen. Hij wilde dat de gelovigen onder de indruk zouden komen en door het aanschouwen van heilige gebeurtenissen vertrouwd zouden raken met de hemelse glorie.

De boodschap was klaar en duidelijk: ‘vrome katholieken zullen vreugdevol ten hemel varen terwijl protestanten en andere ketters in de vuurpoelen van de hel zullen branden’. Het interieur werd dus ‘verfraaid’, zeg maar ‘verbarokt’. Goethe schrijft hierover in 1786: ‘Ik moet vaak denken aan het karakter en de bezorgheden van de jezuïeten. De grandeur en de volmaakte ontwerpen van hun kerken roepen wijd en zijd ontzag en bewondering op’.

‘Voor de versiering gebruikten ze goud, zilver en edelstenen om bedelaars van alle rangen en standen verbijsterd te doen staan, met hier en daar een platvloerse toets om de massa aan te spreken. Het katholicisme heeft dat talent altijd gehad, maar ik heb nog nooit gezien dat het met zo’n intelligentie, vaardigheid en consistentie werd gedaan als door de jezuïeten. In tegenstelling tot andere religieuze ordes hebben ze gebroken met de oude conventies van de godsdienstbeoefening en hebben zij die in overeenstemming met de tijdsgeest met pracht en praal verfrist’, aldus Goethe.

In 1956 omschrijft Leo Van Egeraat in zijn ‘Gids voor Rome’ de Gesù als ‘een parvenukerk, een theater haast, waar de triomf van het christendom in een weelderige etalage ten toon gespreid wordt’. Louis Couperus die hier op 1 januari 1911 de hoogmis bijwoonde, liet in deze kerk ‘van barbaarse pracht en orientalistische, Byzantijnse mystiek, de ogen flaneren, ook al is het lichaam in rust…’. Bernini (1598-1680) die ondanks zijn al zijn streken een godvruchtig man was, kwam gedurende de laatste veertig jaar van zijn leven, elke dag de vespers bidden in de Gesù. Dit alles om maar te zeggen dat de Gesù weinigen onberoerd liet en nog steeds laat.

Er is een uniek, open en breed schip dat 75 meter lang is, en dat door de steekkappen in het tongewelf goed verlicht wordt zodat de gelovigen hun aandacht kunnen concentreren op de handelingen van de priester en samen met hem bidden. Arcaden aan weerszijden van het langschip geven toegang tot de zijkapellen. Boven de verdubbelde pilaren loopt een gladde, indrukwekkende lijst. De vieringsbogen dragen de cilindervormige tamboer van de koepel die wordt afgesloten door een kalot in de vorm van een halve bol.

Het summum van de Gesù is het onvoorstelbare plafondfresco (1674-1679) van het schip, het toont ‘De triomf van de naam Jezus’. Het is een meesterwerk van Giovan Battista Gaulli, gekend als il Baciccio, die op voorspraak van Bernini de opdracht kreeg. Baciccio (1639-1709, ook weleens vermeld als Baciccia) werd geboren in Genua maar werkte vooral in Rome. Met zijn warme kleuren, lichtbehandeling en extreme perspectivistische verkortingen, bereikt Baciccio een zeer persoonlijke, dynamische stijl die de fresco-schilderkunst van de Romeinse barok sterk zal beïnvloeden.

Zijn spectaculaire, illusionistische versieringskunst wordt wellicht enkel geëvenaard door Andrea Pozzo, die het plafondfresco in de Sant’ Ignazio in Rome schilderde. Baciccio verdiende zijn plaats in de kunstgeschiedenis door zijn frescowerken, maar ook door zijn portretten. Zo schilderde hij elk van de zeven opeenvolgende pausen van Alexander VII tot Clemens XI. In sommige van die portretten is een invloed te bespeuren van Antoon Van Dyck (1599-1641) die in 1622 en 1623 in Rome verbleef. Dat Baciccio in zijn tijd een grote naam was blijkt uit het feit dat Lodewijk XIV overwoog de Italiaan een vaste aanstelling aan zijn hof te geven. Van deze meester zijn in Rome heel wat werken te zien, in kerken (o.a. de San Andrea al Quirinale, de SS Apostoli, de Santa Maddalena en vooral de Sant’ Agnese aan Piazza Navona) en in verscheidene musea.

