De belangrijkste kunstwerken in de Centrale Montemartini

Gisteren brachten we het verhaal dat net vóór de zomer een aantal nieuwe topstukken vanuit de opslagplaatsen van de Capitolijnse musea naar de Centrale Montemartini werden overgebracht. Deze kunstwerken waren tot dusver niet toegankelijk voor het publiek, op een paar werken na die in het verleden werden getoond op een tijdelijke tentoonstelling. Onder de nieuwe topstukken bevindt zich de befaamde ivoren pop van Crepereia Tryphaena, waarover je in een vorig stukje wat meer te weten kwam.

De ontstaansgeschiedenis en het oorspronkelijke doel van de Centrale Montemartini aan de Via Ostiense, waar het publiek sinds 1997 een zeldzame combinatie van industriële archeologie en kunstwerken uit de oudheid aantreft en die sinds 2005 in een permanente opstelling aan de bezoekers worden getoond, kwam eveneens al aan bod. Vandaag en morgen brengen we een gedetailleerd bezoek aan de belangrijkste kunstwerken in de Centrale Montemartini.

Na de balie aan de ingang is het eerste alleenstaande beeld dat je ziet een replica van de Aphrodite van Kallimachos van het einde van de vijfde eeuw v. Chr. Dit beeld was het prototype dat gedurende eeuwen gebruikt werd voor de voorstelling van Venus, zoals bijvoorbeeld de Venus Genetrix, die zich in de gelijknamlige tempel op het Forum van Caesar bevond.

We volgen rechts de gang, waarna je best direct links neemt en arriveert in de Salle delle Colonne. Na enkele funeraire beelden merk je in een hoek de ‘Togato Barberini’ uit 10 v. Chr. Het rechtopstaande beeld toont een hoogwaardigheidsbekleder die twee hoofden in de handen houdt. Enkel patriciërs hadden het voorrecht wassen beelden van hun voorouders te laten maken die bij bepaalde private en publieke plechtigheden door de pater familias ‘gedragen’ werden.

Met het portret van zijn grootvader en van zijn vader in zijn handen, manifesteert deze man zijn sociale status. De rijke draperieën van zijn toga en de dwarse plooien, zijn een goed voorbeeld van de hang naar realisme en fijn beeldhouwwerk. Dit in de Oudheid reeds beroemde beeld werd tijdens de zeventiende eeuw ‘gerestaureerd’. Merk op dat het hoofd oorspronkelijk een op zichzelf staand beeld was.

Achter ons, helemaal achteraan, vind je in een kleine zaal tegen de muur, een prachtige mozaïek met vissen. Het getuigt van de verfijnde expressie en het realisme dat de Romeinen bereikten bij naturalistische afbeeldingen. Links hiervan, in een vitrine, zien we een merkwaardig ‘hoofd van Augustus’, gemaakt uit zeldzaam groen Egyptisch schist. Het gebruik van gekleurde steen of marmer voor portretten, is typisch voor het begin van de keizertijd. Het was een voorrecht van de keizer en van zijn familie.

Schist (de naam is afkomstig van het Griekse schistos = gespleten) is de algemene term voor een bladerig, niet-grof kristallijn, metamorf gesteente dat splijt volgens onregelmatige breukvlakken (waarop de mineralen goed herkenbaar zijn). De meeste schisten zijn rijk aan plaatvormig of straalsgewijs ontwikkelde, gerichte mineralen (glimmers, chloriet, talk, hoornblende, kwarts, calciet, …). In Italië tref je dergelijke kristallijne schisten en granieten enkel aan in Calabrië en op Sardinië. De Romeinen gingen hun zeldzame gesteenten vaak veel verder zoeken.

Naast het hoofd van Augustus zie je een fragment van een bronzen portret van Nero. De rest van het beeld bevindt zich echter in Baltimore (Maryland, Verenigde Staten). We keren terug naar de balie en nemen de trap naar de eerste verdieping. Direct links bovenaan de trap, in de Sala delle Macchine, staat een eenzame Artemis, uitgevoerd in luni-marmer. Het is een kopie uit 200 na Chr. naar een Grieks beeld uit de tweede eeuw v. Chr. Vanaf de zestiende eeuw stond dit beeld bovenop de toren van het senatorengebouw op het Campidoglio als personificatie van Rome.

