De graftombe van Caecilia Metella

Op de lange Via Appia Antica in Rome zijn vele opmerkelijke zaken te zien, maar één van de meest imposante (en wellicht ook één van de meest bekende) is de graftombe van Caecilia Metella. Het mausoleum werd opgericht in de periode tussen 30 en 20 v. Chr. Het is een ronde toren met een gewelfd dak met een doorsnede van 29,5 m, de totale hoogte is 11 m. Er bleven slechts enkele delen van de originele travertijnen gevelbedekking bewaard. De tombe bevindt zich op de derde mijl van de Via Appia Antica, een kleine 5 km buiten Rome. Gedurende vele eeuwen was dit het ultieme herkenningspunt voor reizigers die vanuit het zuiden naar Rome kwamen. Zodra ze de tombe zagen wisten ze dat ze hun eindbestemming bijna hadden bereikt.

Eeuwenlang stond de hele omgeving rond dit graf bekend als Capo di Bove, ossekop, naar het klassieke fries van stierenkoppen dat aan de bovenrand nog zichtbaar is. Dit graf is één van de bekendste monumenten van het antieke Rome en tevens één van de favorieten van Johann Tischbein en Johann Wolfgang von Goethe. Deze laatste reisde door Italië van 1786 tot 1788 en verbleef een hele tijd in Rome. Tischbein was al eerder in Rome, van 1779 tot 1781, maar raakte later bevriend met Goethe en keerde in 1783 terug naar de eeuwige stad met een door bemiddeling van Goethe verkregen studiebeurs. In 1787 vergezelt Tischbein Goethe een tijd lang in Rome en Napels.

In zijn ‘Mémoires d’Outre-Tombe’ schrijft Chauteaubriand: bij het graf van Caecilia Metella pluk ik een paar bloemen, de gegolfde welriekende reseda en de Apennijnse anemoon kleuren zacht tegen het wit van de ruïne en de grond…’ Ook de Britse schrijver-dichter George Gordon Byron (1788-1824), beter bekend als lord Byron, was een grote liefhebber van de Tombe van Metella. Hij beschrijft het monument als volgt: ‘Een strenge, ronde, hoogbejaarde toren / bars als een burcht die met zijn muur van steen / de opmars van een leger moet verstoren’. En voorts: ‘wat is dat voor een fort, wat zou de schat zijn die het hoedt? De tombe van een vrouw’.

Over Caecilia zelf schreef lord Byron in ‘Childe Harold’s Pilgrimage’ in 1818 eveneens een lang en warm gedicht: ‘Maar zeg me wie zij was, de dame van de dode, in een paleis begraven. Was zij kuis en mooi? Een koning waardig, zelfs het bed van een Romein? Welk ras van leiders en van helden bracht ze voort?’

Het lijkt misschien vreemd dat in de mannenwereld van het oude Rome een vrouw zo’n schitterend graf kon krijgen, dat in vorm, en bijna ook in omvang, kon wedijveren met de tombes die Augustus en Hadrianus voor keizerlijke dynastieën hebben laten bouwen. Caecilia Metella kwam uit een bemiddelde Romeinse familie uit het plebejisch geslacht der Caecilii (helemaal onderaan dit stukje vind je als achtergrond een korte bio van enkele bekende telgen uit deze familie). Hun rijkdom zonk echter in het niets bij het fortuin van Caecilia’s schatrijke schoonvader Crassus.

De zijde van de tombe die naar de weg gericht is draagt de inscriptie: CAECILIAE / Q(uinti) CRETICI F(iliae) / METELLAE CRASSI (‘Caecilia Metella, dochter van Quintus Creticus – (de echtgenote) van Crassus)’. Vele mensen vergissen zich in de naam Crassus, waarbij ze meteen denken aan het schatrijke lid van het eerste triumviraat. Ook Byron was verkeerd toen hij Caecilia omschreef als ‘de vrouw van de rijkste Romein’.

Caecilia was gehuwd met de zoon van de triumvir Marcus Licinius Crassus (114 v. Chr. – 53 v. Chr.) die dezelfde naam als zijn vader droeg en daarom nogal eens wordt verwisseld met zijn rijke papa. Crassus senior was wat rijkdom betreft inderdaad zowat de Bill Gates van de late Republiek en bleef vooral bekend als de overwinnaar van Spartacus in 71 v. Chr. Zijn bijnaam was Dives, de rijke.

