Leren vechten in de Ludus Magnus

Achter het Colosseum, tussen de Via Labicana en de Via San Giovanni in Laterano, liggen de resten van de grootste Romeinse gladiatorenschool (ludus gladiatorius), de Ludus Magnus. Dit opleidings- en trainingsinstituut was via een onderaardse gang verbonden met het Colosseum. Slechts een derde van het complex werd vrijgelegd, een deel van de arena is zichtbaar. Andere centra voor de opleiding van gladiatoren waren de Ludus Matutinus (gespecialiseerd in gevechten met dieren), de Ludus Dacicus (voor Oost-Europeanen) en de Ludus Gallicus. Rond de Ludus Magnus stonden nog andere bouwwerken, zoals het ‘sanitarium’ voor de gewonden, het ‘spoliarium’ voor de dode lichamen, het ‘armamentarium’ of de wapenkamer, de Castra Misenantium en het Summum Choragium.

De bouw van de Ludus Magnus werd begonnen door keizer Domitianus (81-96), maar werd pas voltooid onder Hadrianus (117-138). Het was een rechthoekig gebouwencomplex gemaakt van beton dat met baksteen was bekleed. De hoofdingang bevond zich aan de noordkant. Er waren op de begane grond 14 vertrekken aan de lange kant en 10 aan de korte, met daarboven één of twee verdiepingen. Ze moeten voor het grootste deel gefungeerd hebben als cellen voor de gladiatoren. De 14 bewaard gebleven vertrekken zijn ongeveer 5 x 4 m groot en boden waarschijnlijk onderdak aan telkens twee gladiatoren. De atleten leefden als gevangenen en werden onderworpen aan een zeer streng regime. Aan de kant van de via Labicana zijn de slaapcellen van de gladiatoren gedeeltelijk vrijgemaakt.

De vertrekken lagen om een grote binnenplaats die was omgeven door een portico met zuilen van travertijn. In de binnenplaats was een klein amfitheater van 63 x 42 m met acht rijen zitplaatsen voor 3.000 toeschouwers, het bekijken van de gladiatorentrainingen was namelijk een populair tijdverdrijf in Rome. De arena lag 2,75 m lager dan de tribunes, die waren omgeven door een muur van 2 m hoog met een kroonlijst van wit marmer.De toeschouwers konden via kleine trappen aan de buitenzijde hun plaatsen bereiken. Op de lange as van de arena waren twee grote toegangen. Daarnaast waren er vermoedelijk nog vier kleine opslagruimten op de korte as. Op de hoeken die buiten het amfitheater op de rechthoekige binnenplaats werden uitgespaard bevonden zich vier waterbassins. In het tijdperk van Domitianus (81-96) had het complex een elliptische arena met aan de uiteinden van de korte as podia voor de toekijkende trainers. Aan de vier zijden van de ovaal bevinden resten van een driehoekige fontein.

Om de nodige gladiatoren te vinden werd beroep gedaan op ‘lanistae’, de ronselaars of handlangers van de dood. Ze traden op als een soort manager en trainden ook hun rekruten. Ze hadden een zeer slechte reputatie. Het waren harde, meedogenloze kerels die hun vechters rekruteerden uit de onderlaag van de maatschappij, de eindeloze voorraad krijgsgevangenen, veroordeelde moordenaars en dieven, uit slaven en zelfs ook vrijwilligers. Ze stonden in voor de opleiding en verhuurden hun vechters (familia gladiatoria) aan de hoogste prijs. Gewoonlijk werd de helft der zwaardvechters gedood.

Lanistae onderhielden hun familia met eigen middelen en paste een ijzeren discipline toe waarbij er geen onderscheid werd gemaakt tussen hen die als slaaf werden gekocht, de arme hongerlijders of geruïneerde zonen van goeden huize. In Rome werd met de tijd het beroep van lanista verboden en werden ze vervangen door keizerlijke procuratores. Die beschikten over officiële gebouwen, zoals de kazerne van de Ludus Magnus en van de Ludus Matutinus, opgericht door Domitianus. Zij hielden ook toezicht op de wilde dieren en exotische beesten die door de onderworpen provincies naar de keizerlijke menagerie (vivarium) even buiten de Porta Praenestina werden gezonden. De procurator van de Ludus Magnus verdiende een topsalaris van 200.000 sestertiën per jaar.

