Carthago en de Punische oorlogen

Naar aanleiding van de grote overzichtstentoonstelling rond Carthago die je nog tot en met 10 mei 2015 kan bezoeken in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden staan we graag nog even stil bij de geschiedenis van Carthago, de beruchte Punische oorlogen en de tot de verbeelding sprekende olifantentocht van Hannibal. De Feniciërs noemden de stad Qart Hadasht, wat zoveel zou betekend hebben als ‘nieuwe stad’. De Grieken kenden de stad als Karchèdon. In de oudheid was Carthago een machtige handelsstad, gelegen aan de baai van Tunis, zowat 16 km ten noordoosten van het huidige Tunis De stad lag om een acropolis (Byra) op een schiereiland met een binnenhaven (voor de marine) en een buitenhaven (bestemd voor handel).

Volgens een overlevering was Carthago in 814 v. Chr. gesticht door kolonisten uit Tyrus, die zich met inheemse Berbers vermengden. De stad had een oligarchische staatsregeling, met als hoogste magistraten twee jaarlijks gekozen suffeten (gelatiniseerde vorm van sjofets, = ‘richteren’), bijgestaan door een voor het leven benoemde Raad van 300 leden (een soort senaat), waarin de aristocratie van rijke koopmansgeslachten de toon aangaf. De volksvergadering daarentegen koos, behalve bepaalde beambten, ook de invloedrijke opperbevelhebber.

De Carthagers stonden bekend om hun intense, sombere devotie. Zij vereerden vooral de oppergod Baäl Hammon en de (waarschijnlijk Libische) godin Taanit; beiden bleven onder de namen Saturnus en Juno Caelestis ook in de Romeinse tijd populair. Hun cultus werd pas in de vijfde eeuw na Chr. met moeite uitgeroeid. Het fanatisme van hun religie, die vele primitieve (o.a. de mensenoffers voor Baäl) en Libische elementen bevatte (het binnenland bleef in taal en zeden grotendeels Berbers), lijken zij op het plaatselijke christendom te hebben overgedragen.

Door bevooroordeelde getuigenissen van hun Griekse en Romeinse erfvijanden werden ook Punische wreedheid en kwade trouw (Punica fides) spreekwoordelijk. Hun cultuur, nauwelijks vergriekst en met vele archaïsche trekken, bleef in het Middellandse-Zeegebied min of meer geïsoleerd. Ondanks de latere romanisering werd de Fenicische taal vooral op het platteland nog tot in de vijfde eeuw gesproken.

De bescherming van hun ruilhandel (pas in het begin van de derde eeuw v. Chr. begon Carthago zelf munten te slaan) tussen het westen (grondstoffen) en het oosten van de Middellandse Zee (industrieproducten) tegen concurrerende Griekse steden als Massilia (Marseille) maakte, behalve een sterke vloot, kostbare huurlegers (met olifanten en Numidische ruiters) noodzakelijk. Dit werkte dan weer het streven naar monopolies in de hand.

Het voornaamste exportartikel was purperverf. Ook de olijventeelt was vermaard. De Carthagers introduceerden in Italië de granaatappel. De tegenstelling die weleens wordt vermeld tussen de imperialistische politiek van de familie der Barciden, die uitbreiding van handelsconnecties overzee diende, en de groep van plantagebezitters als Hanno, die de voorkeur gaf aan landelijke expansie in Afrika, is grotendeels fictie omdat de meeste senatoren zowel agrarische als commerciële belangen hadden.

Ter beveiliging van hun handelsroutes kregen de Carthagers in de zesde eeuw v. Chr. vaste voet in West-Sicilië, Sardinië en de kuststrook van Zuid-Spanje. In 540 stuitten zij – in verbond met de Etrusken – door de zeeslag bij de Phocaeïsche kolonie Aleria (Alalia) op Corsica, de Griekse expansie in het westen. Vanaf de vijfde eeuw begonnen de Carthagers in Afrika contacten te leggen naar het oosten (langs de Libische kust tot voorbij Tripoli) en het westen tot buiten de Straat van Gibraltar. Het was hun daarbij minder om kolonisatie te doen dan wel om de vestiging van handelsposten voor producten uit het binnenland als goud en ivoor.

