De speeltuinen van de Romeinen

Heel wat Romebezoekers weten niet dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen gebouwen zoals het Colosseum en het Theater van Marcellus, tussen sportieve wedstrijden, gladiatorengevechten, wagen- en paardenrennen, theaterspelen en de zogenaamde naumachie of zeeslagen. Al die spelen en vermakelijkheden hadden inderdaad allemaal hun eigen locatie. In het Theater van Marcellus werden dus echt geen gladiatorengevechten gehouden zoals we een gids eens hoorden vertellen, net zomin als er in het stadion van Domitianus op de locatie van de huidige Piazza Navona op leven en dood werd gevochten tegen leeuwen, neushoorns en olifanten.

Naumachie (naumachia = zeeslag) waren bij de Romeinen een, door Caesar geïntroduceerde, opvoering van een scheepsstrijd, waarbij werkelijk gevochten werd. De bemanningen bestonden doorgaans uit krijgsgevangenen, veroordeelde misdadigers en gladiatoren. Deze zeeslagen hadden aanvankelijk plaats in (al of niet kunstmatige) meren, sinds Nero in de ondergelopen arena van een amfitheater en later in speciale theaters, eveneens naumachiae genaamd.

De gladiatorenspelen waren naast de paardenrennen een populaire vorm van amusement in het Romeinse Rijk. Gladiatorengevechten vonden plaats tussen mensen onderling of tegen dieren. Gladiatoren werden gerekruteerd uit krijgsgevangenen, slaven, ter dood veroordeelde misdadigers en armen die zich verhuurden in de hoop rijkdom te vergaren. De winnaars wachtte immers grote populariteit en hoge prijsgelden.

De spektakels duurden soms verscheidene dagen, waarbij soms duizenden dieren maar ook heel wat mensen werden gedood. Het middelpunt van deze spelen werd vanaf de eerste eeuw gevormd door het nog steeds imposante Colosseum te Rome. Dit amfitheater kon zowat 50.000 toeschouwers herbergen. Ondanks de wreedheid van dergelijk amusement, waren de protesten hiertegen gering. De filosoof Lucius Annaeus Seneca, actief in de tijd van keizer Nero, vormt een uitzondering:

‘Ik kan nauwelijks iets bedenken dat slechter voor het karakter is dan de Spelen. Zelfs als je ervan geniet, geven zij de ondeugd vrij toegang tot je geest. Hoe het ook zij, dit is mijn ervaring: wanneer ik naar de Spelen ga, kom ik hebzuchtiger, begeriger en met meer lust om me extravagant te gedragen, terug. Ik ben wreder en minder menselijk, alleen omdat ik me tussen andere mensen heb begeven”.

Niet zo lang geleden bezocht ik ’s middags de Spelen. Ik verwachtte een schouwspel met dieren, iets leuks of ontspannends, dat je ogen even afhoudt van de aanblik van het bloed van mensen. Maar ik werd teleurgesteld: er hadden al wat gevechten plaatsgevonden, maar die waren zachtaardig bij wat komen ging. We werden nu onthaald op een complete slachting. Mannen vochten zonder ook maar enige beschermende kleding te dragen. Hun hele lichaam kon geslagen worden, en geen enkele uitval miste zijn doel. […] Het einde van ieder gevecht is de dood te vuur en te zwaard. En dit gaat door, ook wanneer de arena verlaten is.’ (Epist. VII, 2-5).

Voorlopers van affiches (bekendmakingen in gebeitelde of geschreven vorm) kwamen reeds voor in de oudheid, zoals bv. blijkt uit een Egyptische papyrus uit de tweede eeuw v. Chr. (Musée du Louvre, Parijs), waarop een prijs wordt uitgeloofd voor het terugbrengen van weggelopen slaven. Ook de zogenaamde albums die zijn teruggevonden in Pompeii, met reclame van boekhandelaren en voor het bezoek aan gladiatorengevechten en toneelvoorstellingen, kunnen worden beschouwd als aankondigingen of als een soort programmafolder. Soms waren deze albums geïllustreerd met afbeeldingen van de acteurs in hun glansrollen.

