De bouw van de eerste Sint-Pietersbasiliek

De werkzaamheden aan de eerste en nu verdwenen Sint Pietersbasiliek begonnen volgens de overlevering tussen 319 en 322. De basiliek werd gebouwd op de Vaticanus Mons of de Vaticaanse heuvel (Colle Vaticano) die een stuk buiten de toenmalige grenzen van de stad Rome lag. Het zou ooit de plaats van de Etruskische stad Vaticum geweest zijn. Het Vaticaan heeft alleszins zijn naam ontleend aan de heuvel, dan wel de stad. De Romeinen hadden hier wel reeds een circus aangelegd, het Circus van Nero (ook bekend als het Circus Vaticanus en als Circus van Caligula die het liet bouwen), evenals een begraafplaats waar een aantal vroeg-christelijke personen, waaronder de apostel Petrus hun laatste rustplaats hadden gekregen. Vlakbij bevond zich overigens nog een tweede begraafplaats.

De basiliek ‘van Constantijn’ werd ingewijd op 18 november 326 door paus Silvester I (314-335). Pas omstreeks 350 waren de werken helemaal beëindigd. In deze vierde-eeuwse Sint-Pieter werden tijdens de daaropvolgende tien eeuwen in totaal 27 van de 30 keizers gekroond waaronder Karel de Grote op Kerstdag 800, en werden er 149 van de 263 overleden pausen begraven.

Zoals in Lateranen had de oude Sint Pietersbasiliek een centraal schip en tweemaal twee zijschepen, een verlengd transept en een apsis. Er stonden 88 antieke zuilen, die voor het merendeel afkomstig waren van de esplanade voor de tempel van Cybele op de Palatijn, dit in tegenstelling tot de basiliek van Sint-Jan van Lateranen die originele zuilen kreeg. De memoria, het graf van Petrus, bevond zich op de koord van de apsis, met erboven een ciborium gedragen door nog bestaande getorsadeerde marmeren zuilen versierd met wijnranken, een persoonlijk geschenk van de keizer.

Het atrium voor de basiliek was aan de binnenzijde door zuilen omgeven. Een brede marmeren trap voerde naar dit atrium waarvan de treden door de bedevaarders op de knieën bestegen werden. Midden het atrium stond een grote kantharos, een Griekse vaas met voet en twee oren zoals nu nog te zien is vóór de Santa Cecilia in Trastevere, die overdekt was door een op zuilen steunend baldakijn.

Ernaast stond de bronzen ‘pigna’, de reusachtige dennenappel die zich nu in het Vaticaanse museum bevindt. Later werd een portiek toegevoegd om de bedevaarders tegen de zon te beschermen, ze verbond de basiliek met de pons Aelius, nu gekend als de Engelenbrug gelegen vóór het Mausoleum van Hadrianus, de huidige Engelenburcht.

Door het nivelleren van de Vaticaanse heuvel werd de ondergrondse waterhuishouding verstoord. Reeds ten tijde van paus Damasus (366-384) liep de Sint-Pietersbasiliek regelmatig onder water. Daarom werd besloten de vloer van de Constantijnse basiliek met 30 cm te verhogen en eronder een afwateringssysteem aan te brengen. Het opgevangen water werd daarbij afgeleid en o.a. gebruikt voor de kantharosfontein in het midden van het atrium. Bij de latere constructie van de nieuwe basiliek zou men met dit probleem rekening houden en de vloer nog hoger leggen.

Het exterieur van de vierde-eeuwse basiliek zag er nogal armoedig uit en viel in het niet bij het twee eeuwen oudere Mausoleum van Hadrianus (de huidige Engelenburcht). Het contrast tussen de eenvoud van het exterieur, met de bedoeling de nog talrijke Romeinse ‘heidenen’ te ontzien, en de rijkdom van het interieur waren kenmerkend voor de Constantijnse bouwkunst.

Pas later, nadat de invloed van de heidenen overwonnen was en het aantal niet-gelovigen was uitgegroeid tot een verwaarloosbaar aantal, werd de gevel bedekt met mozaïeken. Rondom de Sint-Pietersbasiliek verrezen vervolgens ook gasthuizen, woningen, kloosters en grafmonumenten, zodat men tijdens de middeleeuwen kon spreken van een ‘area Petri’, het latere ‘Vaticaanstad’.