Wanneer we ons omdraaien zien we achter de trap een grote Athena, uitgevoerd in marmer uit Thassos. Het is een kopie naar een Grieks bronzen origineel van het einde van de vijfde eeuw v. Chr. Het hoofd is een plaasteren kopie van een portret van Athena dat zich in het Louvre bevindt. Links en rechts van ons zien we een beeldengalerij waarbij de twee indrukwekkende dieselmotoren de achtergrond vormen.

We gaan langs de beeldenhaag, en schenken vooral aandacht aan het laatste beeld rechts dat de halfnaakte Aphrodite voorstelt, een kopie naar een jeugdwerk uit 360 v. Chr. van de Atheense beeldhouwer Praxiteles. Hij zette de klassieke traditie voort in een wat weke, elegante stijl. Zijn beroemdste werk is de voor het eiland Cnidus gemaakte Aphrodite, bekend van enkele kopieën en van munten bekend. Werkend in Athene was Praxiteles (375-325) vooral beroemd om zijn sublieme weergave van het menselijk lichaam.

Phryne stond voor hem model als Aphrodite. Phryne was een gevierde hetaere die tijdens een proces waarin het om haar leven ging, op vraag van haar verdediger Hyperides haar lichaam voor de rechters ontblootte. De aanblik van zoveel schoons weerhield de strenge heren ervan het doodsvonnis uit te spreken.

Hetaeren waren in het oude Griekenland gezelschapsdames, meestal vrijgelaten slavinnen of dochters van niet-burgers of van metoiken, in het antieke Griekenland residerende vreemdelingen die een eigen status hadden verworven en tot op zekere hoogte in de stedelijke gemeenschap ingeburgerd waren. Ze hadden echter veel minder rechten dan een gewone burger, al konden ze op bepaalde manieren wel meer status en privileges verwerven.

Sommige hetaeren waren in Athene erg graag gezien; het waren zeer knappe maar vooral slimme en ontwikkelde en artistiek geschoolde vrouwen. Veel belangrijke mannen gingen graag met hen om, vooral omdat de ontwikkelde Atheense mannen in hun wettige vrouw meestal geen gelijkwaardige levenspartner vonden.

Bekende hetaeren waren Aspasia, die de tweede vrouw van Pericles werd en de voormelde Phryne, voor wie Hyperides de beroemde verdedigingsrede hield, Rhodopis, Thais en Lais. Deze laatste vrouw werd de geliefde van Aristippus, de leerling van Socrates. Het instituut van hetaeren nam een eigenaardige middenpositie in tussen sociaal verkeer in intellectuele ‘salons’ en gewone prostitutie.

Links van dit Aphrodite-beeld staat het zwarte basanieten beeld van Agrippina Julia of Agrippina Minor (de Jongere) (6 november 15 – 59 n. Chr.), een dochter van Germanicus en Agrippina Maior. Ze huwde voor het eerst in 28 met Gnaeus Domitius Ahenobarbus (gestorven in 40), bij wie zij een zoon, Lucius Domitius Ahenobarbus, kreeg.

In 39, door keizer Caligula verbannen, werd zij teruggeroepen door haar oom, keizer Claudius I (broer van Germanicus), met wie zij, na de dood van zijn echtgenote, Messalina, in 49 trouwde. Dat was haar derde huwelijk. Te harer ere werd in 50 haar geboorteplaats Oppidum Ubiorum herdoopt in Colonia Claudia Ara Agrippinensium, het huidige Keulen.

Al intrigerend bracht zij Claudius, die zij geheel overheerste, in 50 ertoe haar zoon uit haar eerste huwelijk, later Nero genaamd, als zoon en opvolger te adopteren. De wettige erfgenaam, Claudius’ eigen zoon Britannicus, werd hiermee gepasseerd. Nadat Claudius in 54 was gestorven, domineerde Agrippina ook de inmiddels keizer geworden Nero. Haar tomeloze heerszucht verwekte echter groeiende oppositie en ook Nero begon genoeg van haar te krijgen.

Al eerder was Agrippina, in een periode van wrijving, als tegenzet de terzijde geschoven Britannicus gaan begunstigen, totdat Nero hem in 55 liet vergiftigen. Op Nero’s instructie werd ook voor Agrippina een schipbreuk geënsceneerd; toen deze moordaanslag mislukte (de vrouw zou nog zwemmend de oever hebben kunnen bereiken), stuurde Nero, in paniek geraakt en daartoe aangezet door zijn minnares Poppaea Sabina, soldaten naar haar villa in Baiae, die haar alsnog vermoordden.

