De pop van Crepereia Tryphaena

We hebben er al vaker over geschreven, maar één van onze favoriete musea in Rome blijft nog steeds de Centrale Montemartini aan de Via Ostiense. Toeristen komen hier relatief weinig, wat een beetje vreemd is omdat je een toegangsticket voor de Capitolijnse Musea kan combineren met een toegang voor deze Centrale Montemartini. Het is iets minder vreemd als je weet dat dit laatste museum een (klein) beetje buiten het historische centrum ligt en dus even verder dan de klassieke platgetreden paden.

In de Centrale Montemartini vind je een zeldzame combinatie van industriële archeologie en kunst uit de oudheid. Net vóór de zomer werden een aantal nieuwe topstukken vanuit de opslagplaatsen van de Capitolijnse musea naar de Centrale Montemartini overgebracht. Deze kunstwerken waren tot dusver niet toegankelijk voor het publiek, op een paar werken na die in het verleden werden getoond op een tijdelijke tentoonstelling. Onder de nieuwe topstukken bevindt zich de befaamde ivoren pop van Crepereia Tryphaena. Ze zijn voorlopig tot 8 januari 2017 te zien, maar de kans is behoorlijk groot dat deze expo wordt verlengd of zelfs permanent wordt.

Op het gelijkvloers van het museum is een nieuwe kleine zaal gewijd aan de begrafenis van Crepereia Tryphaena en haar schitterende ivoren pop. De sarcofaag met daarin het zeer goed bewaarde skelet van dit meisje dat omstreeks 170 na Chr. net vóór haar bruiloft op zowat 18-jarige leeftijd overleed, werd op 10 mei 1889 ontdekt tijdens de bouw van het justitiepaleis aan het huidige Piazza dei Tribunali.

Toen de sarcofaag werd geopend zag men op de schedel van het meisje lange haren die leken te bewegen in het water. In feite waren het de bladeren en takken van een waterplant die in de schedel was gegroeid en waardoor de indruk ontstond van een vreemdsoortige haartooi. Samen met het skelet werden echter ook kostbare oorbellen, broches en een kroon ontdekt. Het meisje behoorde duidelijk tot een rijke en aristocratische familie. Aan haar hand bevonden zich drie ringen. In een cameo was de naam Filetus geëtst, waarschijnlijk de verloofde en toekomstige echtgenoot van de jonge vrouw.

In het graf bevond zich nog een tweede sarcofaag, met daarin het skelet van Crepereio Euhodo. Nadat de ontdekking bestudeerd was, werden beide grafkisten tot 1928 tentoongesteld in het Museo del Palazzo dei Conservatori, de Musei Capitolini dus. In 1929 werd het Antiquarium Comunale al Celio opgericht, een nieuw museum bedoeld om de verschillende aspecten van de oude Romeinse beschaving te documenteren. Ook de sarcofagen verhuisden naar deze nieuwe vestiging.

Het gloednieuwe gebouw was duidelijk niet voor de eeuwigheid opgetrokken en stortte amper tien jaar later gedeeltelijk in. De grafkisten kwamen uiteindelijk terecht in de magazijnen van de Capitolijnse Musea en kwamen nadien nog twee keer tevoorschijn, ter gelegenheid van een tijdelijke tentoonstelling in Rome en eentje in Turijn.

Veel belangrijker dan de kostbare juwelen en andere grafvondsten in de sarcofaag van Crepereia Tryphaena, was echter de ontdekking van een schitterende pop. Het meesterwerkje is 23 cm hoog. De pop is vervaardigd uit ivoor, hoewel dit in de loop der eeuwen zodanig verkleurd is dat je zou vermoeden dat het ebbenhout is. Het gezichtje van de pop is bijzonder fijn gesneden. Het figuurtje heeft een fraai kapsel; het haar is in zes vlechten om het hoofdje gedraaid.

