De crypte van de Santa Maria in Cosmedin

De voorbije dagen verbleven we in de Santa Maria in Cosmedin, de basiliek met niet alleen een authentiek interieur uit de elfde eeuw, maar vooral ook een bijzonder fraaie cosmatenvloer. Als je dus nog eens een kijkje neemt bij de Bocca della Verità, ga dan ook eens een stukje verder dan het voorportaal. In deze laatste bijdrage over de Santa Maria in Cosmedin brengen we een bezoek aan de ondergrondse crypte van deze basiliek.

Het is meestal (maar niet altijd) mogelijk om langs een uiterst smal trapje achter de linker ambo (preekstoel) naar de crypte af te dalen. Daarvoor wordt een kleine vergoeding gevraagd. Deze ruimte dateert nog uit de tijd van paus Adrianus I (772-795) toen men volop relieken van martelaren uit de catacomben naar de stad overbracht.

Rome had zich steeds verzet tegen het verplaatsen van de resten van martelaren, een traditie die sinds lang in het oosten bestond. Maar wegens de toenemende plunderingen door o.a. de grijpgrage bedevaarders, door de onveiligheid buiten de stadsmuren en het verval van de begraafplaatsen, besloten de pausen die tijdens de achtste eeuw vaak zelf van oosterse origine waren, de relikwieën naar veiliger oorden over te brengen. Zo werden bv. in 750 massale hoeveelheden relieken overgebracht naar de San Silvestro in Capite en het aanpalende klooster.

Toen Adrianus I de kapel van de oorspronkelijke diaconie liet ombouwen tot een heuse kerk voor de Griekse gemeenschap, nam hij hiervoor de nodige maatregelen. Hij liet onder het priesterkoor een crypte uitgraven in de vorm van een hal, als het ware een minibasiliek met zuilen waarop architraven steunden.

Het toeval wil dat deze drieschepige ruimte gekapt werd uit de tufsteen van het platform waarop destijds de ter ere van Hercules opgerichte Ara Maxima Herculis stond. Die was opgericht tijdens de eerste helft van de tweede eeuw v. Chr. Het altaar werd ooit nog gerestaureerd door Pompeius, daarom werd het ook weleens Ara Herculis Pompeiani genoemd.

De zes antieke zuilen in de crypte zinken diep in de grond, let ook op de kapitelen. Het altaartje binnen de crypte bevat relieken van de heilige Cyrilla. In de muren werden op twee niveaus nissen aangebracht zodat de pelgrims de relikwieën gemakkelijk konden benaderen.

Deze crypte doet denken aan zowel de heidense als de vroegchristelijke columbaria, wat uniek is in Rome. De opstelling in de gewelven van de Santa Maria in Cosmedin bleek echter geen goede oplossing te zijn omdat de bedevaarders de relikwieën niet enkel aanraakten, maar ze soms ook (gedeeltelijk) meenamen. Dat was natuurlijk niet de bedoeling.

Tijdens de negende eeuw trokken architecten hieruit hun conclusies en kozen bij latere constructies voor een hoefijzervormige crypte zoals ze al sinds 590 in Sint Pietersbasiliek bestond. Dat gebeurde bijvoorbeeld ook in de Santa Prassede en de Santi Quattro Coronati. Behalve de relieken der martelaren werden in de crypte van de Santa Maria in Cosmedin tot de val van Constantinopel in 1453 ook de resten bijgezet van gezanten en hoogwaardigheidsbekleders uit het Byzantijnse rijk.

Tijdens de zesde eeuw waren relikwieën ‘ex corpore’ zeer gegeerd, vooral onder druk van noordelijke Germaanse bekeerlingen. Dit gebruik bestond reeds in het oosten, maar niet in het westen waar eerder contact werd gemaakt met bv. doekjes (brandea of palliola) maar waar geen lichamen verplaatst werden of in stukjes verdeeld.

Het bezoek aan een martelarengraf, in de nabijheid ervan begraven worden, de relieken aanraken of kunnen zien, dat alles was voor de bedevaarder naar Rome een belangrijk middel tot het verwerven van zijn zieleheil. Wie bij zijn terugkeer dan nog een stukje van een “echte heilige” of martelaar kon tonen, genoot veel aanzien en wist zich gevrijwaard van alle zonden. Er bestond dan ook een levendige handel in zogenaamde relikwieën. Pelgrims hadden er veel voor over om een relikwie van een martelaar of heilige te bemachtigen.

Reeds tijdens de derde eeuw ontstond de gewoonte van ‘op bedevaart’ te gaan, maar het was vooral in de zevende en de achtste eeuw dat er een grote toename aan bedevaarders kwam. De naar huis terugkerende pelgrims vergrootten bovendien het prestige van Rome in het buitenland en verspreidden tevens de Romeinse liturgie.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s