De triomfboog van keizer Titus

Eén van de mooist bewaarde triomfbogen uit de oudheid is de boog van Titus op het Forum Romanum in Rome. Merkwaardig is dat deze triomfboog nergens in de oude teksten wordt vermeld. Aan de hand van het opschrift op de attiek van de boog kan hij echter met zekerheid geïdentificeerd worden. Bij Romeinse triomfbogen werd een attiek gebruikt als sokkel voor een beeldengroep. In deze sokkel waren vaak reliëfs en inscripties gehakt. De tekst (aan de kant van het Colosseum) begint met de woorden ‘Senatus Populusque Romanus’. Daarmee begon elke officiële bekendmaking, namelijk de Senaat en het Volk van Rome. De tekst zegt dat de boog door de senaat werd gebouwd ter ere van keizer Titus na diens dood in 81. Dat deze boog door Domitianus (81-96) gebouwd werd zoals in sommige boeken staat vermeld is niet helemaal zeker. Vooral wegens de hoge kwaliteit van de reliëfs moet men eerder denken aan enkele jaren later, namelijk de tijd van keizer Trajanus (98-117).

Titus (79-81) was de oudste zoon en opvolger van Vespasianus (69-79). Hij was één van de meest veelbelovende onder de keizers, ‘mooi, intelligent en charmant, de lieveling van alle mensen’ schrijft Suetonius. Maar in 70 verwoeste hij Jeruzalem, belegerde Masada en maakte zo een einde aan de veldtocht die zijn vader in 66 in Palestina begon. Volgens de legende stierf Titus na slechts twee jaren keizerschap, doordat een mug als straf voor wat hij Jeruzalem had aangedaan zich in zijn hersenen had genesteld. Maar volgens de sofist Flavius Philostratus (derde eeuw) werd Titus door zijn broer Domitianus (81-96) vergiftigd. Of daar ook maar iets van waar is kan niet meer worden achterhaald. Voor de Romeinen was de dood van Titus op 13 september 81 het bewijs voor hun sombere stelling ‘Wie de goden liefhebben sterft jong’. Zijn laatste woorden waren ‘Er is maar één ding dat ik betreur…’, maar de stervende keizer maakte zijn zin niet af.

De ligging van de boog is subliem, het uitzicht in de richting van het Forum is eeuwenlang een geliefkoosd onderwerp geweest voor de ‘vedutisti’, de schilders van Romeinse stadsgezichten. Deze boog was tijdens de elfde eeuw gedeeltelijk geïntegreerd in de vesting van de Frangipani, waardoor hij voor vernieling behoed werd. Nadat het grootste deel van het Forum als weideplaats voor rundvee werd gebruikt (men sprak toen van het Campo Vaccino), werd de boog in 1821 blootgelegd en gerestaureerd door Pius VII (1800-1823). Daarbij werden stukken travertijn toegevoegd. Deze restauratie wordt vermeld op de attica (kant Forum).

Van wat we vandaag zien is slechts het middendeel oorspronkelijk, de rest gaat terug op de restauratie die uitgevoerd werd door Valadier. Doordat bij de opgravingen in de negentiende eeuw de Via Sacra uit de tijd van Nero verdween en werd teruggebracht tot het niveau van Augustus, zijn nu de funderingen van de boog zichtbaar. Zo schijnt de boog, vanaf het Forum Romanum, kunstmatig te zweven, aan de kant van het Colosseum is de toestand iets beter bewaard gebleven.

Het monument bestaat uit één boog van pentelisch marmer (uit Griekenland) met daarboven een hoge attiek. De Via Sacra passeerde onder het monument dat een hoogte heeft van 14,5 m, een breedte van 13,5 m en een diepte van 4,75 m. Het is één van de vroegste ons nog bekende toepassingen van de composietorde bij een openbaar gebouw. Reeds onder Augustus voerden de Romeinen deze orde in waarbij de Korintische acanthus verenigd werd met het Ionische voluut. Over de architraaf liep een klein fries welke slechts in het midden aan de oostkant (kant Colosseum) behouden is gebleven, ze toont de overwinning van Vespasianus en Titus op de joden en de verwoesting van Jeruzalem.

De liggende figuur (uiterst links) in de offerprocessie stelt de Jordaan voor, het symbool van de nederlaag van Palestina. Terwijl de plompe en in hoog-reliëftechniek uitgevoerde figuren van het kleine fries in de traditie liggen van de kleine fries van de Ara Pacis, getuigen de beide grote beeldvlakken die zich binnen in de doorgang bevinden en waarop twee episoden te zien zijn van de triomf over de joden, van een nieuw artistiek concept. Deze bas-reliëfs behoren tot de meesterwerken van de Romeinse beeldhouwkunst. Ze geven fragmenten weer uit de veldtocht van Titus en uit zijn triomftocht die vanaf het Marsveld over de Via Sacra naar het Capitool leidde. De reliëfs maken deel uit van de neo-Hellenistische trend en hebben een drie-dimensionaal perspectief, waarmee dieptewerking wordt geïntroduceerd. Paul Johnson schrijft hierover: ‘No one ever carved high-relief horses better’.