Een amfitheater (de naam is afkomstig van het Griekse amphi = rondom, theatron = gebouw voor schouwspelen) is ondanks zijn Griekse naam een typisch Romeins bouwwerk, bestemd voor het houden en bijwonen van gladiatoren- en wilde dierenspelen. Het bestaat uit een elliptische arena met rondom trapsgewijs oplopende zitplaatsen. Onder de arena bevonden zich dienstvertrekken en stallen voor de dieren. Tijdens de spelen kon een spandoek (velarium) de toeschouwers tegen zon of regen beschermen. Van buiten zijn arcaden in twee of meer verdiepingen aangebracht. Vaak is het amfitheater gedeeltelijk in een heuvel uitgegraven.

Het oudst bekende stenen amfitheater staat in Pompeii (75 v. Chr.) en is op een wandschildering daar compleet met velarium en al afgebeeld. In Rome werd pas in 29 v. Chr. het eerste permanente amfitheater, gedeeltelijk uit steen, gebouwd op het Marsveld (Campus Martius). Bij de grote brand van Rome in 63 na Chr. ging dit gebouw verloren. Het eerste volledig uit stenen opgetrokken amfitheater werd in Rome door de Flavische keizers gebouwd in de tweede helft van de eerste eeuw na Chr.: dit is natuurlijk het befaamde Colosseum.

Elke Romeinse stad van enige betekenis, in Italië of in de provincies, had haar eigen amfitheater; een uitzondering is enkel Griekenland, waar er alleen eentje in Korinthe was. Goed bewaard gebleven zijn vooral, behalve de bovengenoemde, de amfitheaters van Nîmes en Arles (eerste eeuw), Pula (eerste eeuw), El Djem (derde eeuw) en Verona (eind derde eeuw). Ook in Duitsland, Spanje en Zwitserland zijn enkele amfitheaters redelijk gaaf bewaard gebleven. De ‘arènes de Lutèce’ in Parijs (Rue Monge), gebouwd in de tweede of de derde eeuw na Chr. en gerestaureerd in 1917-1918, is een tot theater verbouwd half-amfitheater.

De circensische spelen (ludi circenses) waren de spelen die in het oude Rome in een circus werden gegeven. Zij droegen wel een sacraal karakter, maar werden door een magistraat geleid en uit de staatskas of de particuliere kas van de magistraten betaald. Naast de oudste, de ludi Romani, kwamen spoedig de ludi plebeii, onder leiding van plebejische edielen. Daarna werden ingesteld de ludi Apollinares, Ceriales, Megalenses en Florales. Later kwamen daar verschillende spelen ter ere van veldheren en keizers bij, speciaal van Augustus, zodat het aantal steeds groter werd.

De ludi circenses bestonden uit wedrennen met wagens en paarden. In de keizertijd traden ook Griekse atleten en dieren op; gladiatorenspelen waren echter van de eigenlijke circensische spelen gescheiden. De menners onderscheidden zich door kleuren (wit, rood, groen en blauw, later ook goud en purper); elke ‘stal’ had zijn supporters (vaak met een politieke achtergrond) en er werd zwaar gewed. In het circus (hippodromos in het Grieks) van Constantinopel leidden relletjes van de politieke ‘partijen’, die de ploegen organiseerden, onder keizer Justinianus I (532) zelfs tot een revolutie.

De volksgunst werd dikwijls door het geven van kostbare spelen verworven. Volgens de satiricus Juvenalis verlangde het Romeinse volk in de keizertijd slechts ‘panem et circenses’ (brood en spelen). Dat zou een bekende uitdrukking worden die ook vandaag nog weleens wordt gebruikt.

De bestuursambtenaar Publius Cornelius Tacitus publiceerde in 98 na Chr. een biografie over zijn schoonvader Agricola. Vanaf dat moment was zijn naam als geschiedschrijver gevestigd. In hetzelfde jaar verscheen van zijn hand de monografie Germania, gewijd aan het land en volk der Germanen. Hoewel Tacitus zei ‘sine ira et studio’ (zonder verbittering of voorkeur) te schrijven, weerspiegelt zijn werk een duidelijke afkeer van het keizerlijke Rome. In Germania laat hij zich zelfs de kans niet ontnemen Rome te hekelen. Hierna volgt een typerende passage uit Germania, waarin Tacitus het verval van onderwijs en opvoeding aan de kaak stelt.