Tijdens hun opleiding werd de gladiatoren ook geleerd hoe ze moesten omgaan met het publiek en hoe ze de aandacht van de toeschouwers konden vasthouden door afwisselend drama en spektakel te bieden en door het gebruik van verschillende soorten wapens. Dat was de reden dat er verschillende soorten of klassen gladiatoren bestonden. Je had gladiatoren die vochten met een zwaard en manshoog schild, of met een korte dolk en een ronde leren beukelaar (een schild met een knop in het midden). De ‘retiarii’, met wapens die een hommage aan de god Neptunus waren, beschikten over een net waarin ze hun tegenstanders probeerden te vangen en een met scherpe messen uitgeruste drietand waarmee ze hen doorstaken. De gewoonte was hen tegen de ‘murmillones’ te laten vechten, die geen net hadden maar wel een zwaard en herkenbaar waren aan de visfiguren op hun helmen.

Nadat de gladiatorengevechten in de vijfde eeuw werden verboden, raakte de Ludus Magnus buiten gebruik en verviel. In de zesde eeuw werd de locatie een tijdlang gebruikt als begraafplaats. De Ludus Magnus werd herontdekt in 1937 en tussen 1957 en 1961 gedeeltelijk opgegraven. Het niet opgegraven gedeelte is te reconstrueren aan de hand van één van de bewaard gebleven fragmenten van de Forma Urbis, de stadsplattegrond van Rome uit het begin van de derde eeuw. Onder het bankgebouw dat nu nog deels over de restanten van de Ludus Magnus staat, zijn fundamenten van een ander groot gebouw teruggevonden. Mogelijk was dit het armamentarium, waar de wapens van de gladiatoren werden opgeslagen. Onder de resten van de Ludus Magnus zijn restanten van oudere huizen uit de eerste eeuw v. Chr. teruggevonden.

Cicero schrijft in een brief aan Atticus, dat er alleen al in Capua, 5.000 gladiatoren verbleven. Het was in de gladiatorenschool in Capua dat in 73 v. Chr. de Thracische held Spartacus verscheen om de gevaarlijkste en bijna geslaagde slavenrevolte in de Romeinse geschiedenis te leiden. Spartacus was met enkele tientallen anderen ontsnapt uit een school voor gladiatoren die het eigendom was van Lentulus Batiatus.

Hij vluchtte naar de Vesuvius in de buurt van Napels. Daar bouwde hij een leger op van naar schatting 70.000 ontsnapte slaven. Het leger versloeg twee Romeinse legioenen die waren gestuurd om de opstand te onderdrukken. Tijdens de winter die volgde werden vooral wapens gemaakt. Het leger was inmiddels gegroeid tot een bonte groep volgelingen, waaronder ook vrouwen, kinderen en bejaarden. In de lente marcheerde Spartacus in de richting van Gallië. Onderweg werden nog drie Romeinse legioenen verslagen. Waarschijnlijk was Spartacus oorspronkelijk van plan om naar Gallië te vertrekken, maar later veranderden zijn plannen. Mogelijk gebeurde dit onder druk van zijn volgelingen.

Er zijn bronnen waarin beweerd wordt dat een deel van het leger van Spartacus inderdaad de Alpen overtrok, maar het grootste deel van Spartacus’ leger trok weer zuidwaarts. Onderweg werden nogmaals twee legioenen onder leiding van Marcus Licinius Crassus verslagen. Marcus Licinius Crassus was in die tijd de rijkste man van Rome. Na het sluiten van een overeenkomst met Cilicische piraten, wilde Spartacus naar Sicilië vertrekken. Marcus Licinius Crassus liet echter acht legioenen aanrukken om het leger van Spartacus in te sluiten. De Romeinse Senaat liet ook de legeraanvoerders Pompeius en Lucullus terugkomen van respectievelijk het Iberisch Schiereiland en noord-Turkije.

Spartacus slaagde er echter in door de linies van Crassus heen te breken en te ontsnappen richting Brundisium (Brindisi). Crassus haalde het leger van Spartacus echter in. In de slag die volgde werd Spartacus in 71 v. Chr. verslagen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.