Dit wordt verhaald door Tacitus, Annales, XIV 1-8. Agrippina schreef zelf een verloren gegane autobiografie die door Tacitus (55-120) gebruikt werd voor zijn ‘Annales’. Romekenner professor Pierre Grimal heeft naar deze geschiedenis een roman geschreven, de ‘Mémoires d’Agrippine’. Ook Händel schreef een vier uur durende opera gewijd aan deze sluwe, dominante vrouw, de eerste uitvoering vond plaats op 26 november 1709. De Franse dichter Racine 1639-1699) wijdde aan het leven van Britannicus in 1669 een treurspel.

Het beeld dat we hier zien stond in de tempel die Agrippina Minor voor haar man de vergoddelijkte Claudius oprichtte op de Caeliusheuvel (vandaag bekend als de Celio), net achter het Colosseum. Deze tempel werd kort na de bouw door haar zoon Nero gedeeltelijk vernield om de vrijgekomen ruimte vervolgens op te nemen in zijn nieuwe residentie, de Domus Aurea. Later herbouwde Vespasianus de tempel.

In 1994 stelde men vast dat het hoofd van Agrippina, dat zich in de Ny Carlsberg Glyptotek in Kopenhagen bevindt, hoorde bij een beeld dat in 1885 tijdens de bouw van een militair hospitaal in Rome werd teruggevonden. Het beeld was in stukken geslagen en als bouwmateriaal gebruikt voor een middeleeuwse fundering. De romp werd opnieuw samengesteld en kreeg als hoofd een kopie van het ‘hoofd van Kopenhagen’. Het resultaat zien we hier.

We kijken even achter de machines die achter Agrippina staan, dus aan de zijde van de vensterramen. Het eerste borstbeeld stelt Antinous of Antinoos voor, de favoriete vriend en geliefde van keizer Hadrianus. Hij wordt hier voorgesteld als Apollo. Overal in het Romeinse Rijk werden stand- en borstbeelden van Antinous opgesteld. Hiervan zijn er ongeveer 300 bewaard gebleven, waarvan er heel wat werden gevonden in de Villa Hadriana bij Tivoli, in Delphi en in Eleusis. Meestal stellen ze de jongeman voor, in heroïsche naaktheid of vereenzelvigd met een godheid: een voor het Hadriaanse classicisme typerende poging om naar Griekse trant een ideale mannelijke naaktfiguur te scheppen.

We draaien naar rechts en gaan dus in het verlengde van de trappen die we daarnet gebruikten. Zo bereiken we het opnieuw samengestelde fronton van de tempel van Apollo Sosianus. De resten van deze tempel bevinden net naast het theater van Marcellus. Het tafereel op het fronton stelt de strijd voor tussen de Grieken en de Amazones, namelijk het negende werk van Hercules, het roven van de gordel van Hippolytea, de koningin der Amazonen.

De beelden die we hier zien zijn Griekse originelen (450-425 v. Chr.) die de tempel van Apollo Daphenephoros sierden in Eretria, een handelsstad op Euboea. Ze ontstonden dus kort nadat de Perzen in 490 v. Chr. de stad verwoestten. Het fronton werd in de tijd van keizer Augustus naar Rome overgebracht, waar het een plaats kreeg op een voetstuk van 25 m hoog. In het midden staat Athena als beschermster van de Grieken, rechts van haar staat Nike, dan Theseus. De wapens en helmen waren uitgevoerd in verguld brons, de beelden zelf waren gepolychromeerd.

Het fronton sierde dus de tempel die Sosius had laten oprichten, hij had in 34 v. Chr. de joden verslagen en was in 31 v. Chr. consul geworden. In datzelfde jaar werd hij echter ter dood veroordeeld omdat hij partij had gekozen voor Marcus Antonius en Cleopatra. Nadat hij van Octavianus gratie had gekregen herbouwde hij de tempel van Apollo als eerbewijs aan Augustus. Achter het fronton is de ‘cella’ van de tempel gedeeltelijk gereconstrueerd.