“Eertijds werd in elk gezin de zoon, kind van een eerbare moeder, opgevoed niet in de kamer van een gehuurde min, maar op de schoot en aan de borst van een moeder, wier grootste roem het was over haar gezin te waken en in dienst te staan van haar kroost… In onze dagen echter wordt het kind van zijn eerste levensdagen af toevertrouwd aan een of andere Griekse dienstmeid, die men door een slaaf laat bijstaan: meestal zijn het wezens van minder allooi en tot enig ernstig werk ongeschikt… Het komt me voor, dat zelfs de gebreken die het eigen en specifiek karakter van onze stad uitmaken, om zo te zeggen in de moederschoot opgenomen worden: ik bedoel de lust naar het toneel, de gladiatoren en paardenrennen. En waar nu eenmaal die hartstocht de geest overweldigt en in beslag neemt, kan er daar nog wel enige plaats overblijven voor schone kunsten?”.

Een theater (van het Griekse theatron = gebouw waarin een schouwspel plaatsvindt en theaomai = bekijken) was in het Oude Rome een gebouw bestemd voor het opvoeren van schouwspelen van velerlei aard. De enige constante is het in levenden lijve optreden van personen die voor een publiek een – meestal vooraf in een tekst vastgelegd – gegeven uitbeelden door middel van handelingen, gebaren, al of niet met een gesproken of gezongen tekst (toneel, opera, dans, enz.).

Het klassieke Griekse theater, dat in Europa aan de basis ligt van alle latere vormen van theaterbouw, werd voorafgegaan door het vóórklassieke, archaïsche theater, oorspronkelijk een offerplaats, bestaande uit een verdiept speelvlak, omgeven door oplopende rijen voor de toeschouwers (zoals bv. het theater in het paleis van Phaestus op Kreta).

In het klassieke theater, dat bekend is uit de vijfde eeuw v. Chr. werd de ronde orchestra – de speelplaats voor het koor – voor vijf/negende omgeven door ronde, oplopende rijen voor de toeschouwers, altijd gebouwd tegen de helling van een heuvel. Het overige gedeelte van de orchestra werd afgesloten door de scaena (skènè), een oorspronkelijk van hout, later van steen opgetrokken gebouwtje dat aanvankelijk werd aangewend als kleedruimte en bewaarplaats voor de attributen, later echter ook als visuele achtergrond voor de handeling.

De zitplaatsen voor de toeschouwers waren door naar beneden leidende trappen in verschillende vakken (kerkides) ingedeeld; tussen de scaena en de rijen zitplaatsen lagen aan weerszijden de ingangen (parodoi).

De Romeinen, die voor gladiatorengevechten, wildebeestenspelen e.d. reeds het amfitheater kenden, namen voor het toneeltheater in principe het Griekse theater, zij het met enige wijzigingen, over. Zij bouwden de theaters niet tegen de helling van een heuvel, doch vrijstaand, meestal in een stad, met hoge muren eromheen als afsluiting. De orchestra werd gehalveerd, de toeschouwers werden in de vorm van een halve cirkel rond de orchestra geplaatst. Als speelruimte werd deze nauwelijks nog gebruikt.

De Romeinen bouwden een diep speelvlak, dat misschien aan het oog kon worden onttrokken door een gordijn. De achtergrond werd gevormd door een hoge muur, veelal ingedeeld door middel van zuilen, nissen, aediculae en dergelijke. Deze theatervorm verbreidde zich over de Romeinse koloniën, niet alleen in Italië zelf en in Griekenland, waar de Griekse theaters werden aangepast aan de Romeinse inzichten, maar ook daarbuiten (bv. in Arles, Orange en Lyon), waar zij ongetwijfeld dienst deden als verstrooiingscentra voor de in de koloniën gelegerde militairen en hun families. De indeling van het publiek was hiërarchisch geregeld: belangrijke functionarissen zaten op de eerste rijen, vrouwen en het profane vulgus vonden hun plaatsen boven, op de achterste rijen.

Hoe deze theaters in het middeleeuwse Europa werden gebruikt, is niet precies bekend. Toen het middeleeuwse passiespel en mysteriespel buiten de kerken opgevoerd gingen worden, ontwikkelden zich verschillende vormen in de verhouding toeschouwers/uitvoerenden. Bij de laat-middeleeuwse wagenspelen in Engeland en Spanje bv. verplaatsten de uitvoerenden zich.

