Het grootste huis van Rome

Gisteren kwam je in een eerste deel wat meer te weten over het beroemde Gouden Huis (Domus Aurea) van keizer Nero. Vandaag lees je een tweede bijdrage over dit fraaie optrekje. Maandag kom je in een derde en laatste deel alles te weten over de befaamde draaiende eetzaal van Nero die enkele jaren geleden werd ontdekt. Het beroemde Domus Aurea stond op de verhoging ten noorden van het Colosseum, de Colle Oppio van de Esquilijnheuvel. De keizer wilde verschillende gebouwencomplexen neerzetten, omgeven door wijngaarden, een kunstmatig meer en veeweiden. Dit reusachtige park moest louter dienen voor vermaak, want Nero bleef gewoon wonen op de Palatijnse heuvel. De totale oppervlakte was bijna dubbel zo groot dan de 44 ha van het huidige Vaticaanstad.

Tijdens het Julisch-Claudische tijdperk werden vrijwel alle uitgestrekte tuinen van de Esquilijn keizerlijk bezit, hetzij door erfenis of door inbeslagnemingen die onder verschillende en niet altijd legale voorwendselen werden uitgevoerd. Hierdoor ontstond een reusachtig park dat werd toegevoegd aan andere keizerlijke bezittingen op de Pincio en de Quirinaal.

Na de grote brand van 64 na Chr. kreeg Nero de gelegenheid de stad weer op te bouwen volgens strenge bouwvoorschriften en hellenistische stedenbouwkundige ideeën. Rome moest eindelijk een grote hoofdstad worden, met gelijkvormige gebouwenblokken van een geringe hoogte, die niet langer van hout maar van steen waren gebouwd. In die zin heeft Nero baanbrekend werk geleverd.

Tacitus (54-117) schrijft ‘Nero maakte van de verwoesting van zijn vaderstad gebruik en bouwde een paleis voor zichzelf dat niet zozeer door edelstenen en goud een wonder moest worden, maar meer nog door de weiden, vijvers, de afwisseling van groen, open plekken en uitzichten, alsof je ergens op het land was. De bedenkers van deze voor die tijd revolutionaire stedenbouwkundige aanleg waren Severus en Celerus, handige en maar ook gewetenloze lieden die dat wat de natuur toevallig niet ter beschikking had, dan maar kunstmatig creëerden en zo de rijkdommen van het Romeinse Rijk verkwistten.

Het Domus Aurea was een grandioos villacomplex in een park van 80 ha, met talrijke paviljoenen, bossen en akkers waarin behalve inlandse ook geïmporteerde exotische dieren rondliepen. Er waren ook baden met zeewater en zwavelhoudend water, afkomstig uit Tivoli. Het landschapspark, waarvan de kunstmatigheid Tacitus vreselijk ergerde, strekte zich uit van de huidige Via Merulana bij het Lateraan tot aan de Palatijn en waarschijnlijk tot bij het Forum van Augustus.

Op 18 juli 64 ontstond, wellicht in een winkeltje van het Circus Maximus, de beruchte en in de geschiedenisboeken vaak besproken brand die een groot deel van de stad verwoeste. Het vuur raasde gedurende zes dagen en zeven nachten. Talloze insulae, huizen en tempels werden vernield, de ravage was vooral groot op de Aventijn, de Palatijn en op en rond het Forum Romanum.

Met een groot deel van de verwoeste ruimte had Nero ogenblikkelijk grootse plannen. De Romeinen waren woedend dat een dergelijk uitgestrekt vrijgekomen terrein door de keizer in beslag werd genomen om midden in de stad een particulier park aan te leggen rond een immens paleis. Nero lag natuurlijk niet wakker van wat de bevolking dacht over zijn uitspattingen.

Het complex werd gebouwd rond een centrale binnenhof en was zo ontworpen dat het zonnelicht maximaal langs openingen en opgelijnde gangen het gebouw kon binnenstromen. Het omvatte een monumentale vestibule, met daarvoor het voormelde kolossale standbeeld van de keizer, een kunstmatig meer omgeven door een reeks zuilengangen en een groep tuinen.

Het omvangrijke paleiscomplex strekte zich uit van de Palatijn en de heuvels van de Velia, tot aan de noordelijke randen van de Colle Oppio. Vervolgens besloeg het complex het gebied richting oosten naar de Celio, waar het podium van de tempel van de Divus Claudius werd veranderd in een reusachtig nymphaeum, (wat zich nu situeert zich nu tussen de San Giovanni e Paolo en het Colosseum). De muren grensden aan de huidige Via Claudia, op de helling van de Monte Celio.