Crassus maakte zijn fortuin door goedkoop de bezittingen van de door Sulla vogelvrij verklaarden op te kopen. Hij vergezelde even Julius Caesar in Gallië, en vormde met hem en Pompeius in 60 v. Chr. het eerste triumviraat dat in 56 v. Chr. in Lucca werd hernieuwd. Crassus werd in 53 v. Chr. laffelijk vermoord tijdens vredesbesprekingen in Carrhae (vandaag Harran, Turkije), het Haran uit de Bijbel, een grensstad in Noord-Mesopotamië. Opmerkelijk is dat ook Caracalla in 217 n. Chr. in precies dezelfde plaats werd vermoord.

Caecilia was dus de schoondochter van de rijke Crassus. Voorts weten we dat zij de dochter was van Quintus Caecilius Metellus Creticus, die in 69 v. Chr. consul was en die tussen 68 en 65 v. Chr. het eiland Kreta veroverde (vandaar het agnomen ‘creticus’), maar over haar leven zelf is niets bekend.

De twee beelden die we links boven zien, een soldaat met een Gallisch schild en een knielende Galliër, herinneren aan de militaire verdiensten van schoonvader Crassus. De originele sarcofaag van Caecilia Metella bleef bewaard en bevindt zich vandaag in Palazzo Farnese.

In 1299 werd de graftombe van Cecilia Metella door paus Bonifatius VIII geschonken aan kardinaal Francisco Caetani, een telg van de machtige familie Caetani. In de daaropvolgende jaren werd het grafmonument door de Caetani omgebouwd tot een toren met kantelen, dat deel uitmaakte van een groot fort (het Castrum Caetani) dat dwars over de Via Appia stond. De grove muren die we vandaag aan weerszijden van de weg zien zijn de resten van deze Caetani-burcht.

In het fort was er zelfs een kerk, de nu dakloze San Nicola a Capo di Bove-ruïne aan de overkant van de weg. Merk op dat deze ruïne een zeldzaam en bescheiden voorbeeld is van de gotiek in Rome. Door het heffen van tol op deze plaats raakte dit deel van de Via Appia (Antica) in latere eeuwen geleidelijk in onbruik ten gunste van de parallelle Via Appia Nuova die richting van de Sint-Jan van Lateranen (San Giovanni in Laterano) loopt.

Vóór de graftombe van Caecilia Metella zien we een fragment van een antiek bas-reliëf, een afgebroken composietkapiteel en een hoopje stenen blokken. Daarin herkende de eminente kunsthistoricus en auteur Robert Hughes (1938-2012) een jaar voor zijn dood de stukken van een obelisk die we terugvinden op het beroemde schilderij van de voormelde Tischbein waarop hij Goethe voorstelt tussen overwoekerde ruïnes van de Romeinse Campagna (met in de verte het kenmerkende profiel van het graf van Caecilia Metella.

Volgens Hughes beschrijving in ‘Rome: A Cultural, Visual and Personal History’ (in het Nederlands vertaald als ‘De zeven levens van Rome’, zouden de antieke resten die de dichter omringen hier geschilderd zijn. Het beroemde schilderij bevindt zich nu in het Städelsches Kunstinstitut und Städtische Galerie (of Städel Museum) in Frankfurt am Main in Duitsland.

Je kan het interieur van de Tombe van Caecilia Metella ook (tegen betaling) bezoeken. Deze binnenzijde omvat twee delen: de resten van palazzo Caetani uit 1303 en het eigenlijke Romeinse graf. Na de balie ga je naar rechts en bereik je een zaal die tot het palazzo behoorde. Er worden funeraire monumenten getoond, waaronder beelden, urnen en sarcofagen. Het is zeer interessant om even de trappen naar beneden te nemen, ze brengen de bezoeker bij een historische lava-ader (én een modern toilet!).

Titus Livius beschrijft hoe de Via Appia in 189 v. Chr. werd bekleed met basalt, een zeer harde lavasteen in plaats van de zachtere peperino tufa of tufsteen. De basaltsteen die men toen gebruikte werd hier ontgonnen, je ziet nog de sporen waar het basalt werd losgekapt. Let op de evenwijdige lijnen op de lage steen. Metalen wiggen werden in natuurlijke barsten geslagen om de steen te splijten.