De armen zijn verbonden met het lichaam met speciale pennen terwijl de benen van de pop netjes in nauwkeurig uitgesneden holtes in het bekken zijn ingevoegd. De armen en benen kunnen zelfs bewegen en een speciaal mechanisme maakt mogelijk dat ook elleboog en knie afzonderlijk kunnen bewegen. Het geheel is zorgvuldig gecamoufleerd en wanneer de knie- en elleboogdelen terug worden ingeklapt valt het nauwelijks op dat het om bewegende onderdelen gaat. Op alle bewegende delen zit ook een veiligheidsmechanisme: ze kunnen worden vergrendeld.

De constructie van deze pop gebeurde met een zodanige precisie en vakmanschap dat het haast niet te geloven is dat het voorwerp bijna tweeduizend jaar oud is. Om een dergelijke pop te kunnen vervaardigen moet de maker een buitengewoon technisch niveau bereikt hebben. Een gewone speelgoedmaker was het alleszins niet.

Het feit dat de pop het meisje vergezelde op haar reis naar het hiernamaals, duidt erop dat het meisje overleed voordat ze trouwde. Het was immers de gewoonte dat jonge meisjes aan de vooravond van hun bruiloft het speelgoed van hun jeugd aan Venus offerden, maar als ze vóór die gebeurtenis stierven kregen ze de objecten mee in het graf.

De nieuwe installatie in de Centrale Montemartini zet zich voort in de aangrenzende kamer waarin drie prachtige veelkleurige mozaïeken uit de Republikeinse tijd worden getoond. De mozaïeken zijn zodanig geraffineerd afgewerkt dat ze, samen met de voormelde pop, een (hernieuwd) bezoek aan het museum de moeite waard maken. Niet zoveel mensen zullen deze fraaie pop en de mozaïeken al hebben gezien, vanaf nu krijg je dus de kans.

Nog een andere mooie mozaïek toont een afbeelding van Persephone, in de Griekse mythologie de godin van het dodenrijk. Ze was de dochter van Demeter, de godin van de landbouw en het graan, en de oppergod Zeus. De Romeinse varianten van Demeter en Zeus zijn Ceres en Jupiter. De Romeinen vereerden Persephone als Proserpina. Zij werd daar ook gelijkgesteld met de godin Libera.

Toen vanaf 1997 de Capitolijnse musea verbouwd en gerenoveerd werden, werden honderden beeldhouwwerken voorlopig in de elektriciteitscentrale Montemartini ondergebracht om ze toch voor het publiek toegankelijk te houden. De bedoeling was om met een gedeelte van de kunst uit de Capitolijnse Musea in de oude centrale enkele tentoonstellingen te houden, in afwachting van de voltooiing van de verbouwing.

De eerste tentoonstelling heette niet toevallig ‘Goden en machines’. Klassieke beeldhouwwerken en industriële archeologie werden er naast elkaar geplaatst, met parallellen tussen twee werelden, die waarin de goden overheersten en die waarin de machines god zijn. Het gedurfde samengaan van zeer oud en veel minder oud was een succes en uiteindelijk werd beslist de Centrale Montemartini uit te bouwen tot een heus museum, dat een gedeelte van de collectie uit de Capitolijnse Musea in een permanente opstelling zou tonen aan het publiek.

In 2005 keerde een deel van de kunstwerken naar de Capitolijnse musea terug, de rest bleef. Het resultaat is een museum met een erg bijzondere sfeer en waarin absoluut prachtige dingen uit de oudheid te zien zijn. De Centrale Montemartini toont o.a. de resultaten van de opgravingen uitgevoerd tussen het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, waarbij het vaak prachtige, maar grotendeels onbekende stukken betreft, gaande van de tijd van de Republiek tot de Keizertijd.

De Centrale Montemartini is genoemd naar de ingenieur die het gebouw in art nouveaustijl ontwierp. Hier opende in 1912 de allereerste elektriciteitscentrale van Italië de deuren, wat op zich al een stukje geschiedenis is. De elektriciteitscentrale bleef tot 1950 in gebruik. Begin 1990 werd begonnen met restauratiewerkzaamheden, waarbij niet enkel het gebouw, maar ook de machines, twee generatoren en een verwarmingsketel, behouden bleven.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s