Te oordelen naar het commentaar van Vitellius en de beschrijvingen van Suetonius was het gebouw eerder ontworpen met het oog op luxe dan op gemak. Een deel van het interieur was versierd met parelmoer en edelstenen, de eetzalen hadden opengewerkte plafonds van ivoor, waar doorheen bloemen konden worden gestrooid. In andere vertrekken was in de zoldering een buizensysteem ingebouwd voor het verstuiven van parfums en geurige kruiden.

Het ‘huis’ had zo’n enorme omvang dat de Romeinen spottend tegen elkaar moeten hebben gezegd: ‘Rome is sedert lang één enkel huis, emigreer naar Veii, maar haast u, of Nero’s huis heeft ook dat ingepalmd.’ Het werd omringd door een kilometers lange zuilengalerij en nam de gehele ruimte tussen de Palatijn en de Esquilijn in beslag. Toen Nero in zijn nieuwe paleis zijn intrek nam, zei hij: ‘Eindelijk heb ik een menswaardig onderkomen’. Op de vijvers organiseerde Nero drijvende banketten, terwijl op de oevers bordelen te bezoeken waren met naar keuze jonge vrouwen of frisse knapen. Hier baadde Poppaea, de latere vrouw van Nero, naar verluidt in de melk van ezelinnen.

De naam ‘Domus Aurea’ sloeg niet alleen op het royaal gebruikte verguldsel (de voorgevel was met goud bekleed), maar zinspeelde ook op het huis van de zonnegod, de colossus die voor de ingang stond toonde Nero als zonnegod. Naar verluidt heeft niemand het bijzonder betreurd, toen het paleis in 104 na Chr. in vlammen opging. De Flavische keizers voerden een politiek waarbij, te beginnen met de bouw van het Colosseum, het Romeinse volk de door Nero onteigende grond geleidelijk terugkreeg.

Voor de fundamenten van het Colosseum werd de enorme vijver van Nero drooggelegd en uitgegraven. Trajanus liet een deel van het paleis met de grond gelijkmaken en de rest volstorten, waarna hij op die plaats zijn openbare baden liet bouwen. Hadrianus vernietigde in 121 alle nog zichtbare sporen van het bouwwerk toen hij op de plaats van de vestibule de tempel van Venus en Roma liet oprichten. Van de grandioze Domus Aurea is archeologisch alleen nog dat gedeelte bewaard gebleven waar de thermen van Trajanus overheen werden gebouwd.

Het paleis was verdeeld in twee vleugels. De keizerlijke vertrekken bevonden zich in de westelijke (linker) vleugel, terwijl in de oostelijke vleugel de feestzalen, galerieën en bibliotheken gehuisvest waren. Er waren grote architecturale verschillen tussen het westelijke deel, dat zeer regelmatig was aangelegd en versierd was met schilderingen van een hoog niveau, en het oostelijke deel, dat een aanzienlijk gecompliceerde plattegrond heeft.

Deze ongelijkheid van het complex is te verklaren uit het feit dat het niet om een homogeen project ging. De westkant behoorde wellicht tot het eerste bouwwerk dat Nero nog voor de grote brand liet oprichten, het Domus Transitoria dat Titus zelfs na Nero’s dood bleef gebruiken. Het oostelijke deel werd waarschijnlijk later aangebouwd.

Het Domus Transitoria, dat Nero tussen 54 en 64 bouwde, zorgde voor een verbinding tussen het door Caligula in de richting van het Forum uitgebreide Domus Tiberiana op de Palatijn en de Domus Aurea. Een groot gedeelte van het Domus Transitoria werd verwoest bij de brand die op 18 juli 64 uitbrak en zoals verteld in zes dagen tijd vrijwel het hele stadscentrum van de Urbs vernietigde.

Het oudere westelijke deel had zoals verteld een tamelijk traditionele architectuur, met vertrekken rond een grote rechthoekige binnenplaats die omgeven was door een zuilengalerij aan drie kanten, met een cryptoporticus aan de vierde noordelijke zijde. De belangrijkste ruimten bevonden zich aan de zuidkant van de binnenplaats waar verschillende rijk versierde kamers uitkeken op een zuilengalerij; ze waren rechts en links symmetrisch geplaatst ten opzichte van een centraal vertrek. Waarschijnlijk ging het om cubicula, logeervertrekken van het keizerlijke echtpaar. Ze moeten tevens een prachtig uitzicht op de vallei hebben gehad.