Het zuidelijke reliëf (kant van de Palatijn), toont in een optisch perspectief de processie door de triomfpoort, die aan de uiterste rechterkant in een verkorte perspectief is afgebeeld, terwijl de dienaren de buit uit de tempel van Jeruzalem meedragen.

We zien vooreerst de legendarische menora, de zevenarmige kandelaar die Mozes liet maken (de boog van Titus stond tijdens de middeleeuwen bekend als de boog der zeven lichten) en die hij in het tabernakel liet plaatsen zoals God hem op de Sinaï had bevolen. Zo ook de tafel van de twaalf offerbroden (links van de uiterst rechts voorgestelde triomfboog) die elke week in de tempel werden tentoongesteld uit naam van de twaalf stammen van Israël. Let ook op de zilveren bazuinen die bij de joden de feestdagen aankondigden.

Titus had vanuit Jeruzalem zoveel oorlogsbuit meegebracht dat de goudprijs in Syrië met 50 procent daalde. Met de opbrengst van de buit werd o.a. het Colosseum betaald. Achteraan lopen mannen met borden waarop de namen van de veroverde steden staan. Achter de gevangenen volgt de keizer voorafgegaan door de godin Roma, beide met gelauwerd hoofd (links van de menora). Vanwege de efficiënte rangschikking van de figuren boven een lijn die niet langer horizontaal, maar convex is, lijkt de beweging van de processiestoet op het zuidelijke paneel bijna tastbaar. Toen Israël in 1948 een onafhankelijke staat werd en men besliste dat de menora het symbool van de natie zou worden en o.a. op de bankbiljetten zou waren afgebeeld, stelde men vast dat men over geen enkel historisch gegeven beschikte over deze liturgische kandelaar. Een team specialisten kwam naar Rome om hier de enige, eigentijdse afbeelding in detail te bestuderen. Zo zijn vandaag alle voorstellingen van de legendarische menora in Israël een exacte kopie van deze op de boog van Titus.

Het noordelijke reliëf zou, indien onbeschadigd, één van de uitzonderlijkste producten van de oudheid zijn, het is onvoorstelbaar dat het zich nog steeds ‘in situ’ bevindt. Het toont de centrale episode van de triomftocht. Titus wordt er begeleid door Victoria, de overwinningsgodin die hem een krans geeft. Aan het hoofd van de triomfstoet staat de keizer op zijn vierspan (quadriga), aangevoerd door lictoren en geleid door de godin Roma die de leidsels houdt. In het gevolg bevinden zich de allegorische figuren van het volk en van de senaat van Rome, respectievelijk voorgesteld als een jonge man met naakt bovenlichaam en als een oude man met een toga (in de rechterhoek).

Bij de sluitsteen in het midden van het met cassetten bedekte gewelf is een bas-reliëf te zien van de ‘Apotheose van Titus’. Hij (in feite zijn ziel) is schrijlings zittend op een adelaar afgebeeld, die hem naar de hemel draagt, een allusie op de vergoddelijking na zijn dood. De hier binnen de boog getoonde triomftocht van Vespasianus en Titus werd in detail beschreven door de jood Flavius Josephus, de aanvankelijke commandant van de joodse opstand in 66 na Chr. Gevangen genomen door de Romeinen voorspelde hij generaal Vespasianus het keizerschap en kreeg zijn vrijheid toen dit in 69 inderdaad gebeurde. Sindsdien voerde hij de naam Flavius.

Bij de verovering van Jeruzalem in 70 na Chr. bevond Flavius zich in het gevolg van Titus. Daarna vestigde hij zich in Rome en schreef in het Grieks o.a. een boek over de joodse oorlog. Flavius beschrijft hoe in de triomftocht mobiele paradestukken een realistisch beeld gaven van verschillende scènes uit de oorlog. Hij schrijft: ‘De oorlogsbuit werd in één grote massa meegedragen, alles door elkaar. Men had echter een aparte plaats ingeruimd voor alles wat men in de Tempel buitgemaakt had: een gouden tafel die vele talenten woog; een kandelaar, ook van goud maar van een ander model dan die welke we voor dagelijks gebruik hebben.

Uit de voet verhief zich in het midden een schacht, en van die schacht takten dunne stengels af die geplaatst waren in de vorm van een drietand; elke stengel was aan zijn uiteinde bewerkt tot een lamp. Er waren zeven lampen. Daarmee wordt aangegeven hoeveel waarde de joden aan het getal zeven toekennen. De Wet van de joden werd daarop als laatste stuk van de oorlogsbuit voorbij gedragen. Daarna volgde een hele groep mannen die beelden droegen van Victoria, de godin van de overwinning. Al die beelden waren van goud en ivoor.