Baciccio beeldde op virtuose wijze het typisch barokke verlangen uit naar een verbinding van het aardse met het buitenaardse leven. Het uitbundige trompe-l’oeil gaat gepaard met een volmaakte compositie, zodat de blik moeiteloos van de schilderingen naar het omringende reliëfwerk (1679) schuift. Baciccio wekt de illusie dat het plafond is opengegaan zodat we recht in de heerlijkheid der hemelen kunnen kijken. Het idee om de hemel op een plafond te schilderen komt van Antonio Correggio (1489-1534) toen hij in 1526-1529 in de koepel van de kathedraal van Parma de ‘Hemelvaart van Maria’ schilderde.

Maar de effecten van Baciccio zijn onvergelijkelijk veel theatraler. De ‘Naam van Jezus’ wordt door ontelbare scharen cherubijnen, engelen en heiligen omringd (‘aangetrokken als ijzervijzel door een magneet’ schrijft Robert Hughes), die in vervoering in het licht staren, terwijl complete heerscharen, demonen of gevallen engelen met wanhoopsgebaren uit de hemelse oorden worden verdreven. De verdoemden en in ongenade gevallenen tuimelen in een stortvloed omlaag, weg van de louterende aanwezigheid van Jezus’ naam.

In overeenstemming met hun zondige aardsheid zijn die verdoemden de meest solide lichamen van allemaal, en niet getransfigureerd door het licht, zoals de heiligen dat zijn. Ze duikelen kronkelend omlaag, in sommige gevallen met de symbolen van hun zonden in hun handen (ijdelheid is een pauw, ketterij heeft net als Medusa een hoofd vol slangen). De volgepropte voorstelling lijkt de randen van het plafond te doen barsten, daarover schuiven de wolken die heiligen en zondaars rechtstreeks de kerk indragen. Door dit verbreken van de omlijsting wilde de kunstenaar de kerkgangers in verwarring brengen, zodat ze niet meer wisten wat werkelijkheid is en wat verbeelding. De verwrongen lichamen van de verdoemden (aan de kant van de koepel) steken buiten het kader zonder dat dit de eenheid verstoort.

Het stucwerk van Antonio Raggi (1624-1686) rond de plafondschildering vormt een waar meesterwerk, de stucco-figuren (naar een ontwerp van Baciccio) zijn zo briljant gecombineerd met de geschilderde decoratie dat men van op de grond niet steeds een onderscheid kan maken. Werk van Raggi vinden we ook terug in de Sant’ Andrea della Valle die op slechts enkele honderden meter van de Gesù ligt.

Van de hand van Baciccio zijn ook het fresco in de concha (Grieks voor schelp) van de apsis met de ‘Aanbidding van het Lam’, en het fresco in de koepel met de ‘Engelencyclus’. Dit laatste fresco toont het paradijs waar engelenkoren en de communie der heiligen Jezus en Maria omgeven terwijl ze bij de Vader ten goede spreken.

Op de pendentieven van de koepel toont Baciccio de fundamenten van de Kerk. Links, aan de kant van het hoogaltaar, wordt de Wet geïncarneerd door Mozes, Gideon, Elias en Samuel. Rechts, kant hoogaltaar, worden de profeten vertegenwoordigd door Isaïas, Jérémias, Ezéchiel en Daniel. Links, aan de kan van de ingang, staan Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes voor het Evangelie, rechts ten slotte, kant ingang, wordt het Onderricht en de Traditie van de Kerk voorgesteld door Ambrosius, Hiëronymus, Augustinus en Gregorius de Grote. Het plafondfresco in het linkertransept toont de ‘Apotheose van Sint Ignatius’, het plafondfresco in het rechter-transept toont het ‘Leven van de heilige Franciscus Xaverius’.

De Gesù heeft geen zijschepen maar een opeenvolging van kapellen die met mekaar verbonden zijn. De eerste kapel aan de rechterzijde, de cappella di Sant’ Andrea, bevat een altaarstuk en fresco’s van Agostino Ciampelli (1578-1640). Deze kleine meester was duidelijk een volgeling van Domenichino en de gebroeders Zuccari. Hij is de man die de weinig aantrekkelijke fresco’s schilderde in San Vitale (Via Nazionale) en in Santa Bibiana, de eerste kerk ontworpen door Bernini.