Het is nauwelijks bekend, maar zo’n 4 m onder de graftombe van Caecilia bevindt zich de ingang van een tunnelnetwerk, ontstaan door het weggekapte lava. De lavastroom was soms tot twaalf meter dik en had een lengte van 10 km. De tunnels zijn om veiligheidsredenen niet toegankelijk.

Na het palazzo-gedeelte bereik je de toegang van het grafgedeelte. De cilinder met een binnendoormeter van 6,5 m is conisch en was met stucco bezet. De toegang verliep langs een onderaardse gang die je nog gedeeltelijk kan zien achter de afsluiting tussen het graf en het palazzo.

Met het graf van Caecilia Metella eindigt het stuk van de Via Appia Antica dat vandaag door de meeste toeristen het best gekend is. Toch loopt de weg nog ruim 13 km verder, omzoomd door vele antieke grafmonumenten en veel groen. Voor wie houdt van een stevige wandeling is het afstappen van de Via Appia zonder meer een aanrader.

De Tombe van Caecilia Metella is elke dag (behalve op maandag) open van 9 tot 16.30 u. De ticketverkoop eindigt één uur voor sluitingstijd. Een ticket kost 6 euro (volle prijs), is zeven dagen geldig en geeft tevens toegang tot de Thermen van Caracalla en de Villa Quintili/Santa Maria Nova.

ACHTERGROND

* LUCIUS CAECILIUS METELLUS (overleden in 221 v. Chr.), consul in 251 v. Chr.), versloeg omstreeks 250 Hasdrubal bij Panormos op Sicilië, zou in 241 bij de brand van de tempel van Vesta het Palladium hebben gered, maar met het verlies van zijn ogen gestraft zijn, omdat hij het binnenste van het heiligdom had betreden.

* QUINTUS CAECILIUS METELLUS I, bijgenaamd Macedonicus (190 – 115 v. Chr.), versloeg als praetor in 148 v. Chr. Andriskos, die in Macedonië een opstand had verwekt, en streed daarna tegen de Achaeërs welke oorlog hij echter aan consul Mummius moest overlaten. In 143 werd hij consul; in 142 versloeg hij de Keltiberiërs. Als censor (in 131) trachtte hij op te komen voor verbetering van de zeden en het huwelijk te bevorderen, waarvoor Augustus hem nog eerde. Hij was een tegenstander van de politiek van de Gracchen.

* QUINTUS CAECILIUS METELLUS II, bijgenaamd Numidicus (overleden in 91 v. Chr.), was consul in 109 v. Chr., overwon Jugurtha, nadat velen nederlagen tegen deze hadden geleden, maar moest in 107 het opperbevel afstaan aan Marius. Niettemin verkreeg hij een triomf. In 100 ging hij in ballingschap, omdat hij niet bereid was de eed af te leggen op de Akkerwet van Saturninus. Een jaar later werd hij weer teruggeroepen.

* QUINTUS CAECILIUS METELLUS III, bijgenaamd Celer (overleden in 59 v. Chr.), was consul in 60 v. C. en een krachtige tegenstander van Pompejus, Caesar en Clodius. Hij verzette zich vooral tegen Caesars Akkerwetten in 59. Hij werd misschien door zijn vrouw Clodia vergiftigd.

* QUINTUS CAECILIUS METELLUS IV, bijgenaamd Nepos, was in 67 v. Chr. onderbevelhebber van Pompejus in de oorlog tegen de zeerovers, en in 62 volkstribuun. Hij was in de Senaat tegen Cicero en voor het volk en deed met Caesar het voorstel Pompeius met het leger tot herstel van de orde uit Azië terug te roepen. Dit voorstel werd door de Senaat verworpen. Metellus trok naar Pompeius in Azië, waarop hij uit zijn ambt werd ontzet. Na korte tijd keerde hij met Pompeius terug, werd in 57 consul, daarna proconsul in Spanje.

* QUINTUS CAECILIUS METELLUS PIUS SCIPIO (overleden in 46 v. Chr.), ondersteunde Cicero bij het ontmaskeren van de samenzwering van Catilina en was in de tweede helft van 52 consul met Pompejus. Hij dreef in 49 v. Chr. het besluit door waarbij Caesar een vijand van de republiek werd verklaard. Bij het uitbreken van de oorlog trok hij naar de Balkan, nam deel aan de Slag bij Pharsalus, vluchtte daarna met een aantal aanhangers van Pompeius naar Afrika, maar werd in 46 bij Thapsus door Caesar volkomen overwonnen en benam zich na de nederlaag het leven.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s