De opmerkelijke kunstwerken in de Sant’Onofrio al Gianicolo

Bij een bezoek aan het klooster en de kerk van Sant’Onofrio op de Janiculus-heuvel in Trastevere, beklim je eerst enkele trappen waarna je links op het terras in de schaduw van de steeneiken, een murmelende fontein aantreft. Deze is afkomstig uit het Romeinse getto en werd hier geplaatst in 1924. Een mooie L-vormig renaissance-portico verbindt het klooster met de kerk. In de lunetten onder de porticus zie je drie fresco’s uit 1605 met taferelen uit het leven van de heilige Hiëronymus. De fresco’s werden uitgevoerd door Domenichino (1581-1641).

Vanaf het tweede decennium van de zeventiende eeuw was Domenichino de leidende schilder in Rome, denk bv. aan de apsis en de prachtige pendentieven van de Sant’ Andrea della Valle. Domenichino heette eigenlijk Domenico Zampieri. Hij vertrok in 1602 vanuit zijn geboortestad Bologna naar Rome en kreeg een plaats in het atelier van Annibale Carracci met wie hij samenwerkte in Palazzo Farnese.

Hij genoot de bescherming van kardinaal Agucchi (portretten, 1604-1605, Uffizi Firenze en 1621-1623, City Art Gallery, York). Grote opdrachten kreeg hij door bemiddeling van de familie Farnese, zoals bv. de frescocyclus in de abdij van Grottaferrata, in de periode 1608-1610.

De laatste communie van de H. Hiëronymus (1614, Pinacoteca Vaticana) schilderde hij in opdracht van de congregatie van S. Girolamo della Carità naar aanleiding van de zaligverklaring van Filippo Neri, en als een hommage aan Agostino Carracci die omstreeks 1590 hetzelfde onderwerp had geschilderd. Daarvoor werd hij door Giovanni Lanfranco, een jaloerse collega-concurrent, van plagiaat beschuldigd. De laatste jaren van zijn leven werkte Domenichino aan een opdracht in Napels. De vijandigheid en jaloersheid van de Napolitaanse schilders leidde tot Domenichino’s vergiftiging. Hij was dus misschien toch beter in Rome gebleven.

Bemerk boven de kerkdeur een mooie Madonna, volgens de literatuur is het een werk van Claudio Ridolfi (1570-1644) van wie zich ook fresco’s in het klooster bevinden, maar volgens de monniken zelf zou ook deze Madonna een werk van Domenichino zijn.

Rechts van de ingang tot de Sant’ Onofrio bevindt zich de opgerichte zerk met de beeltenis van de patroonheilige met de vermelding NVCSCS ONOFRIVS, een gaaf voorbeeld van Toscaanse renaissance. Oorspronkelijk lag deze grafsteen op de vloer van de Onofriokapel in de kerk. Nadat de relieken van de heilige onder het hoogaltaar werden geplaatst, beslisten de monniken de grafsteen hier tegen de muur te plaatsten.

Aan het rechter uiteinde van de porticus ligt een bekoorlijk barokkapelletje uit 1620, gewijd aan de heilige Rozenkrans. Het werd mooi versierd door minder bekende kunstenaars. Oorspronkelijk vormden de tot een krans gevlochten rozen een zinnebeeld van maagdelijkheid en vreugde, later werd het woord rozenkrans vereenzelvigd met een gebedenreeks van vijf maal tien Weesgegroeten, ieder tiental voorafgegaan door een Onze Vader en gevolgd door een Gloria Patri.

De Franse schrijver, dichter en politicus François René de Chateaubriand kwam graag in de Sant’Onofrio en verklaarde meermaals dat hij in dit klooster graag zijn laatste dagen wilde slijten. Als je links om de Sant’ Onofrio loopt, zie je op de kerkmuur een citaat uit deel V van zijn ‘Mémoires d’outre-tombe’: ‘Si j’ai le bonheur de finir mes jours ici, je me suis arrangé pour avoir à Saint-Onuphre un réduit joignant la chambre où Le Tasse expira… Dans un des plus beaux sites de la Terre, parmi les orangers et les chênes-verts, Rome entière sous mes yeux, chaque matin, en me mettant à l’ouvrage, entre le lit de mort et la tombe du poète, j’invoquerai le génie de la gloire et du malheur’.

Chateaubriand stierf op 4 juli 1848, in de armen van madame Récamier. De gedenkplaat werd hier gehangen in 1948, ter gelegenheid van de 100ste verjaardag van zijn dood.