De koepel in de derde kapel (cappella degli Angeli) is een ‘hard’ werk met een ondankbaar onderwerp uitgevoerd door Federico Zuccari (1540-1609). De scène toont de tussenkomst van de Maagd ten voordele van de zielen in het Vagevuur, één van de thema’s die door de Reformatie zeer gecontesteerd werd. Let op de ‘pampers’ van de putti. Ook het gewelf en de muren zijn van de hand van Federico Zuccari. De vier marmeren slingers die onder de muurfresco’s geplaatst werden (links en rechts van de doorgangen naar de zijkapellen) zijn afkomstig uit de Thermen van Titus.

De eerste kapel aan de linkerzijde is de cappella di San Francesco Borgia. Deze heeft een geschilderd gewelf van Niccolò Circignani of Pomarancio (1516-1581) en links en rechts schilderijen van de Italiaans-Zwitserse barokschilder Pier Francesco Mola (1612-1666) die bijna zijn hele leven in Rome werkte. Zijn stijl wordt gekenmerkt door warme kleuren en een zachte modellering, daarvoor inspireerde hij zich op Guercino en de Venetianen. Tegenwoordig wordt hij weer gewaardeerd omdat hij op een persoonlijke manier erin slaagde afstand te nemen van het late-barok maniërisme en te evolueren naar een realisme avant-la-lettre en dit vooral door zijn kleurgebruik. Zijn beste werken zijn klein, de mooiste bevinden zich in The National Gallery in Londen.

De duistere tweede kapel (cappella della Sacra Famiglia) heeft ook gewelffresco’s van Pomarancio en zeventiende eeuwse schilderijen van Giovanni Francesco Romanelli (1616-1662). Romanelli was de beste leerling van Pietro da Cortona en een beschermeling van de Barberini’s. Hij heeft een zeer sierlijke stijl maar beschikte over minder energie dan zijn leermeester. Romanelli was zeer populair en had grote invloed in Frankrijk waar hij enige tijd verbleef. Veel van zijn werk is in Rome te vinden.

Het overweldigende altaar van Sint Ignatius van Loyola in het linker transept werd ontworpen door Andrea Pozzo (1642-1709), de monnik die de voormelde prachtige perspectiefschildering in de Sant’ Ignazio maakte. Voor de creatie van dit fantastische barokmonument, wellicht het fraaiste van Rome en één van de grootste scenische meesterwerken ooit, werden meer dan honderd personen ingezet voor de realisatie van de beeldhouwwerken, de bewerking van het marmer en het smelten van de metalen. De prachtig bewerkte bronzen sarcofaag voor de heilige stichter van de Orde der Jezuîeten, onderaan het altaar, is een nietig detail in verhouding tot het geheel, maar vormt wel de kern van het ontwerp.

In het centrum van het grafmonument bevindt zich ofwel een ‘zilveren’ beeld ofwel een schilderij. Dat zit zo. Vóór het beeld, dat destijds enkel zichtbaar was bij belangrijke gelegenheden, kan met behulp van een ingenieus systeem van katrollen en gewichten een schilderij (ook een werk van Pozzo) worden neergelaten dat Sint Ignatius toont met rechts een vertegenwoordiger van elk continent naar het woord Gods kijkend.

Sinds 2008 is er in de Gesù dagelijks om 17.30 uur een ‘klank- en lichtspel’ waarbij op het einde het schilderij van Pozzo wegschuift om plaats te maken voor het ‘zilveren’ beeld van Ignatius. Dat gebeurt met de nodige muziek, lichteffecten en verheven commentaar. Deze al bij al toch indrukwekkende voorstelling duurt 16 minuten.

Het oorspronkelijk beeld van Ignatius, dat te voorschijn komt wanneer het schilderij weggeschoven is, werd door Pierre Legros (1666-1719) uitgevoerd in massief zilver. Legros was lid van de Académie de France (nu gevestigd in de Villa Medici) en was bevriend met Andrea Pozzo. Legros werkte intens mee aan het merendeel van de werken van Pozzo, wat de directeur van de Franse academie absoluut niet waardeerde, zodat Legros uiteindelijk onder druk de instelling moest verlaten.

Helaas werd het originele massieve beeld, uitgevoerd door Legros, door Pius VI (1775-1799) in 1798 gesmolten ten behoeve van de herstelbetalingen aan Napoleon als gevolg van het Verdrag van Tolentino (1797). Kort na de heroprichting van de Orde der Jezuïeten in 1814 heeft Adamo Tadolini (1788-1868) in het atelier van Antonio Canova (1757-1822) een nieuw beeld gemaakt, een kopie van dat van Legros maar uitgevoerd in plaaster. Alleen het hoofd is vervaardigd van massief zilver. Het nieuwe beeld werd overdekt met de oorspronkelijke, nog bestaande bladzilveren kazuifel.

