De bijzondere vloer in de Santa Maria in Cosmedin

Ook al blijf je maar vijf minuten in de Santa Maria in Cosmedin, kijk zeker even naar de bijzonder fraaie cosmatenvloer in deze basiliek. De vloer dateert uit 1123 en heeft nog zijn oorspronkelijke tekening. Tijdens de negentiende eeuw werd de vloer grotendeels gerestaureerd. Let vooral op de vloerbedekking in het koor, hier hebben de erfdragers van het geometrische ornament en de oosterse tapijtkunst zich eens goed laten gaan. Ze hebben zich uitgedrukt in purper porfier en vele duizenden veelkleurige steentjes die oorspronkelijk afkomstig zijn van het fraaie marmer uit de tempels van de oudheid.

Kijk ook naar het stuk opus sectile voor het altaar. Het decor in ‘opus sectile’, het marmermozaïek op de kerkvloeren, ambo’s, cathedra en paaskandelaars was in het begin slechts samengesteld uit eenvoudige wit-marmerelementen van grotere dimensies. Opus sectile verwijst naar een inlegwerktechniek die erg populair was in het oude Rome, waarbij stukken van verschillenden materialen werden uitgesneden en ingelegd in wanden en vloeren om een afbeelding of patroon te vormen. De meest gebruikte materialen waren marmer, parelmoer en glas. Uit deze materialen werden dunne plaatjes gesneden, gepolijst, en vervolgens verder uitgesneden naargelang het gewenste ontwerp.

De techniek bestond al in Egypte en Klein-Azië waar vroege voorbeelden van dergelijk inlegwerk werden ontdekt, maar de meest prominente overblijfselen dateren uit het vierde-eeuwse Rome. Het werk in deze basiliek is één van de fraaiste staaltjes ervan. Opus sectile-ontwerpen bleven in Rome tot in de zesde eeuw populair, en die populariteit zou later ook overslaan naar andere gebieden zoals Constantinopel. In Rome verdween de techniek geleidelijk maar de kunstvorm bleef wel prominent in gebruik in Byzantijnse kerken, voornamelijk in de vloerontwerpen. De techniek werd ook gebruikt door de Grieken, die hem uiteindelijk in de twaalfde eeuw weer zouden terugbrengen naar Italië en Sicilië.

Sinds die tijd, vanaf het einde van de twaalfde eeuw en het begin van de dertiende eeuw, wordt het decor complexer en rijkelijker waarbij ook porfier (rood) en serpentijn (groen) gebruikt werden om grote geometrische figuren zoals cirkels en ruiten te maken. Daarnaast werden gedraaide zuiltjes en friezen in kloostergangen versierd met kleinere mozaïekdecors uitgevoerd in gekleurde ‘tesselles’, kleine stukjes marmer of glas met felle kleuren als rood, blauw en goud.

In tegenstelling tot (sommige andere) mozaïektechnieken, waarbij de plaatsing op stukken van uniforme grootte een ontwerp vormen, zijn opus sectile-stukken veel groter en kunnen ze grote delen van het ontwerp vormen. De liturgische bekleding van de Santa Maria Cosmedin uit 1123 is een voorbeeld van de eerste wijze van werken, de koorafsluiting in de San Saba van 1235 of de cathedra en de clerusbanken in de San Lorenzo fuori le Muri zijn voorbeelden van de tweede wijze.

Het opus sectile dat vanaf de twaalfde tot de veertiende eeuw in Rome werd uitgevoerd, wordt in de literatuur cosmatenwerk genoemd. Onder het begrip cosmaten verstaat men een groep kunstenaars die de cosmatentechniek toepasten. Zij werkten voornamelijk in Rome, waar ze onder meer de Santa Maria in Trastevere, de Santa Maria in Aracoeli, de San Clemente en de Santa Maria in Cosmedin met cosmatenvloeren opsmukten.

Bij deze kunstvorm worden ingewikkelde non-figuratieve mozaïeken gevormd uit verschillend gekleurde stukjes marmer. Naast ronde figuren werden ook strookvormige figuren toegepast. De techniek werd ontwikkeld in de twaalfde eeuw en toegepast tot in de veertiende eeuw. Toen de pausen tijdens de zogenaamde Babylonische ballingschap (de periode van 1309 tot 1377 waarin de pausen niet in Rome zetelden maar in Avignon), raakte de techniek uit gebruik.

De belangrijkste voorbeelden van dergelijke techniek zijn de vloeren van de Sint-Jan van Lateranen (San Giovanni in Laterano) en van de Sint-Paulus buiten de Muren (San Paolo fuori le Mura). Deze zijn uitgevoerd door de kunstenaar Pietro Vassalletto en zijn zoon. Deze kunstenaars aarzelden niet om ook in het buitenland aan het werk te gaan, zo vind je hun werk bv. terug in Westminster Abbey waar ze het graf van Hendrik III uit 1280 versierden.

Het ciborium (een altaaroverkapping die op vier zuilen rust) van de Santa Maria in Cosmedin werd gesigneerd door Deodato di Cosma, de derde zoon van Cosmas. Het is naar deze Cosmas en zijn familie dat dit type van geometrische marmer-incrustaties cosmatenwerk wordt genoemd. Wat we hier zien is het oudst gekende gesigneerde cosmatenwerk, daarna is het wachten tot na 1370, wanneer het ciborium van de Sint-Jan van Lateranen gesigneerd werd.

Het ciborium boven het hoogaltaar van de Santa Maria in Cosmedin dateert uit 1295 en heeft vier spitsbogen met driepassen op zuilen, die aan de hoeken door hoge pilasters zijn afgezet en waarop zich hoge gevels verheffen. De constructie wordt bekroond door een klein open torentje op de plaats waar beide zadeldaken zich kruisen.

Dit idee is ontleend aan het ciborium van de Sint-Paulus buiten de Muren uit 1285, dat tien jaar ouder is maar in stilistisch en formeel opzicht wel extreem werd vereenvoudigd. Ter vergelijking: het ciborium in de San Clemente is deels zesde-eeuws en dat in de San Giorgio in Velabro dateert uit de twaalfde eeuw. In een volgende bijdrage lees je het slot van deze mini-reeks over de Santa Maria in Cosmedin en brengen we een bezoek aan de ondergrondse crypte.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s