Vervolgens kwam, te paard, Vespasianus, gevolgd door Titus, met Domitianus aan zijn zijde, in een oogverblindend tenue en op een schitterend mooi paard. De processie eindigde bij de tempel van Jupiter Capitolinus. Daar hield de stoet halt. Het was namelijk een oude traditie daar te wachten totdat de dood van de vijandelijke aanvoerder bericht was. ‘Deze keer was dat Simon, de zoon van Gioras. Hij was als gevangene in de processie meegevoerd. Er is bij het Forum een plek waar volgens de Romeinse wet ter dood veroordeelden terechtgesteld worden. Simon kreeg een strop om zijn nek en werd naar die plek gesleurd. Onderweg werd hij door zijn begeleiders afgeranseld. Nadat was omgeroepen dat hij dood was, begon iedereen luid te juichen. Nu gingen Vespasianus en Titus voor bij het offeren. Toen de offers gunstig bleken te zijn en ze de gebruikelijke gebeden hadden uitgesproken, gingen ze weg naar het paleis. Daar ontvingen ze een aantal genodigden voor een banket’.

De belangrijkste stukken van de hiervoor vermelde oorlogsbuit werden opgeborgen in het Forum van de Vrede waar ze onaangeroerd bleven tot ze tijdens de vijfde eeuw buitgemaakt werden door de Visigoten. Die zouden alles meegenomen hebben naar hun toenmalige hoofdstad Carcassone. De schat zou, althans volgens sommigen, verborgen zijn op een geheime plaats geidentificeerd met het huidige Rennes-le-Château. Dit verhaal wordt kracht bijgezet door het gekende verhaal van de op het einde van de negentiende eeuw plots schatrijk geworden pastoor van dit kleine dorpje, l’abbé Saunière.

De boog van Titus is door zijn reliëfs voor de joden een pijnlijke herinnering aan het begin van de diaspora. Daarom wilden joden nooit onder deze boog door wandelen. Vandaag is dat om veiligheidsredenen verboden voor iedereen. Het was pas onder Pius IX (1846-1878) dat een einde werd gemaakt aan het gebruik waarbij de pas verkozen paus op deze plaats de joodse gemeenschap ontmoette tijdens de processie van de nieuwe paus richting Sint-Jan van Lateranen. Daarbij stond de opperrabijn naast de boog om de paus een exemplaar aan te bieden van de Pentateuch (de vijf boeken van Mozes of de vijf Thoraboeken, die samen het eerste deel van het Oude Testament vormen, bestaande uit Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium) en om de eed van trouw af te leggen.

Aan de boog van Titus kwamen drie wegen samen. Kijkend richting Capitool was er de van rechts komende Via Sacra, vervolgens de Via Nova uit de tijd van keizer Nero die links van de boog ongeveer evenwijdig met de Via Sacra onder de Palatijn doorliep, en tenslotte de Clivius Palatinus (moderne naam) die naast de boog links direct omhoog liep richting Palatijn. Op de plaats waar beide laatste wegen scheiden staat nu een groen metalen huisje met puntdak. Hier bevond zich de Porta Mugonia, één der drie poorten in de mytische muur die Romulus op 21 april 753 v. Chr. volgens de legende rond de toekomstige stad had getrokken, het pomerium.

Het eerste pomerium was nauwkeurig afgebakend door de vore die Romulus, gehoorzamend aan de voorschriften van het Etruskische ritueel, er met een ploeg bespannen met een stier en een zuiver wit paard omheen had getrokken. De ploegschaar had hij opgetild op de plaatsen waar eens de stadspoorten zouden staan, dus op deze plaats van de Porta Mugonia. Deze sacrosancte omtrek van de stad, de heilige kring (orbis) getrokken voor de muren en verschansingen die nog moesten gebouwd, gaf een profetisch beeld van de toekomstige stad en werd daarom ‘pomerium’ (pone muros) genoemd. Mugonia verwijst naar ‘muggare’, het loeien van de koeien.

Ga je vanaf de boog van Titus een tiental meter richting Colosseum, dan zie je rechts achter het metalen hek de resten van een rechthoekig platform. Lang dacht men dat dit de basis was van de tempel van Jupiter Statore, gewijd door Romulus tijdens de oorlog tegen de Sabijnen, maar recent onderzoek spreekt dit tegen. Hier heeft men vier pijlertjes gevonden met archaïsche tekens (nu te zien in het museum van de Palatijn). Ze zijn terug te brengen tot de tijd van de strijd tussen Romulus en Remus. Tijdens de middeleeuwen stond hier een toren waarin zelfs de pauselijke archieven een tijdlang opgeborgen werden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s