Locatie van historische veldslag Julius Caesar ontdekt in Nederland

Nederlandse archeologen hebben in Noord-Brabant de plek ontdekt waar de Romeinse veldheer en staatsman Julius Caesar in 55 v. Chr. twee Germaanse stammen in de pan zou hebben gehakt. Archeoloog Nico Roymans van de Vrije Universiteit Amsterdam maakte de unieke ontdekking bekend tijdens een persconferentie in het Allard Pierson Museum. Tot op heden was de locatie van deze veldslag, waarover Caesar uitvoerig schreef in Boek IV van zijn Commentarii Rerum in Gallia Gestarum, beter bekend als (Commentarii) De Bello Gallico, onbekend. Het is de vroegst bekende veldslag in Nederland, een gebied dat door de Romeinen nooit helemaal werd veroverd. De conclusies van de archeologen zijn gebaseerd op een combinatie van historische, archeologische en geochemische gegevens. Het is voor het eerst dat de aanwezigheid van Caesar en zijn troepen op Nederlands grondgebied expliciet is aangetoond.

Tijdens de persconferentie ging Nico Roymans nader in op de ontdekkingen die werden gedaan in Kessel (Noord-Brabant) en de historische betekenis ervan. Ook toonde hij wapens en skeletresten die afkomstig zijn van het slagveld. De vondsten van deze veldslag bestaan vooral uit grote aantallen skeletresten, zwaarden, speerpunten en een helm. Het slagveld situeert zich nabij de huidige plaatsen Kessel en Heerewaarden.

De twee Germaanse stammen, zijnde de Tencteri en de Usipetes, kwamen oorspronkelijk uit het gebied oostelijk van de Rijn. In het voorjaar van 55 v.Chr. waren ze massaal de Rijn overgestoken en vroegen Caesar toestemming om zich in het Nederlandse rivierengebied te mogen vestigen. Dit verzoek om asiel werd geweigerd, waarna Caesar met zijn volledige troepenmacht van acht legioenen tegen de Germanen ten strijde trok.

Na de verovering van het Germaanse kamp werd de vluchtende bevolking achtervolgd door Caesars troepen. Bij de samenvloeiing van Maas en Rijn (lees: Waal) raakten zij ingesloten en hier vond een massale slachting plaats. Caesar vermeldt trots dat vrijwel de complete bevolking inclusief vrouwen en kinderen werd gedood. Volgens sommige bronnen zou het in totaal gaan om 430.000 personen, doch dit aantal is ongetwijfeld enorm overdreven. Een getal tussen 150.000 en 200.000 lijkt meer realistisch.

In het vierde boekdeel van zijn De Bello Gallico beschrijft Caesar zijn uiterst gewelddadige optreden en de massavernietiging van de Tencteri en Usipetes bij de samenvloeiing van Maas en Waal:

“Met mijn leger (…) arriveerde ik al bij het vijandelijke kamp voordat de Germanen door konden hebben wat er gebeurde. Door dit alles raakten ze plotseling in paniek: wij waren snel ter plaatse, hun stamhoofden ontbraken, en zij kregen geen tijd om te overleggen en naar de wapens te grijpen. (…). En terwijl hun angst zich manifesteerde in hun geschreeuw en gedraaf, drongen onze soldaten (…) het kamp binnen. Daar boden de mannen die in allerijl de wapens hadden kunnen grijpen korte tijd weerstand, en vochten tussen de karren en bagagewagens. (…) Maar er was ook een grote groep vrouwen en kinderen en deze sloegen nu naar alle kanten op de vlucht. Ik stuurde de ruiterij achter hen aan. De Germanen hoorden gegil achter zich en toen zij zagen dat hun vrouwen en kinderen gedood werden, smeten zij hun wapens neer (…) en renden hals over kop weg uit het kamp. Toen zij bij het punt waren gekomen waar Maas en Rijn samenstromen, zagen zij geen heil meer in verder vluchten. Een groot aantal van hen werd gedood en de rest wierp zich in de rivier, waar zij omkwamen overweldigd door angst, vermoeidheid en de kracht van de stroom.”

