De kalender van Julius Caesar

Een nieuw jaar betekent ook een nieuwe kalender aan de muur of een blitse app op de smartphone. We durven weleens vergeten dat het Julius Caesaer was die in 46 v. Chr. de Juliaanse kalender invoerde, een hervorming van de kalender die reeds in de Romeinse republiek werd gebruikt. Een gewoon jaar duurt hierbij 365 dagen, maar om de vier jaar wordt een schrikkeljaar van 366 dagen ingevoegd. De gemiddelde duur van het zonnejaar is dan 365,25 dagen (in werkelijkheid duurt het tropische jaar 365,2422 dagen). Door dat iets te lange jaar was elke burgerlijke eeuw echter 0,78 dag te lang. In de zestiende eeuw was de fout reeds opgelopen tot tien dagen. In 1582 haalde paus Gregorius XIII die onregelmatigheid eruit en hervormde de kalender opnieuw.

Gregorius bepaalde dat op 4 oktober 1582 onmiddellijk 15 oktober 1582 zou volgen en dat alle schrikkeljaren op een vol eeuwtal dat niet door 400 deelbaar is, zouden vervallen (1900 was dus geen, maar 2000 wel een schrikkeljaar). Daardoor wordt de gemiddelde lengte van het Gregoriaanse jaar 365,2425 dagen. Deze kalender werd buiten de geheel katholieke landen slechts langzaam aanvaard. In Rusland gebeurde dat pas in 1918.

De tegenwoordig in een groot gedeelte van de wereld gevolgde tijdrekening gaat dus terug op de Romeinse kalender en heeft haar verbreiding vooral te danken aan haar functie als de christelijke kalender, die naarmate de godsdienst zich uitbreidde, vooral tot doel had de regeling van de christelijke feestdagen vast te leggen en in het bijzonder voor het bepalen van de paasdatum.

De Romeinse republikeinse kalender, waarschijnlijk voortgekomen uit een plaatselijke kalender, was in de zesde eeuw v. Chr. in principe een maankalender van 355 dagen. Om de seizoenen op hun plaats te houden werd eens in de twee jaar aan het einde van februari (aanvankelijk de laatste maand van het jaar, maar in 153 v. Chr. werd het begin van het jaar verplaatst naar de Kalendae van Januarius) een Intercalans of Mercedonius genoemde periode van 27 of 28 dagen ingevoerd, waarvoor in de plaats de laatste vijf dagen van Februarius uitvielen.

Doordat het aldus gevormde gemiddelde jaar iets te lang was en door de onregelmatige toepassing van de intercalatie, geraakte deze kalender geleidelijk steeds meer uit de pas met de seizoenen. Dat was ook Julius Caesar opgevallen. In het midden van de eerste eeuw v. Chr. liet Caesar zich adviseren door de astronoom Sosigenes van Alexandrië. Sosigenes was de auteur van verscheidene astronomische werken en bracht in zijn tijd al de visie naar voor dat Mercurius om de zon zou draaien. Hij wordt vaak verward met een gelijknamige astronoom uit de tweede eeuw n. Chr.

Op de aanwijzingen van Sosigenes werd in het jaar dat thans bekend is als 46 v. Chr. een extra intercalatie van 67 dagen toegepast om het lentepunt weer op de juiste plaats te brengen. Daarnaast werd het principe van de maankalender helemaal verlaten en vervangen door een kalender op basis van een zonnejaar van 365,25 dagen dat gerealiseerd zou worden door eens in de vier jaar een intercalatie van één dag uit te voeren tussen 23 en 24 februari.

Hoewel 45 v. Chr. als het eerste jaar uit de Juliaanse kalender geldt, duurde het nog 48 jaar voordat het Juliaanse systeem goed functioneerde. Aanvankelijk werd niet opgemerkt dat ten gevolge van de Romeinse wijze van overlappend tellen iedere drie jaar in plaats van iedere vier jaar een schrikkeldag werd tussengevoegd.

Deze fout werd door keizer Augustus tussen 8 v. Chr. en 4 n. Chr. gecorrigeerd door een aantal schrikkeldagen te laten uitvallen. Tevens werd in 9 n. Chr. de maand Sextilis omgedoopt tot Augustus (nadat eerder al de naam van Julius Caesar was verbonden aan de maand Quintilis), waarbij tevens nog enkele wijzigingen werden aangebracht in het aantal dagen van de maanden, dit omdat keizer Augustus zijn maand niet ondergeschikt wilde zien aan Julius. Sedertdien heeft het jaar zijn indeling behouden.

De oorspronkelijke Juliaanse kalender kende nog geen weken. In de Romeinse republikeinse kalender hadden slechts drie dagen een naam. Kalendae was de eerste dag van de maand, Idus de middelste en Nonae de negende dag vóór Idus. Alle andere dagen werden aangeduid met een uit een van deze drie dagen terugtellend nummer (ante diem). De laatste dag van een maand was pridie Kal., de daaraan voorafgaande dag a.d. III Kal.