Ook Johann Wolfgang von Goethe, die zich een kopie van het dodenmasker van Torquato Tasso aanschafte, kwam hier op 2 februari 1787 op bezoek, waarna hij zijn ‘Tarquato Tasso’ schreef. Ter gelegenheid van de herdenking van de honderdste geboortedag van Goethe in Weimar op 28 augustus 1849, componeerde Liszt de ouverture ‘Tasso, lamento e trionfo’, gebaseerd op Byron’s ‘The lament of Tasso’. Het symfonische gedicht was oorspronkelijk bedoeld als ouverture tot Goethe’s drama. De definitieve orkestratie kende haar wereldpremière in Weimar op 19 april 1854 onder leiding van de componist.

Maar we keren even terug naar de porticus waar een korte lage gang naar de in de zomer zeer kleurige kloosterhof uit de vijftiende eeuw leidt. Deze tuin is in principe altijd open. Onderweg passeer je nog de oorspronkelijke ingang van de allereerste kapel uit 1439 toen er op deze plaats nog geen kerk stond. De bovenste arcade van de streng aandoende, eenvoudige kloosterhof rust op de karakteristieke achthoekige zuilen uit die tijd, terwijl de onderste antieke zuilen heeft.

De fresco’s uit 1600 met episodes uit het leven van Sant’ Onofrio zijn gedeeltelijk het werk van Il Cavalier d’Arpino (1568-1640), wiens echte naam Giuseppe Cesari was. Hij was een maniërist die in zijn tijd een enorme, volgens sommigen wat overtrokken reputatie had. Caravaggio is aan hem voorbijgegaan, hoewel die ooit zijn assistent was. D’Arpino was vooral een frescoschilder die vaak in herhaling verviel. Sommige van zijn werken hebben wel iets Vlaams, dat zien we bijvoorbeeld in het tweede fresco links vanaf de doorgang en het fresco er net tegenover.

Als we terugkeren naar de portiek kunnen we het interieur van de Sant’ Onofriokerk bezoeken. Het duistere interieur werd in 1857 gerestaureerd door paus Pius IX. Recent werd enige schaarse verlichting aangebracht. Meer moet dat eigenlijk niet zijn, het schemerlicht past goed bij de bijna gotische lijnen van de grondvorm. In het goud van de fresco’s in de apsis glanst dan weer de weelde van de renaissance. Op de grond bevinden zich veel grafstenen.

Direct bij het binnengaan, links op de vloer tegen de gevelmuur, wordt de oorspronkelijke begraafplaats aangegeven van Tasso, we lezen ‘ossa Torquati Tassi’. Giacomo Leopardi (1798-1837), als dichter vaak op één lijn geplaatst met Dante, Petrarca en Tasso, kwam tijdens zijn korte verblijf in Rome bij dit graf mediteren.

In ‘Gedachten’ schrijft hij hoe het hem enige vreugde en ontroering schonk door de gedachte aan Tasso’s lot waarin hij het zijne weerspiegeld zag. Giacomo Leopardi was ontroerd door de eenvoud van het graf. Dit bezoek was ‘het eerste en het enige waar ik in Rome genoegen heb aan beleefd’ schrijft hij in een brief aan zijn broer in 1823.

En Leopardi schrijft verder: “Wij zijn in de kerk opnieuw naar het kleine graf van Tasso gaan kijken, bij het binnenkomen links bij de deur. Daar leest men die aandoenlijke inscriptie, wellicht de mooiste die in de moderne tijd werd gemaakt: ‘TORQUATI TASSI OSSA HIC JACENT. NE NESCIUS ESSES HOSPES, FRATRES HUJUS ECCLESIAE POSUERE. MDCI’ of: ‘Hier rust het gebeente van Torquato Tasso, uit vrees dat je het niet zou weten, vreemdeling, hebben de broeders van deze kerk deze steen geplaatst in het jaar 1601. Giacomo Leopardi was zwaar gehandicapt. Een vroege dood verloste hem op 38-jarige leeftijd van zijn dagelijkse, dramatische lijden.

Kijk in deze kerk zeker even naar het fraaie wijwatervat dat nog uit de allereerste kerk afkomstig is. In de eerste kapel links bevindt zich tegen de rechtermuur een monument uit 1857 voor Tasso, uitgevoerd door Giuseppe De Fabris (1790-1860). Fabris is de man die de bronzen buste maakte op het beroemde graf van Rafaël in het Pantheon. Toen Pius IX besliste dit enorme monument in deze kapel van de Sant’ Onofrio te laten plaatsen, werd de oppervlakte van de kapel verdubbeld. Je merkt die ingreep nog aan de gewelven.