Als je, staande voor het fronton, naar rechts kijkt, zie je de resten van een kleine ronde tempel. Deze stond vóór de tempel van Apollo Sosianus, en werd ‘monopteres’ genoemd. De ronde architraaf vermeldt een opdracht van Vespasianus (69-79) die een restauratie liet uitvoeren. Dit oude tempeltje was blijven staan toen het theater van Marcellus gebouwd werd. Oorspronkelijk was het een kleine ‘peripteros’ uit de republikeinse tijd, en bevatte een waterkuip zoals dat gewoonlijk het geval was voor een tempel van Apollo. Hier zou Catilina zijn bloederige handen gewassen hebben, nadat hij iemand het hoofd had afgehakt.

Links van het fronton zien we de kolossale arm, de voeten en het hoofd van het cultusbeeld van de Aedes Fortunae Huiusce Diei, de tempel van ‘het geluk van deze dag’. Het enorme marmeren beeld bevond zich in een tempel op de Area Sacra Argentina aan het huidige Largo di Torre Argentina. Het was 8 m hoog, dateert van 101 v. Chr. en werd in Rome uitgevoerd door de Griek Skopas Minor. Er tegenover zien we het zittende beeld van een muze, het is een prachtig werk uit de tijd van de republiek en behoorde wellicht tot het theater van Pompeius waar het in 1889 gevonden werd.

We gaan nu even door de doorgang naast de kolossale arm. De Sala Caldaie is de vroegere stoomketelzaal van de elektriciteitscentrale. Hier zijn werken te zien uit de Horti, de villawijken aan de rand van de oude stad. In het midden ligt links op de grond een grote mozaïek uit het begin van de vierde eeuw na Chr. met een voorstelling van een jacht op wilde dieren. Het mozaïektafereel werd gevonden bij de Santa Bibiana vlakbij het Termini station. De stijl en het onderwerp doen denken aan het grote mozaïek van de Villa del Casale, in de buurt van Piazza Armeria in Sicilië.

Naast het mozaïek staat eenzaam de peinzende muze Polyhymnia, ook Polymnia, geheten. In de Griekse mythologie is zij de muze van de ernstige dichtkunst van de hymnen, ook wel van de welsprekendheid of de dans. Zij wordt afgebeeld, meestal zonder attribuut, als een statige, ernstig kijkende of peinzende jonge vrouw, met de elleboog steunend op een rotsblok of zuil, soms met een vinger op de mond. Hier houdt ze in de linkerhand een papyrusrol, symbool van haar kunst. Let op haar verrassend natuurlijke, denkende blik. Het is wellicht een kopie van de muze uitgevoerd door Philiskos van Rhodes.

Links zien we een zittend meisje, een zeer mooie kopie uit de periode van keizer Hadrianus naar een Grieks origineel uit 280-270 v. Chr. Links tegen de muur staan met geheven arm twee magistraten uit de tempel van Minerva Medica, ze geven het startsein bij paardenrennen.

Tussen beide zien we tegen de muur mooie marmeren panelen met voorstellingen van Dionysus. Let vervolgens op de ‘rustende sater’, een kopie wellicht uit de tweede eeuw na Chr. naar een werk van de Atheense beeldhouwer Praxiteles (370 v. C), één van de meest bewonderde werken uit de Romeinse geschiedenis.

In de gang aan de vensterkant staat in het midden een groep van een sater en een nymf die in een gevecht verwikkeld zijn. Het is een kopie naar een werk uit de school van Pergamum (Pergamon) uit 150 v. Chr., let op de erectie van de sater. Het is op zich al een wonder dat dit beeld de preutse pausen uit de middeleeuwen heeft overleefd. Rechts ervan zie je een maniëristische Hermaphroditus, eveneens een Romeinse kopie naar een Grieks werk.

Terug op het einde van de beeldengalerij zien we recht tegenover Agrippina Minor een uiterst belangrijk beeld, dat op zich reeds een zeer goede reden is om de Centrale Montemartini te bezoeken. Daar komen we morgen nog even uitgebreid op terug in een derde en laatste bijdrage over de Centrale Montemartini.

www.centralemontemartini.org

Advertenties

Eén reactie to “De belangrijkste kunstwerken in de Centrale Montemartini”

  1. martien scheffers Says:

    Prachtige, levendige, met details gegeven beschrijving! Mijn complimenten

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s