Aan de oostkant van de binnenplaats kon men iets ontwaren van een serie opeenvolgende kamers die eindigden in een rijk nymphaeum. Het was een kleine gewelfde hal met zijramen die zich openden naar binnenplaatsen en een fontein. In een achthoek stond de figuur van Polyphemus die een beker wijn van Odysseus krijgt aangereikt. Dit was dus het privé-domein van het keizerlijk paleis, dat via grote deuren uitkwam op een porticus, die naar het daaronder liggende dal leidde.

Bij de verfraaiing van de keizerlijke residentie werd ook de Griekse beeldhouwer Zenodoros ingezet, de maker van het gigantische monumentale standbeeld van Nero als zonnegod (de colossos), dat de vestibule van het Domus Aurea bewaakte. Volgens de getuigenis van Plinius werd hij beschouwd als een van de grootste kunstenaars aller tijden, die ook kon concurreren met de meesters van het vroege hellenistische tijdperk, vooral wat betreft de vervaardiging van reusachtige metalen sculpturen.

De nieuwe residentie werd bovendien versierd met een groot aantal standbeelden, die Nero als oorlogsbuit uit Griekenland en Klein-Azië had meegenomen. Hieronder bevonden zich vermoedelijk ook de beroemde beelden uit Pergamon, zoals ‘De stervende Galaat’ en ‘Galliër die zichzelf en zijn vrouw doodt’ waarvan alleen Romeinse kopieën bewaard zijn gebleven.

De Stervende Galaat (of Galliër, zoals de meesten het beeld noemen) is één van de bekendste beelden van de klassieke oudheid en van de hellenistische periode. Waar het beeld tijdens de middeleeuwen was is onbekend. De eerste gegevens die men vindt over het beeld dateren van 1623. Het marmeren beeld was toen een onderdeel van de collectie van de Ludovisi-familie in Rome. Tijdens deze periode (zeventiende eeuw) dacht men verkeerdelijk dat het een verslagen gladiator uitbeeldde. Dit leidde tot verschillende namen voor het beeld, zoals de stervende of gewonde gladiator, de Romeinse gladiator en de stervende murmillo.

Of het ooit echt in Nero’s Domus Aurea heeft gestaan, valt niet meer met zekerheid te achterhalen. Ook de beroemde Laocoöngroep werd gevonden in de buurt van de Domus Aurea en heeft wellicht ook deel uitgemaakt van Nero’s interieur. Zeker is wel dat de keizer zich met uitstekende kunst wist te omringen en terzake absoluut niets tekort kwam.

Een reeks vertrekken met schilderingen van fantastische architectuur markeert de overgang naar het oostelijke deel. Hier was de architectuur rijker en gevarieerder, met kamers die rond een pentagonale binnenplaats lagen. Vooral de decoratie van een van deze kamers (in één lijn met de binnenplaats en met een prachtig ‘verguld’ gewelf) was buitengewoon mooi.

Het hoogtepunt vormt een ongebruikelijke voorstelling van de roof van Ganymedes, die samen met Jupiter ontvoerd wordt door de adelaar. De ruimtelijkheid en de illusionistische effecten die de zalen van het Domus Aurea kenmerken, markeren een belangrijk keerpunt ten opzichte van het classicisme van het augusteïsche tijdperk.

Bij een bezoek aan het Domus Aurea is een grondige persoonlijke voorbereiding zeker nuttig indien je echt iets wil opsteken. Van de naar schatting 200 vertrekken zijn er vandaag 150 blootgelegd, daarvan waren er tot vóór de recente instortingen een dertigtal met een gids te bezoeken. De zalen blijven door hun hoogte, soms wel tien tot elf meter, indrukwekkend, maar de meeste decoraties zijn jammer genoeg verdwenen. In die zin stelt het bezoek enigszins teleur, al besef je permanent dat je door een geweldige archeologische site wandelt.

Het grootste deel van de fresco’s is slecht of amper bewaard gebleven. De zeldzame resten doen de bezoeker alleen maar dromen over hoe het vroeger moet geweest zijn. De bezichtiging begint bij één van de schuine gangen die voor het paleis van Nero werden aangelegd als fundering voor de thermen van Trajanus en voert langs enkele do nkere zalen. In één daarvan zijn nog resten te zien van huizen die door de brand van 64 zijn verwoest.

Vervolgens kom je bij het nymphaeum van Odysseus en Polyphemus en de zaal van het gouden gewelf die beide door de schilder Fabullus gedecoreerd zijn met landschappen en mythologische afbeeldingen in prachtige kleuren. Het bezoek gaat door een aantal gangen verder naar de cryptoporticus die de twee vleugels van het paleis met elkaar verbindt. Op de plafonds van de gangen zijn de handtekeningen te zien van talrijke kunstenaars die door de ruïnes van het plafond het paleis binnendrongen.