Elders, in Duitsland en Nederland, liep het publiek van de ene naar de andere wagen. In Frankrijk bevonden alle uitvoeringsplaatsen van het mysteriespel zich naast elkaar op één breed podium; het publiek bevond zich tegenover het podium, hetzij staand, hetzij zittend op een houten stellage, compleet met galerijen en loges, waarschijnlijk een overblijfsel van de bouwsels die bij toernooien voor het publiek werden opgericht. In Engeland ontstond de eerste, primitieve vorm van een vast theater, nl. op de binnenplaatsen van herbergen. Vanuit de ramen en galerijen rond de binnenplaats kon de voorstelling die daar werd gegeven, worden gadegeslagen.

Vanuit dit principe werd het eerste Europese vaste theater gebouwd: het Swan-theatre in Londen (1556): verschillende verdiepingen galerijen omsloten een niet overdekt ovaal grondvlak, waarop, enigszins verhoogd, een rechthoekig speelvlak, waaromheen het staande publiek zich aan drie zijden kon scharen. Het speelvlak was voorzien van een klein, houten paviljoen, de ‘inner stage’, rustend op twee palen die mede in het spel werden betrokken; erboven was een verdieping met zuilengalerij, de ‘upper stage’.

De herontdekking van het antieke drama tijdens de renaissance leidde in Italië tot de reconstructie, aan de hand van de geschriften van Vitruvius, van het Grieks/Romeinse theater: de plattegrond van het – oorspronkelijk niet overdekte – Teatro Olimpico in Vicenza (1579) is half-ovaalvormig; een breed, ondiep toneel wordt afgesloten door een muur, waarin een middenpoort en twee zijpoorten, als achtergrond. Achter deze poorten bevonden zich, gedeeltelijk plastisch, perspectivisch geschilderde, sterk oplopende straten. Ook in elk van de zijwanden bevond zich een dergelijke poort, waarachter een geschilderde straat.

De neiging het toneel te verdiepen leidde tot een nieuwe vorm als die van het Teatro Farnese in Parma (1618). Het was voorzien van een aan de voorzijde open toneel met beschilderde coulissen. De tonelen in de Italiaanse theaters en later ook die van de theaters in heel Europa beschikten over een zeer gecompliceerde machinerie om de vaak ingewikkelde theatereffecten als godenverschijningen en vliegende genii mogelijk te maken. De overdekte theaters werden langgerekter en smaller; ongetwijfeld mede een gevolg van de beperkingen in de overspanningstechniek.

De renaissancetheaters waren vrijwel allemaal hoftheaters; pas later, in de periode van de barok, werden ze voor het grote publiek toegankelijk. In de Amsterdamse schouwburg (Jacob van Campen, 1637) werden, naast de tradities van de rederijkerstonelen, ook de Engelse en de Italiaanse principes toegepast. Het grondvlak was in tweeën verdeeld: de parterre met staanplaatsen en een verhoogd toneel met vaste, alleen in details wijzigbare toneelbouw. De parterre werd omsloten door twee verdiepingen loges, waarboven de galerijen.

In 1664 werd dit Amsterdamse theater omgebouwd ‘na d’Italiaanse manier’: een zeer diep, verhoogd toneel met beschilderde, verwisselbare coulissen werd door een gordijn van de toeschouwersruimte gescheiden. Deze laatste bestond uit de parterre, in de vorm van een half ovaal, met zitplaatsen en omgeven door de loges, waarboven galerijen. Deze vorm hadden ook de theaters die voor tijdelijk gebruik, bij vorstelijke huwelijken, bij kroningen e.d., werden opgericht. Bij uitvoeringen van opera’s, balletten of zangspelen bevonden de musici zich vóór het toneel in een van het publiek afgescheiden, niet verzonken orkestbak.

Dit principe heeft zich lang gehandhaafd, tot de eerste decennia van de twintigste eeuw. Het theatergebeuren werd daardoor een voornamelijk frontaal gerichte en overwegend visuele beleving, nog versterkt door de ten opzichte van het toneel oplopende vloer van de parterre, een inventie van de late achttiende eeuw, evenals de verdiepte orkestbak. In het Festspielhaus van Bayreuth (1872), bekend van de Bayreuther Festspiele, werd de orkestbak geheel verzonken; de musici werden onzichtbaar voor het publiek.

Advertenties

Eén reactie to “De speeltuinen van de Romeinen”

  1. Giannidipanni Says:

    Leuk artikel. Is het nog het vermelden waard dat na ettelijke branden op het toneel een brandscherm werd geïntroduceerd, neergelaten bij iedere pauze om de toeschouwers te sparen bij een incident? En dat dit principe in het hedendaagse iedere computer beschermt middels een firewall.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s