Tegenwoordig zouden we een dergelijke actie omschrijven als een genocide. Hoewel Caesar niet expliciet de intentie uitspreekt dat hij deze Germaanse stammen wilde vernietigen, moet hij zich gerealiseerd hebben dat zijn optreden de facto resulteerde in op zijn minst de gedeeltelijke destructie van deze etnische groepen.

Opmerkelijk is dat in de toenmalige Romeinse politieke cultuur geen morele bezwaren bestonden tegen massamoord op een verslagen vijand, zeker niet wanneer het ging om zogenaamde barbaren. Dit verklaart waarom Caesar in zijn oorlogsverslagen zonder enige schaamte gedetailleerde beschrijvingen geeft van het gebruik van massageweld tegen Gallische en Germaanse bevolkingsgroepen die zich verzetten tegen de Romeinse verovering.

Op basis van radiokoolstofdateringen is de ouderdom van de gevonden skeletten vastgesteld. In het laboratorium is tevens het tandglazuur van drie individuen geochemisch onderzocht op isotopen. Op basis van de waarden van strontium kan worden vastgesteld dat het in alle drie gevallen gaat om personen die niet autochtoon waren in het Nederlandse rivierengebied maar van elders kwamen. Dit bevestigt Caesar’s verhaal dat de Tencteri en Usipetes migrantenvolken waren, afkomstig uit het gebied oostelijk van de Rijn.

Op grond van de combinatie van de diverse soorten gegevens kan worden geconcludeerd dat we in Kessel te maken hebben met de archeologische resten van de door Caesar beschreven massaslachting van de Tencteri en Usipetes van 55 v. Chr.

Het lijkt erop dat na afloop van de slachtpartij de lichamen van de overledenen en het wapentuig zijn verzameld en gedeponeerd in een oude Maasbedding. Opmerkelijk is dat sommige zwaarden opzettelijk gevouwen of verbogen waren. Dit kan erop wijzen dat de deponering van de slagveldresten destijds met rituelen gepaard ging.

Het Romeinse Rijk strekte zich in de eerste eeuw na Christus uit van Italië tot Engeland en van Noord-Afrika tot het huidige Turkije. Rond 58 v. Chr. veroverden de Romeinen onder leiding van Julius Caesar het huidige België en het zuiden van Nederland.

Dorpen werden gebrandschat en de Keltische stammen die er woonden werden uitgeroeid of hun bewoners werden als slaaf afgevoerd naar Rome. De Romeinen kregen echter nooit greep op het drassige noorden van Nederland. De Rijn werd de noordgrens van het Romeinse Rijk, enkel Zuid-Nederland kwam onder Romeinse heerschappij.

Zoals elke Romeinse generaal schreef ook Julius Caesar in opdracht van de Senaat ambtelijke verslagen over zijn talrijke veldtochten. Het bekendste verslag gaat over de verovering van Gallië (ongeveer 58 v. Chr. tot 50 v. Chr.). Caesar slaagde er in om aan zijn verslagen een eigen typerende stijl te geven.

Het volledige verslag bestond uit acht boeken, al waren het geen boeken zoals wij ze kennen, maar eerder perkament- of nog waarschijnlijker, papyrusrollen. De eerste zeven boeken werden door Caesar zelf geschreven, het achtste boek werd later toegevoegd door Aulus Hirtius, één van Caesars officieren. Caesar gebruikte voor deze boeken de analytische verslaggeving. Er was één boek voor ieder oorlogsjaar.

De Bello Gallico diende niet alleen om tijdgenoten en nageslacht te informeren, maar diende ook als propaganda. Op de vooravond van zijn strijd tegen Pompeius moet Caesar zeker gedacht hebben dat het beïnvloeden van de openbare opinie in zijn voordeel geen kwaad kon. Met het verslag van zijn ‘heldendaden’ kon Caesar zichzelf verdedigen tegenover de Senaat en zijn politieke tegenstanders in Rome.

Het document geldt als een belangrijke bron voor historici, hoewel Caesar er niet voor terugdeinsde feiten te verdraaien ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Mede daarom schreef hij in bijna heel De Bello Gallico in de derde persoon over zichzelf. De Bello Gallico is nog steeds te vinden in de boekwinkel, ook in het Nederlands.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s