Archeologen leggen Romeinse markteconomie bloot

De Romeinse economie was veel meer een markt dan een bazaar, en was meer gestructureerd en geïntegreerd in de regio dan onderzoekers tot nu toe soms dachten. Dat besluiten archeologen van de KU Leuven nadat ze gegevens over tienduizenden opgegraven serviesscherven in computermodellen toetsten aan theorieën van historici en economen. Professor Jeroen Poblome leidt het Sagalassos-project en is dus gespecialiseerd in de archeologie van het oosten van het Romeinse rijk. Daarnaast heeft ook hij ook het Icrates-project opgestart. Dat inventariseert archeologische vondsten van servies – borden, kommen, bekers, … en onderzoekt wat we uit de verspreiding ervan kunnen leren.

“We zitten ondertussen aan zo’n 40.000 beschreven scherven, afkomstig van enkele honderden sites. Dergelijke grote verzamelingen van archeologische gegevens hebben een enorm potentieel. Door onze gegevens in computermodellen samen te brengen met historische theorieën, kunnen we nagaan of die theorieën wel stroken met de realiteit van archeologische vondsten. We kunnen in die modellen bijvoorbeeld bepaalde parameters wijzigen – denk aan de voorraden en prijzen van het servies – en zo controleren of een theorie over de Romeinse economie nog wel oplevert wat de archeologische gegevens zeggen dat ze moet opleveren. Zo krijg je een veel duidelijker beeld van de economische realiteit van toen dan tot nu toe mogelijk was”, zegt professor Poblome.

Een dergelijk gebruik van archeologisch materiaal is nieuw. Historici maken soms wel gebruik van grootschalige statistische data over bijvoorbeeld het aantal gezonken schepen in de Middellandse Zee of metaalpollutie in het pakijs van de Noordpool. Maar gegevens over de verspreiding van eenvoudige en goedkope objecten als bekers en borden leren veel meer over de dagelijkse economische realiteit van de mensen in die tijd.

Concreet onderzochten Poblome en zijn collega Tom Brughmans (University of Konstanz & University of Southampton) twee theorieën, die allebei beweerden de economie van het Romeinse rijk te typeren. De eerste zou je de theorie van de bazaar kunnen noemen: die beschrijft een economie die maar in beperkte mate geïntegreerd was in de ruimere samenleving. Handelaars vormden min of meer hun eigen protectionistische groepjes. Ze hadden maar weinig besef van prijzen in de ruimere omgeving, de vraag naar en beschikbaarheid van goederen enzovoort. Hun informatie was beperkt, hun werkterrein chaotisch, hun resultaten onvoorspelbaar.

De tweede zou je als de theorie van de markt kunnen beschouwen: die stelt dat er sprake was van een heel wat grotere mate van integratie. Via toenmalige sociale netwerken beschikten handelaars volgens deze visie wel degelijk over goede informatie en konden ze prijzen en voorraden goed afstemmen op de lokale noden. Ze hadden ook zicht op de ruimere economische mogelijkheden in het mediterrane gebied.

“Er is op het eerste gezicht iets te zeggen voor beide theorieën. Maar als je ze, zoals wij gedaan hebben, in een computermodel confronteert met archeologische gegevens, kan je goed aangeven welke theorie het best overeenstemt met het distributiepatroon van tafelaardewerk. Dat blijkt overduidelijk de theorie van de markt te zijn. Ik geef een voorbeeld om het te illustreren. Op een bepaalde opgraafplaats vind je nooit alleen servies van één productiecentrum terug. En je graaft ook nooit twee identieke sets van servies op. Dat kan je alleen verklaren door een duidelijke vraag naar goederen gekoppeld aan een ruim en snel vernieuwend aanbod – en laat dat net kenmerken van een markteconomie zijn”, zegt professor Poblome.

“Uit onze archeologische gegevens kun je opmaken dat de Romeinse economie een wijdverspreide en gelaagde distributie kende. Er waren grootschalige, internationale productiecentra, waarvan je materiaal aantreft over een heel ruim gebied. Daaronder had je een reeks meer lokale centra, genre Sagalassos, die een minder grote, maar nog altijd vrij ruime regio bedienden. En daar weer onder had je lokale bedrijfjes. De Romeinse markt was met andere woorden een sterk en robuust apparaat: handelaars konden over een ruim gebied actief zijn en beschikten via goede netwerken over degelijke informatie over de wensen en noden van de consument.”

“De koppeling van historische theorie en archeologische realiteit heeft ons in staat gesteld om duidelijk te kiezen voor een welbepaald geschiedkundig inzicht. Dat is een nieuwe manier van omgaan met archeologische data, die plots een veel bredere wetenschappelijke relevantie krijgen. Mooi resultaat, toch, met wat oude potscherven?”, besluit Jeroen Poblome.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s