Nu wordt het iets ingewikkelder. De dag van waaruit werd teruggeteld werd steeds meegeteld, waardoor de periode tussen Nonae en Idus in feite geen negen dagen, maar slechts acht dagen was. Volgens de tegenwoordige rekenkunde was Idus in Martius, Maius, Quintilis en October de vijftiende dag en Nonae de zevende dag, in alle andere maanden respectievelijk de dertiende en de vijfde dag.

De aan een schrikkeldag voorafgaande dagen werden in de nummering niet beïnvloed door de tussengevoegde dag; de schrikkeldag werd genoteerd als a.d. bis VI Kal. Mart., tussengevoegd tussen a.d. VI Kal. Mart. en a.d. V Kal. Mart.

De in oorsprong Babylonische zevendaagse week werd in de vierde eeuw n. Chr. ingevoerd door een besluit van keizer Constantijn I, waarbij werd aangesloten bij een reeds sinds de eerste eeuw v. Chr. onder joodse en christelijke invloed in sommige delen van het Romeinse Rijk ontwikkelde traditie.

De jaarnummering werd in Rome oorspronkelijk gerekend ‘sedert de stichting van de stad’. Ook werd een telling in regeringsjaren van de consuls of keizers toegepast. De tegenwoordig geldende jaartelling volgens de christelijke era werd in 526 ingevoerd door paus Johannes I, zoals die een jaar eerder was uitgewerkt door de pauselijke archivaris en chronoloog Dionysius Exiguus bij het opstellen van de paascyclus.

D ionysius Exiguus was van afkomst een Scyth en arriveerde omstreeks 500 in Rome. In opdracht van paus Johannes I berekende hij in 525 de negentienjarige Alexandrijnse paascyclus voor zesmaal negentien jaren, zo, dat hij voor Rome aanvaardbaar werd. Die cyclus raakte bekend als de Dionysische cyclus.

Zijn grote verdienste is dat hij de christelijke era, de jaartelling van de geboorte van Christus af, invoerde. Daarbij dateerde hij echter het geboortejaar van Christus minstens vier jaren te laat (754 vanaf de stichting van de stad Rome). In het jaar 241 van de era van Diocletianus stelde hij de door hem als epoche (het tijdstip waarop een bepaald hemelverschijnsel zich voordoet of een bepaalde situatie geldt, of waarop een bepaalde waarneming is gedaan) gekozen geboorte van Christus op 283 jaar voor deze era; het eerstvolgende jaar noemde hij 525 n. Chr.

De nieuwe jaartelling werd vóór de achtste eeuw weinig gebruikt, maar werd in de loop van de tiende eeuw algemeen. Reeds in de middeleeuwen ontstonden problemen doordat iedere eeuw volgens de Juliaanse kalender ruim drie vierde dag te lang was. In de zestiende eeuw was de fout opgelopen tot tien dagen. Paus Gregorius XIII hervormde de kalender door te besluiten dat op 4 oktober 1582 onmiddellijk 15 oktober 1582 zou volgen en dat alle schrikkeljaren op een vol eeuwtal dat niet door 400 deelbaar is, zouden vervallen.

Daardoor wordt de gemiddelde lengte van het Gregoriaanse jaar 365,2425. Het verschil met het ware tropische jaar (365,2422 dagen) is zo gering, dat pas in de verre toekomst een nieuwe aanpassing nodig zal zijn. Dit ontwerp is uitgedacht door een geneesheer uit Calabrië, Aloysius Lilius, en bijgewerkt door een pauselijke commissie met Christophorus Clavius als secretaris.

De Gregoriaanse kalender is zoals verteld slechts langzaam buiten de Kerkelijke Staat en de geheel katholieke landen aanvaard: in Engeland en de koloniën (Noord-Amerika) eerst in 1752, in Duitsland volledig in 1776, in Zweden in 1823, in Rusland pas in 1918. In dat land was het verschil inmiddels opgelopen tot dertien dagen. In Nederland is de Gregoriaanse kalender in de verschillende provincies op diverse tijdstippen tussen 1582 (Holland en Zeeland) en 1701 (Drenthe) in gebruik genomen.

Het herleiden van data uit een andere kalender in de Gregoriaanse is vaak moeilijk doordat niet alleen met de verschillen tussen de tijdrekenkundige stelsels rekening moet worden gehouden, maar ook met plaatselijke afwijkingen en met de gevolgde jaarstijl, dit wil zeggen op welke dag het jaarcijfer verandert. In de middeleeuwen was het in een aantal gebieden gebruikelijk de eerste dag van het jaar te stellen op Maria Boodschap (25 maart) (Annuntiationsstil, calculus Florentinus).

In andere gebieden volgde men de Kerststijl (vooral in Duitsland) of de Paasstijl (Frankrijk). In de loop van de zestiende eeuw werd de Nieuwjaarstijl (1 januari) vrij algemeen in Europa. Tot de invoering van de Gregoriaanse kalender bleef het in Engeland gebruikelijk Lady’s Day (25 maart) als de dag van de jaarwisseling te beschouwen. Het Engelse jaar 1751 heeft daardoor maar 9 maanden geduurd.

