Romeins verkeer – Weggebruik en verkeersdrukte in het Romeinse Rijk

Het vroegere Romeinse Rijk strekte zich uit van Schotland tot de Sahara, en van Portugal tot de Syrische woestijn. Overal zijn Romeinse wegen van het immense wegennet nog te herkennen en soms zelfs nog volop als weg in gebruik. Wat voor verkeer bevolkte deze wegen en straten in de Romeinse wereld? Natuurlijk voetgangers, lastdieren en allerlei wagens met trekdieren. Maar waren het wegennet en de stratenplannen berekend op al het verkeer, was het druk, of ook wel té druk, met opstoppingen en files? Probeerde men het verkeer in goede banen te leiden, met gebruikmaking van verkeersregels? Of zijn regels en verkeerscirculatieplannen louter een moderne verworvenheid? Cornelis van Tilburg vertelt het allemaal in het boek ‘Romeins verkeer’, dat zopas in een tweede herziene en uitgebreide druk verscheen. Er zijn ongeveer 100 nieuwe illustraties toegevoegd.

Romeins verkeer presenteert de wegen en straten maar ook de verkeersdeelnemers. Bij de aanleg van de wegen werden door de Romeinse landmeters en ingenieurs opmerkelijke prestaties geleverd die nog altijd bewondering afdwingen. Veel stadsplattegronden van steden als Xanten, Trier, Rome en Pompeji dragen nog de sporen van het Romeinse verleden. En de jammerklachten van bewoners van de grote stad over de soms extreme drukte geven een schok van herkenning.

Van direct belang voor de doorstroming van het verkeer was de breedte van de wegen. Voor bepaalde transporten was een minimumbreedte vereist. Hoe breder een weg, hoe meer verkeer hij kan verwerken, zeker als we rekenen met tegemoetkomend verkeer. Twee factoren bepaalden de breedte van nieuwe wegen: de juridische regelgeving en de natuurlijke gesteldheid ter plaatse. Welke factor zwaarder woog, verschilde van plaats tot plaats.

Maar over het algemeen werden alleen in geval van een zeer moeilijke terreingesteldheid de wegen smaller aangelegd dan op grond van de wettelijke bepalingen noodzakelijk was. Bij de Romeinen waren standaardwegbreedten in gebruik. Een via, een weg waar alle verkeer gebruik van kon maken, moest een minimale breedte hebben van 8 voet (1 voet = ca. 29,7 cm), dus ongeveer 2,40 m; in bochten gold zelfs het dubbele aantal van 16 voet.

Veel wegen uit de Romeinse oudheid zijn tot vandaag nog zichtbaar. In Val d’Aosta, aan de zogenaamde Route des Gaules, is bv. een Romeinse weg uitgehakt in de rotswand, met nu nog goed herkenbare geleidesporen. Tegen het einde van de tweede eeuw v. Chr. drongen de Romeinen in dit deel van de Alpen en in het huidige Zuid-Frankrijk door. De hier door hen aangelegde weg volgde de route die enkele malen door Keltische invallers over de Alpen naar Italië genomen was, vandaar ‘Route des Gaules’.

De auteur, verbonden aan de Universiteit van Leiden, vakgroep Oude Geschiedenis, gaat ook uitgebreid in op de verschillende soorten vervoer en de hulpmiddelen en dieren die daarbij werden ingezet. Zo leren we dat dromedarissen een aantal voordelen hebben boven paarden: ze zijn goedkoper, hebben een groter uithoudingsvermogen en hardere hoeven. Paarden werden ingezet als het op snelheid aankwam; paardrijden bood ook meer comfort (bij slechte wegen!) dan reizen per wagen.

Lastdieren boden een aantal voordelen boven karren. Ze waren goedkoper (bovendien moesten karren uiteindelijk toch door dieren getrokken worden) en konden niet alleen in geaccidenteerde gebieden, maar ook in de smalle straatjes van dorpen en steden vlot vooruitkomen – en al helemaal waar het wegdek in traptreden overging, zoals in de late Oudheid met name in het oosten steeds meer het geval zou zijn.

Wel was het maximumlaadvermogen van lastdieren kleiner dan dat van trekdieren, zodat er meer dieren nodig waren om dezelfde hoeveelheid vracht te transporteren. Dat bracht ook weer meer kosten voor voer met zich mee. De beoogde vrachten moesten dus niet te zwaar zijn voor een lastdier. Ook ossen waren veel gebruikte, sterke trekdieren.

Ondeelbare goederen als grote stukken huisraad, bouwmaterialen en wijnvaten konden alleen per kar vervoerd worden. Zo toont een reliëf uit Langres, in Gallië, een door twee muilezels getrokken zware vierwielige wagen met daarop één wijnvat van naar schatting ruim vijfhonderd liter.

Een trekdier had een wagen achter zich. In het Romeinse Rijk waren de twee belangrijkste oertuigen voor personenvervoer het carpentum, een meestal door muilezels getrokken huifkar met twee wielen en veelal rijk versierd, en de carruca, een door twee paarden of twee ezels getrokken wagen met vier wielen. Het carpentum gebruikte men voor ceremoniën en als reiswagen.

Het is onzeker of de carrucae open of gesloten waren. De meest luxuuze vorm van de carruca, de carruca dormitoria ofwel slaapwagen, zal toch zeker wel gesloten geweest zijn. Zo’n wagen bezat een relatief comfortabel interieur en was voorzien van riemhouders. Hierdoor hing de bak van het voertuig aan riemen boven de as(sen). Deze ophanging maakte schommelingen in de dwarsrichting mogelijk.

Romeins verkeer.
Weggebruik en verkeersdrukte in het Romeinse Rijk

Auteur: Cornelis van Tilburg
Tweede, herziene en uitgebreide druk
Uitgever: Primavera Pers, Leiden
Eerste druk 2005 bij Amsterdam University Press
Prijs: 19,50 euro
ISBN 978-90-5997-169-1
138 pagina’s, ca. 130 illustraties in kleur
Het boek is ook online te bestellen

Advertenties

Eén reactie to “Romeins verkeer – Weggebruik en verkeersdrukte in het Romeinse Rijk”

  1. Haha, zelfs toen was het dus al druk :s

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s