God de Vader en Christus tronen helemaal bovenaan op een enorm, door een kind ondersteund blok Afghaanse lapis lazuli dat de aardbol voorstelt, ‘blauw als de aderen in de borst van de Madonna’ schrijft de Engelse dichter Robert Browning (1812-1889). Deze bol zou de grootst bekende brok lapis lazuli ter wereld te zijn, al twijfelen sommigen eraan of de steenklomp wel massief is. Enkele bronnen maken melding van het feit dat het een gewone steen zou zijn die bedekt is met lapis lazuli, maar waarom die bewering gebaseerd is wordt nergens vermeld. Lapis lazuli is een halfedelgesteente maar toch zeer kostbaar en destijds zelfs duurder dan goud, omdat het in de wereld slechts op één plaats gevonden werd, namelijk in het noord-oosten van Afghanistan. Later zou ook in Chili lapis lazuli worden ontdekt.

De vier grote zuilen zijn eveneens bedekt met lapis lazuli, ingelegd met albaster en met gekleurd marmer, onyx, amethyst, rotskristal, edelstenen en verguld brons. Aan weerszijden van het altaar stellen twee grote marmeren allegorische groepen de missie van de jezuïeten voor, zijnde rechts de strijd tegen de ketterij uitgevoerd met ‘De triomf van het geloof over de ketterij’ door de hiervoor vermelde Pierre Legros en links de evangelisatie met ‘De triomf van het Christelijk geloof over de afgoderij’ door Giovanni Theodoni. Voor het altaar staat een prachtige balustrade versierd met 24 putti die toortsen dragen.

De hoekkapel tussen het linkertransept en het koor is de cappella de San Maria della Strada. De kapel werd getekend door Vignola, de architect van de kerk, dit om er de mooie ‘Madonna della Strada’ te plaatsen, de afbeelding die zich zoals eerder verteld op de gevel bevond van de kapel die op de plaats stond van de huidige Gesù. De muren zijn rijkelijk bezet met marmer en de schilderijen zijn het werk van de jezuïet Giuseppe Valeriani (1542-1606). Vandaag is deze kapel nog steeds een druk bezochte plaats van speciale devotie.

Het neo-klassiekke hoogaltaar in de apsis is niet echt geslaagd. Het werd, zoals ook het koor, in 1840 volledig hertekend door Antonio Sarti. Boven het altaar ziet men de ‘Besnijdenis’ (1842) door Alessandro Capalti (1810-1868). Links in de apsis bevindt zich (boven het deurtje links van het hoogaltaar) het lege graf van de heilige Roberto Bellarmino (1542-1621, foto boven) met een buste door Bernini in een neo-klassiek geheel.

Het beeld toont treffend de sterke persoonlijkheid van de jezuïet, kardinaal, eminent theoloog en bestrijder van het protestantisme. Als één van de belangrijkste conservatieve denkers van zijn tijd, bestreed hij gedurende zeven jaar met succes Giordano Bruno (1548-1600) die op Campo de’ Fiori zou eindigen op de brandstapel.

Het oorspronkelijke graf werd tijdens werken in de negentiende eeuw vernield. De heilige, die in 1570 in Gent tot priester werd gewijd en in Leuven nog professor in de theologie was geweest (hij was een autoriteit op het gebied van het thomisme) had in zijn testament de wens geuit begraven te worden aan de voeten van zijn voormalige leerling de heilige Luigi van Gonzaga. Die wens werd echter niet verhoord, hij werd in de Gesù begraven. Maar op 21 juni 1923 werden zijn overblijfselen alsnog plechtig overgebracht naar de Sant’ Ignazio om daar te worden geplaatst bij zijn gevierde leerling (foto onder). Bellarmino trad ook op tijdens het proces tegen Galilei.

De hoekkapel tussen het rechtertransept en de apsis was oorspronkelijk gewijd aan Franciscus van Assisi. In 1920 werd de kapel gewijd aan het Heilig Hart en het beroemde ovale werk van Pompeo Girolamo Batoni (1708-1787) werd gebruikt als altaarstuk. Batoni, geboren in Lucca, was de laatste grote schilderpersoonlijkheid in Rome. Hij was vooral gekend als auteur van mythologische werken en gezocht als portrettist omdat hij als eerste de geportretteerde in een natuurlijke houding afbeeldde in plaats van de persoon met veel vertoon van praal te idealiseren.