De Punische oorlogen zijn de drie grote oorlogen in de oudheid die Rome met Carthago voerde om de hegemonie in de Middellandse Zee en de wereld daaromheen. Zij vonden hun oorzaak in de spanning tussen de twee grote machten, die in economisch en politiek opzicht op elkaar botsten. Op Sicilië waren de Carthagers door Gelo, de tiran van Syracuse, in de Slag bij Himera (480) tijdelijk tot staan gebracht. Ze drongen na 400 weer op, maar konden Syracuse niet innemen. Hoewel sinds de vierde eeuw in verdragen met Rome de wederzijdse invloedssferen herhaaldelijk waren afgebakend, kwam het uiteindelijk toch tot een oorlog.

De eerste Punische oorlog (264-241 v. Chr.) begon om Sicilië, waar de stad Messana (Messina), sedert 289 v. Chr. in handen van de Mamertijnen, in 264 belegerd werd door Hiëro II van Syracuse. Nadat deze door ingrijpen van een Carthaags flottielje, dat de Mamertijnen hulp had aangeboden, van verder beleg had moeten afzien, wendden de Mamertijnen zich tot Rome om steun bij hun pogingen de Carthagers te verdrijven.

Na aarzelingen, zowel in de Senaat als in de Comitia, werd door Rome een kleine bezettingsmacht naar Messana gezonden, die bij aankomst de Carthagers op de vlucht joeg. Het op zichzelf vrij onbetekenende incident om Messana werd door beide mogendheden aangegrepen om een oorlog te beginnen; geen van beide toonde althans neiging tot onderhandelingen. Aanvankelijk schenen de Carthagers wel te varen bij een bondgenootschap met Hiero, maar de Romeinen slaagden erin een wig te drijven in de Carthaags-Syracusaanse troepen, en terug Hiero over te halen tot een overeenkomst (263), wat hun o.a. Syracuse als basis voor de Romeinse vloot opleverde.

Na het met succes gevoerde beleg van het door de Carthagers als basis gebruikte Agrigentum, waarbij de Carthagers een zware nederlaag leden, besloten de Romeinen het eiland Sicilië volledig te veroveren. De Romeinen, ter zee inferieur aan de Carthagers, gingen naar het model van een gestrande Punische galei schepen bouwen die zij van enterhaken voorzagen. Daarmee behaalden zij onder consul C. Duillius hun eerste overwinning bij Mylae (260). In 256 v. Chr. volgde een tweede overwinning bij Kaap Ecnomus. De consul Atilius Regulus voerde vervolgens een landing in Afrika uit, maar het jaar daarop werd zijn leger verslagen bij Carthago. Met wisselende kansen woedde de oorlog daarna weer op Sicilië.

De proconsul Caecilius Metellus behaalde een zege te Panormus (Palermo) in 250 v. Chr., maar in 249 versloeg Adherbal de Romeinse vloot bij Drepanum. Lange tijd hield Hamilcar Barcas de Romeinse troepen in bedwang bij Lilybaeum, maar door de overwinning van admiraal Lutatius Catulus op Hanno bij de Aegatische Eilanden in 241 250 v. Chr.kwam een einde aan de oorlog. Het Carthaagse deel van Sicilië werd als eerste provincie bij Rome ingelijfd. Rome profiteerde ook van de huurlingenopstand, die in 241-238 Carthago teisterde om hun Sardinië af te nemen.

Als compensatie veroverde Hamilcar Barcas omstreeks 235 Zuid-Spanje (met zijn zilvermijnen) tot aan de Taag. Het was echter zijn zoon Hannibal, eveneens een Carthaagse veldheer, die de aanleiding tot de Tweede Punische oorlog (218-201 v. Chr.) door het innemen van Saguntum (Sagunto). Hannibal wist de Romeinen een tijdlang zware nederlagen toe te brengen op het Italische schiereiland (in Trebia, 218; aan het Trasimeense Meer, 217 en in Cannae, 216), trok met zijn leger over de Alpen en naderde zelfs de muren van Rome. Na 211 werd Hannibal echter steeds verder teruggedreven. Ook buiten Italië boekten de Romeinen successen. Publius Cornelius Scipio (maior), die naar Spanje was gestuurd om tegen Hasdrubal en Mago, de broers van Hannibal, te strijden maakte in 206 250 v. Chr. dit land tot een Romeinse provincie.