Aan het begin van de oostelijke vleugel bevindt zich de zaal van Achille Asciro waarvan de muren gedecoreerd zijn met friezen en guirlandes. Hier ligt ook de octogonale zaal waar de gedurfde architectuur van het paleis tot haar recht komt. De ruimte was goed verlicht door een opening in het plafond en komt uit op een nymphaeum en vier triclinia. Tot slot komt men in de zaal van Hector en Andromache, wellicht ongeveer de plaats waar in 1506 de voormelde Laocoöngroep is ontdekt. De plafonddecoraties zouden de bruiloft voorstellen van Amphitrite en Poseidon.

De bekleding van het onderste gedeelte van de wanden bestond oorspronkelijk uit marmeren platen, die al in de Oudheid werden verwijderd. Enkele zaken hebben kleurrijke wandversierigen. Plinius heeft ons de naam van alleszins één frescoschilder overgeleverd, een zekere Fabullus (ook omschreven als Famulus, wat knecht betekent). Hij werkte slechts enkele uren per dag en steeds in toga.

De zogenaamde Vierde Stijl waarvan de beginperiode in Rome in de late Julisch-Claudische tijd gedateerd kan worden, is in feite een gecompliceerde en barokke versie van de fantastische en architectonische motieven die al in de Tweede Stijl voorkomen. Hun overdadige ornamentering past goed bij de bouwstijl uit de tijd van Nero en vooral bij die der Flaviërs, toen er voorgoed een streep werd gezet onder het Augusteïsche classicisme. Hieruit spreekt een herwaardering voor het ‘barokke’ hellenisme, dat sinds Tiberius in de particuliere kunst ingang had gevonden en dat werd voortgezet in de officiële kunst.

Wanddecoraties van deze stijl zijn nagenoeg in alle huizen van Pompeii te vinden, vooral in woningen die dateren van na de aardbeving van 62 na Chr. Na de lineaire derde stijl keerden de kunstenaars terug naar veel gecomplceerdere vormen en perspectivische afbeeldingen, waarmee ze een illusionistisch effect probeerden te bereiken. In Nero’s dagen konden bezoekers vanuit de zaal met het vergulde gewelf, uitkijken over debinnenplaats en de vallei met het kunstmatig aangelegde meer, de plaats waar vandaag het Colosseum staat. Nu liggen de zalen deels ondergronds maar in de tijd van Nero waren ze gevuld met daglicht. In een paar zalen zie je tevens de eerste voorbeelden van Romeinse kruisgewelven.

De herinnering aan de Domus Aurea is nooit verloren gegaan maar waar het zich situeerde was met de tijd uit het geheugen verdwenen tot het tijdens derenaissance per toeval ontdekt werd. Toen op het einde van de vijftiende eeuw hier enkele duistere onderaardse ruimten werden gevonden, had niemand een flauw vermoeden dat men op de overblijfselen van het fabelachtige paleis was gestuit (zie Nieuwsbrief van gisteren). Men hield ze voor ‘grotten’, ondergrondse ruimten of kelders van het paleis of van de thermen van Titus. In elk geval werd het schilderwerk als opzienbarend beschouwd en kunstenaars haastten zich dit te bestuderen, onder hen Rafaël, Michelangelo en Pinturicchio die zich door de fresco’s lieten beinvloeden. Ook Casanova en markies de Sade kwamen hier kijken.

Een dertigtal jaren later, tussen 1517 en 1519 vormde het nog een bron van inspiratie voor de door Rafaël en Giovanni da Udine in de ‘groteske’-stijl (naar het Italiaanse ‘grottesche’) uitgevoerde decoratie van de loggia in het Vaticaan (de pausen waren er zich niet van bewust dat het versieringen betrof uit de bediendevertrekken van Nero’s paleis). Toch bleven de ruimten met puin gevuld. De kunstenaars uit de vijftiende en de zestiende eeuw lieten zich er aan touwen in zakken en konden zo hun namen op de plafonds krassen.

De Belgische historica Nicole Dacos ontdekte dat de Nederlandse schilders Herman Posthumus, Maarten van Heemskerck en Lambert Sustris hun namen in 1536 achterlieten op de wanden van de ‘volta nera’ (het zwarte gewelf) van het Domus Aurea. Pas aan het begin van de negentiende eeuw, toen ook bekend was het het hier ging om Nero’s Gouden Huis, werd begonnen met systematische opgravingen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s