Nadat de Duitse schilder en kunstfilosoof Anton Raphael Mengs (1728-1779) in 1761 Rome had verlaten om zich in Madrid te vestigen werd Batoni de leidende figuur. Hij beheerde de pauselijke verzamelingen en zijn huis was een trefpunt voor alle kunstenaars, Winckelmann was een van zijn vrienden. Zijn werk was een gepolijst distillaat van het werk van zijn leermeester Sebastiano Conca, Rafaël en de Franse academische schilderkunst. De tekeningen van Batoni kenden een immens succes bij de zogenaamde ‘grand-tour’ toeristen.

In deze Heilig Hartkapel hangen vijf schilderwerken (die door de duisternis nogal moeilijk te onderscheiden zijn) met voorstellingen uit het leven van de heilige Franciscus van Assisi, uitgevoerd door Giuseppe Peniz of Penitz, die in werkelijkheid de Antwerpse kunstenaar Marten Pepijn (1575-1643, foto hieronder) was. Toen hij naar Rome vertrok was de jonge Rubens meer dan opgelucht omdat hij Pepijn als zijn enige grote potentiële concurrent beschouwde.

Pepijn zou in Rome verbleven hebben tussen 1595 en 1596, en tussen 1599 en 1600. In 1600 (wanneer Rubens zelf naar Italië vertrekt) wordt Pepijn in de Sint-Lucasgilde van Antwerpen aanvaard als ‘meesterzoon’. Bij de terugkeer van Rubens uit Rome (1608) werd Pepijn weggeduwd door diens immense invloed. Slechts na 1630 zal ook Pepijn de stijl van Rubens beginnen navolgen.

Dat de Romeinen Marten Pepijn de voornaam Giuseppe gaven, komt omdat ze veronderstelden dat Pepijn overeenstemde met het Italiaanse Peppino wat komt van Giuseppe. De landschappen op de werken in deze kapel zijn van de hand van Paul Bril (1554-1626), een andere Antwerpse kunstenaar die in Rome erg bekend en actief was en die ook enkele figuren zou geschilderd hebben. Kenmerkend voor Pepijn is het samenplaatsen van nauwkeurig getekende details, de weergave van de stoffelijkheid, zowel van de natuur, de dieren, het vaatwerk en de kledij.

Bij Pepijn zijn de kleuren vaak krachtig en doen ze soms, zoals hier, karakteristieke of exotische trekken van de personages uit de achtergrond naar voren komen. Alhoewel in België zeer weinig werken van hem gekend zijn (in Antwerpen bevindt zich de ‘Doortocht van de Rode Zee’ uit 1626 en nog twee zijluiken van het altaarstuk van de Sint-Lucasgilde, al is deze toewijzing niet zeker) is wel veel geweten over zijn leven. De plafondschildering in de voorhal van de kleine kapel die de ‘Verleiding van de heilige Franciscus van Assisi’ toont, is eveneens een werk van Paul Bril.

In het rechter transept bevindt zich het altaar van de Spanjaard Franciscus Xaverius, een tijdgenoot en een van de eerste gezellen van Ignatius. Xaverius (1506-1552) stierf eenzaam op het eiland Sanciano tijdens zijn poging China te bereiken. Hij was de eerste jezuïetenmissionaris die door Ignatius naar Indië werd gestuurd waarna hij ook tien jaar in Japan verbleef.

Op het altaar, een werk van Pietro da Cortona, ziet men in een glazen omhulsel een langwerpig reliekschrijn in verguld zilver met de rechter onderarm waarmee de heilige naar eigen zeggen 300.000 mensen heeft gedoopt (dat zouden er dus pakweg 28 per dag zijn en dit gedurende 30 jaar). Het reliek werd tijdens het begin van de zeventiende eeuw naar Rome overgebracht, zijn lichaam bleef in het Indische Goa. Erboven hangt het schilderij ‘De dood van Franciscus Xaverius’ van Carlo Maratta (1625-1713), niet bepaald zijn beste werk. Ook Rubens maakte een schilderij van deze heilige zoals hij ook de ‘Mirakels van Ignatius van Loyola’ schilderde. Beide werken bevinden zich in het Kunsthistorisches Museum in Wenen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s