Mede doordat Rome de zee beheerste, ontving Hannibal ten slotte geen versterking meer uit Carthago. De Romeinen verplaatsten in 204 v. Chr. de oorlog naar Afrika. Scipio landde met een leger nabij Utica, sloot een verbond met Massinissa, koning der Numidiërs, en sloeg het beleg voor Carthago. In allerijl werden Mago, die zich toen in Ligurië bevond, en Hannibal teruggeroepen om het vaderland te redden. In 202 v. Chr. werd bij Zama de beslissende slag geleverd. De Carthagers moesten een zware schatting betalen, hun vloot uitleveren en zich verplichten geen oorlog meer te voeren zonder de toestemming van Rome.

De derde Punische oorlog (149-146 v. Chr.) ontstond uit het wantrouwen van de Romeinen tegenover Carthago, dat zich van zijn verliezen herstelde. In Rome heerste de opvatting dat Carthago ter wille van de veiligheid van Rome best geheel vernietigd moest worden. Met name Cato de Oudere bleef hierop in de Senaat hardnekkig aandringen (“ceterum censeo Carthaginem esse delendam”).

De Romeinen vonden een aanleiding om opnieuw een oorlog te beginnen toen de Carthagers zich te weer gingen stellen tegen Massinissa van Numidië, die hen voortdurend bestookte. De Romeinse Senaat beschuldigde Carthago ervan het vredesverdrag met Rome te hebben geschonden. De Carthagers leverden hun vloot en wapens nog uit om aan de eisen van de Romeinen te voldoen, maar daarop besliste de Senaat dat de Carthagers hun stad moesten afbreken om haar op 15 km van de kust weer op te bouwen.

Het niet inwilligen van dit onmenselijke bevel leidde tot het driejarige beleg en de volledige verwoesting van Carthago in 146 v. Chr. door Scipio Aemilianus (Scipio Africanus Minor). Het gebied werd als de Romeinse provincie Africa (hoofdstad Utica) geannexeerd.

Gaius Gracchus’ poging tot wederopbouw van Carthago als Colonia Junonia (122-121) mislukte. Pas in 44 stichtte Julius Caesar het opnieuw als Colonia Julia Cartago. Onder keizer Augustus (29 v. Chr.) ging een Punische nederzetting hierin op en werd het nieuwe Carthago één van de grootste steden van het Romeinse Rijk, een centrum van handel en onderwijs en later een bolwerk van het christendom (de geboorteplaats van Tertullianus, bisschopszetel van Cyprianus, lange tijd de woonplaats van Augustinus).

In 439 werd het door de Vandalen onder Geiserik veroverd, in 533 door Belisarius (bevelhebber van de Oost-Romeinse keizer Justinianus) en ten slotte in 697 door de Arabieren onder Hassan.. Het gebied werd vervolgens een Romeinse provincie, Africa.

Uit de Punische tijd zijn nog de ronde militaire en de rechthoekige handelshaven te onderscheiden en er zijn enige necropolen en tofets (heilige plaatsen waar kleine kinderen geofferd en begraven werden) bewaard gebleven. Van de Punische kunst zijn de apotropeïsche maskers van gebakken aarde en van glas het meest opmerkelijk.

Overblijfselen uit de Romeinse tijd zijn schaars: een deel van het aquaduct van Hadrianus en de imposante onderbouw van de reusachtige thermen van Antoninus Pius (beide uit de tweede eeuw), de resten van een theater en een amfitheater, een piste voor wagenrennen en enkele villa’s met fraaie mozaïeken.

Van de tempels is zelfs de plaats niet met zekerheid te bepalen; wel is er een geromaniseerd-inheems openluchtheiligdom gevonden en zijn er grootse resten van vroeg-christelijke basilieken. Naast Romeinse sculpturen zijn er ook Neo-Punische van inheemse stijl. De vondsten zijn voor het grootste deel te zien in de lokale musea en in het Bardo-Museum in Tunis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.