De Santa Maria in Cosmedin

Vele toeristen komen terecht op Piazza della Bocca della Verità, waar je op nr. 18 de Santa Maria in Cosmedin aantreft. De meeste bezoekers komen echter niet verder dan de portico van de basiliek, waar de Bocca della Verità staat. Ze beperken zich tot de obligate foto waarvoor je zoals je kon lezen tegenwoordig moet betalen en laten het kerkgebouw links liggen. Dat is jammer, want hoewel de basiliek een beetje aan belang heeft ingeboet omdat de jongste jaren een aantal interessante zaken gesloten of (tijdelijk?) niet meer zichtbaar zijn, is een bezoek zeker een aanrader. Alleen al de ontstaansgeschiedenis en de locatie van de basiliek is behoorlijk indrukwekkend. De fundamenten van de kerk dateren uit de vroege oudheid.

De eerste kapel op deze plaats groeide uit het oratorium dat behoorde tot een diaconie en werd gebouwd op de resten van de tweede Ara Maxima Herculis, de oudste cultusplaats voor Hercules in Rome. Het altaar bevond zich precies op de plaats van de huidige basiliek, vlakbij het Circus Maximus aan de kant van het Forum Boarium. Tijdens de grote brand van Rome in 64 na Chr. werd het altaar verwoest, wat wordt gemeld door Tacitus, Annalen XV, 41. Het werd herbouwd en bestond nog in de vierde eeuw. Het zijn de delen van deze tweede Ara Maxima Herculis waarop in de zesde eeuw de kapel die later de Santa Maria in Cosmedin zou worden werd gebouwd.

Vergilius vertelt in zijn Aeneis dat het vuurspuwende monster Cacus, die de kudde van Geryones in zijn grot op de Aventijn verborgen had, door Hercules gedood was. Vanwege dit feit zou Hercules zelf of Euander de cultus van Hercules hebben ingesteld, op de plaats van de Ara Maxima op het Forum Boarium. Dit was een geschikte plaats voor de verering van Hercules, aangezien het Forum Boarium één van de commerciële centra van het oude Rome was en Hercules (net als Mercurius) als beschermer van handelaren gold. Hercules werd verder met minstens twaalf andere schrijnen en tempels in de stad vereerd.

Een vroeg-christelijke diaconie, naar het Latijnse ‘diaconia’ dat (tafel)dienst betekent, was een dienstverleningsplaats. De eerste vermelding van georganiseerde hulpverlening vinden we reeds in Handelingen 6.2-4, bij het conflict tussen Hebreeën en Grieken. Het initiatief groeide geleidelijk uit tot een broederschap van mannen en vrouwen, die zich inzetten voor een christelijk maatschappelijk hulpbetoon. Hiëronymus (400 na Chr.) schrijft ’Bisschoppen met een rijke achtergrond stortten vaak een deel van hun vermogen in de kassen van de Kerk, want de eer van een bisschop bestaat erin ervoor te zorgen dat het erfdeel van de armen overvloedig is.’

Onder paus Fabianus (236-250) voorzag de Kerk reeds in het levensonderhoud van meer dan vijftienhonderd Romeinse hulpbehoevende christenen. Dat zoiets mogelijk was zonder enige vorm van staatssubsidie, zegt veel over de financiële offervaardigheid van de gelovigen in de vóór-Constantijnse tijd. Rijke dames schonken zoveel giften aan paus Damasus (366-384) dat men hem gniffelend ‘matronarum auriscalpius’ noemde, ‘hij die het goud van de matrones afschraapt’.

Na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk was het de Kerk die de zorg over de bevolking op zich nam, in feite nam ze de taak over van de in gebreke blijvende Statio Annonae, de keizerlijke administratie die instond voor de graantoevoer, de opslag, de prijsbepaling en de al dan niet gratis verdeling. Daarbij kon de Kerk beroep doen op de geldelijke middelen die ze gaandeweg nog had vermeerderd tijdens de eerste eeuwen na de bekering van Constantijn. Ze bestonden uit de overname van de vermogens van heidense heiligdommen en uit de vele schenkingen en legaten van keizers en vermogende particulieren.

De diaconieën die aanvankelijk vooral door leken bediend werden, waren dus oorspronkelijk geen cultusplaatsen. Later werden ze steeds vaker door kloosterorden overgenomen die meestal ter plaatse ook een gebedshuis stichtten, of omgekeerd, werd er een diaconie opgericht naast een reeds bestaande kerk. Deze door de geestelijkheid bediende diaconieën verschenen in het oosten reeds vanaf de vierde eeuw, in Ravenna, Napels en Rimini op het einde van de zesde eeuw, maar in Rome nog iets later, omstreeks 600.

De diaconieën werden vooral ondergebracht in vroegere openbare gebouwen. Zo werd de diaconie van de Santa Maria in Cosmedin ingericht in het Statio Annonae, de diaconie van San Teodoro in de vroegere Horrea Agrippiana op het Forum Romanum, de Sant’ Adriano in de Curia en de Santa Maria in de Via Lata in de Saepta Julia. Ze situeerden zich dus vooral op de grens van het druk bewoonde centrum en in de nabijheid van de Tiber voor een gemakkelijke aanvoer der goederen. Omstreeks 800 waren er reeds 24 diaconieën in Rome. Met de tijd breidde de opdracht van de diaconieën zich uit, naast de bevoorrading zorgden ze o.a. ook voor de inrichting van baden en de verzorging en het begraven van bedevaarders, armen en zieken.

De eerste kapel die later zou uitgroeien tot de Santa Maria in Cosmedin werd opgetrokken tijdens de regering van Justinianus I (527-565), de keizer van Byzantium. De kapel werd ook bediend door Byzantijnen. Nadat de oosters-orthodoxe Kerk een verbod had uitgevaardigd op het afbeelden van Christus, Maria en de heiligen, breidde de Griekse gemeenschap in Rome zich sterk uit met migranten uit Byzantium.Daarom schonk paus Adrianus I (772-795), zelf een geboren Romein, deze kapel aan deze Oost-Romeinse Grieken die voor het iconoclasme gevlucht waren.

De paus bouwde in 780 de kapel om tot kerk met een apsis aan het einde van elk van de drie schepen; hij gaf het gebouw dus een oosters tintje. Ook kwamen er een crypte en een emporia, een bovenverdieping die speciaal werd voorbehouden aan vrouwen. Net als de andere buitenlanders in Rome verenigden de Grieken zich in een broederschap of schola, die met een burgerwacht instond voor de veiligheid van de wijk. De kerk werd daarom de ‘Santa Maria in Schola Graeca’ genoemd.

In 1084 werd het kerkgebouw van Adrianus gedeeltelijk vernield door de Noormannen onder Robert Guiscard. Bij de heropbouw in 1123 werd het dakgestoelte gesloten en de emporia, de vrouwengalerijen boven de zuilen, verdwenen zodat hoge gesloten wandvlakken ontstonden, die heel on-Romeins aanvoelen.

Paus Callixtus II (1119-1124, geboren als Guido of Gui van Bourgondië) bezorgde de kerk fraai cosmatenwerk en voegde de schola cantorum toe. Wegens haar bijzondere versieringen was de kerk al gauw in de hele stad bekend als Santa Maria in Cosmedin, ‘kosmein’ of Grieks voor versieren, of ‘kosmos’ voor sieraad (denk aan cosmetica). Cosmedin was ook de naam van een wijk, Kosmidion, in Constantinopel.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s