In de derde kapel links bevindt zich tegen de linkermuur de grafsteen voor de in 1849 gestorven kardinaal Mezzofanti. Hij was beroemd als talenwonder ‘doctor eloquentiae et poesi tradendae’. Hij sprak naar verluidt vijftig talen en een aantal dialecten. Hij kon gewoon door even te luisteren, gewoon vertellen uit welk graafschap een Engelsman afkomstig was, hij was de toeverlaat van vreemdelingen, diplomaten en geleerden en toen Napoleon hem naar Parijs wilde lokken, demonstreerde de kardinaal zijn afkeer voor de keizer door diens uitspraak te verbeteren. ‘Tijdens de torenbouw in Babel had Mezzofanti voor iedereen kunnen tolken’ zei lord Byron over de kardinaal, die hij omschreef als een ‘taalmonster’.

Aan de overkant, binnen dezelfde kapel, bevindt zich het grafmonument uit 1596 voor kardinaal Sega, met zijn portret door Domenichino. In de mooie apsis bevinden zich achter het hoogaltaar herschilderde fresco’s. Vasari schrijft ze toe aan Baldassare Peruzzi (1481-1536), al is het een jeugdwerk. Let op de invloed van Pinturicchio (1454-1513); die is zodanig dat deze meester in de gespecialiseerde literatuur zelfs als auteur van een deel van deze fresco’s aangewezen wordt.

Een onderzoek stelde in 2010 vast dat het bovenste deel met de kroning van de Maagd met apostelen, heiligen, sibyllen en musicerende engelen, inderdaad van de hand van Peruzzi is. Het onderste deel met de Aanbidding der Wijzen, de Tronende Maria met Kind met heiligen en de Vlucht naar Egypte is het werk van andere meesters. De aan de voeten van de Maagd knielende donor is een latere toevoeging.

Peruzzi is de man die Bramante bijstond bij het ontwerp van de Sint-Pietersbasiliek en na de dood van Rafaël in 1520 zelf de leiding van de werken overnam. Peruzzi was zonder meer een genie, een soort alleskunner. Zijn belangrijkste werk zie je in de Villa Farnesina. Boven het altaar staat de heremiet, onder het altaar bevinden zich de relieken van de heilige stichter Nicolas da Forca Palena.

De eerste kapel rechts is de allereerste kapel, in feite de allereerste kerk die hier bij de stichting van de kluis in 1439 gebouwd werd. Later werd de kapel opgenomen in de huidige kerk, vandaag is ze nog steeds toegewijd aan Sant’ Onofrio. De pendentieven van het gewelf boven het altaar tonen een zeer mooie ‘Annunciatie’, een jeugdwerk van Antoniazzo Romano (1460-1506). Het herinnert meteen aan zijn al even prachtige Annunciatie in de rechterzijbeuk van de Santa Maria sopra Minerva. Hetzelfde onderwerp is ook te zien in de eerste rechterkapel in het Pantheon.

De tweede kapel rechts is een prachtig voorbeeld van een zeventiende-eeuwse kapel. De fresco’s en het stucwerk uit 1605 zijn van Giovanni Battista Ricci. Boven het altaar zie je de ‘Madonna van Loreto’, toegeschreven aan Annibale Carracci (1560-1609), al zijn er ook bronnen die melden dat het werd uitgevoerd door zijn leerlingen. Als het van Carraci zelf is, is dit zijn enige werk in een kerk in Rome.

Voorbij deze kapel bevindt zich tegen de muur een grafmonument uitgevoerd door Andrea Bregno (1421-1506) of zijn School. We lezen ‘Labor et gloria vita fuit, mors requies’. De grote witte steen tegen de wand tussen deze beide kapellen verwijst naar de persoonlijke arts van paus Alexander VI Borgia.

Het kleine Museo Tassiano (enkel op afspraak te bezoeken, tel. 06 686 90 40) omvat twee kamers in het klooster. Het toont ondermeer het dodenmasker van de in 1595 gestorven dichter Torquato Tasso, zijn zetel, een kruisbeeld, een spiegel, een inktpot en manuscripten en uitgaven van al zijn werken.

De Sant’Onofrio is in principe open van 9 tot 13 u., behalve op zaterdag. Gesloten tijdens augustus.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s