Hoewel de Gregoriaanse kalender in de meeste landen van de wereld, althans in het internationale verkeer, ingang heeft gevonden (in veel landen houdt men voor nationaal en religieus gebruik nog vast aan een eigen kalender), wordt deze niet beschouwd als de meest ideale opstelling. Er zijn dan ook reeds verschillende voorstellen tot herziening gedaan.

Hierbij werd vooral gedacht aan het realiseren van een vaste, of althans een uniforme paasdatum die zowel aanvaardbaar zou zijn voor de oosterse als voor de westerse christelijke kerken. Ook werden hervormingsplannen opgesteld met het doel tot een wereldkalender te komen met een betere verdeling van de kalenderperioden, hetgeen vooral interessant zou zijn bij economische, administratieve en statistische activiteiten.

Reeds in 1834 stelde de Italiaan Marco Mastrofini een kalender van 364 dagen voor, bestaande uit 52 weken, zodat een datum altijd op dezelfde dag zou vallen; de laatste dag van het jaar en schrikkeldagen zouden extra dagen zijn, buiten de weken. In 1849 stelde (Isidore) Auguste Comte een kalender voor met 13 maanden van 28 dagen, zodat in iedere maand de data op dezelfde dag zouden vallen, met buiten de weken en de maanden vallende extra dagen. Als nadeel van dit systeem werd aangevoerd dat 13 een ondeelbaar getal is.

In 1888 kwam Gustave Armelin met een voorstel om het jaar te verdelen in twaalf maanden en vier even lange kwartalen van 91 dagen, ook weer met de extra dagen buiten het systeem. In 1923 werd door de Volkenbond een speciale commissie voor kalenderhervorming ingesteld die enkele honderden voorstellen bestudeerde.

In 1954 en 1956 werd het vraagstuk in de Verenigde Naties besproken. De westerse kerken zouden zich inmiddels niet meer tegen een herziening van de burgerlijke kalender verzetten, mits de zevendaagse week gehandhaafd bleef. Een poging om in 1977 tot een vaste paasdatum te komen voor zowel de westerse als de oosterse kerken mislukte.

De Internationale Astronomische Unie (IAU) heeft een Juliaanse eeuw gedefinieerd als 36.525 dagen. De astronomische eenheid van tijd is een tijdsinterval van 1 dag = 86.400 seconden. Het is voorts opmerkelijk dat internationaal de lengte van de weken en de maanden, noch de conceptie van de Gregoriaanse kalender is vastgelegd.

Paus Gregorius XIII (Ugo Buoncampagni, 1502-1585), was paus van 1572 tot 1585, had een groot aandeel in de redactie van de hervormingsdecreten van het Concilie van Trente. In 1565 werd hij kardinaal en pauselijk legaat in Spanje. Mede onder invloed van Filips II en van kardinaal Granvelle werd hij op 13 mei 1572 gekozen als opvolger van Pius V.

Hij zette op mildere wijze het hervormingswerk van zijn strenge voorganger voort, door te trachten overal de besluiten van Trente ingang te doen vinden. Daarom ook steunde hij elke poging tot herwinning van gebieden die voor het katholicisme verloren leken: vandaar zijn vreugde om de verijdeling van het ‘Hugenotencomplot’ (zo werd hem de Bartholomeüsnacht of de beruchte Bloedbruiloft voorgesteld), zijn steun aan Ierse opstandelingen en aan moordplannen tegen Elizabeth I, en zijn adhesie aan de Contrareformatie in de Spaanse Nederlanden en in Duitsland.

Vandaar ook zijn herenigingspogingen in Rusland (door bemiddeling van Possevino) en zijn grote vriendschap met figuren als Borromeo, Neri, Baronio en Bellarmino (die hij in 1576 naar Rome riep). Hij steunde de jezuïeten en keurde de hervormde regel van Theresia van Ávila goed (1580). Gregorius XIII was een groot bevorderaar van de kerkelijke wetenschappen. Vele ‘nationale’ colleges voor priesteropleiding kwamen door zijn toedoen te Rome tot stand.

De huidige Pontificia Universitas Gregoriana, ontstaan uit het Collegium Romanum, is genoemd naar hem als tweede stichter. Zijn vele uitgaven, onder andere voor grote Romeinse bouwwerken (waaronder in 1574 de bouw van Palazzo del Quirinale), verstoorden de financiën van de Pauselijke Staat, die pas hersteld werden door zijn opvolger, Sixtus V. Zijn grafmonument in de Sint-Pietersbasiliek (met een tafereel rond de voorstelling van de kalender), gerealiseerd door Rusconi, bevindt zich bij de door hem gebouwde cappella Gregoriana.

Advertenties

Eén reactie to “De kalender van Julius Caesar”

  1. Leuk! artikel, zeer lezenswaardig. Jammer dat niet ook alle uitzonderingen op aarde genoemd worden, zoals de Joodse en Chinese jaartelling.
    Wat Rome betreft is het misschien nog het vermelden waard dat Mussolini op 29 oktober 1922 (de mars op Rome) weer begonnen is met het jaar 1. Om die reden staat op gebouwen uit de fascistische periode soms nog een jaartal (in Romeinse cijfers) dat hiermee correspondeert.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s