De eerste grote restauratiewerken aan de basiliek gebeurden onder paus Honorius I (625-638). Zes dakbalken werden vervangen, de dakbekleding werd vernieuwd met bronzen pannen afkomstig van de tempel van Venus en Roma, de toegangspoorten werden met zilver overdekt en boven het middenschip werd een plafond met vergulde caissons geplaatst.

Een belangrijk precedent werd geschapen door paus Sergius I (687-701) toen hij in 688 in één van de schepen van de Sint-Pieter een graf liet oprichten voor paus Leo I (440-464). Het werd binnen de basiliek het allereerste pausgraf met erboven een altaar. Leo I de Grote was de 44ste opvolger van Petrus, kerkvader, kerkleraar, en de belangrijkste paus van de christelijke Oudheid. Leo I is ook de eerste paus wiens levensloop duidelijk bekend is en over wie vrijwel alle informatie bewaard is gebleven. Hij stopte de invasie van Attila de Hun tijdens een gesprek in zijn kamp aan het Gardameer in 452 en hij leidde de centralisatie van de Kerk.

Het principe dat een kerk maar één altaar mocht hebben werd dus opgeheven doordat Sergius een tweede grafaltaar liet bouwen. Daarna kregen de meest vereerde pausen een graf met cultus in de Sint-Pieter. Tot 688 werden de pausen begraven in de verschillende begraafplaatsen buiten de stad of in het atrium van de Sint-Pieter.

De basilica van Constantijn kreeg uiteindelijk 120 altaren waarvan 27 toegewijd aan Maria, er brandden in totaal 700 olielampen, waarvan 120 voor het graf van Petrus en 95 op de balustrade. Van de schoonheid van het interieur kunnen we ons vandaag nauwelijks een voorstelling geven, alles glansde van marmer, goud, zilver, edelstenen en mozaïeken, geschenken van vorsten, pelgrims en boetvaardigen.

De basilica kende uiteraard dramatische momenten; reeds in 410 werd ze geplunderd door de Visigoten. Zo ook in 455 door de Vandalen, dus tijdens het pontificaat van Leo I, die toch de redder van het westen werd genoemd. In 846 kreeg de basiliek het ongewenste bezoek van Noord-Afrikaanse islampiraten, Saracenen, die het graf van Petrus plunderden en een speer gooiden naar de icoon van Christus.

Dat bracht paus Leo IV (847-855) in 849 ertoe het Vaticaan met een muur te omringen, hij was 2,6 km lang, 12 m hoog en 4 m dik. De zo gevormde ‘civitas Leonina’, de Leo-stad, besloeg ongeveer de oppervlakte van het huidige Vaticaan, namelijk 44 ha. Tot slot werd de oude Sint-Pietersbasiliek in 1084 nog eens geplunderd door de Noormannen.

De basiliek van Constantijn werd nog herhaaldelijk gerestaureerd en vergroot, al hadden al die ingrepen zoals eerder verteld de vorm en het karakter van het gebouw niet wezenlijk aangetast. Hoewel zij al vrij snel een bouwvallige indruk maakte en tijdens de latere middeleeuwen steeds weer de roep om een volledig nieuwe Sint-Pietersbasiliek weerklonk, heeft de oude kerk haar bestaan tot de zestiende eeuw gerekt.

Ondanks de restauraties en verfraaiingen stond de eerste Sint-Pietersbasiliek na duizend jaar zowat op instorten. In 1452 nam Nicolaas V (1447-1455) een eerste ernstig initiatief, hij gaf de Florentijn Bernardo Rossellino (1409-1464) opdracht een nieuwe basiliek te ontwerpen. Deze architect-beeldhouwer uit de kring van Leon Battista Alberti (1406-1472), maakte een grondplan in de vorm van een Latijns kruis, ontwierp een koepel en een nieuw koor. Er werd zelfs begonnen met de bouw van het koor en de dwarsbeuk.

Maar in 1455 stierf de paus en werden de werken stopgezet. Zijn opvolgers stelden zich ermee tevreden de oude basiliek te consolideren. De beslissing voor de bouw van een nieuwe basiliek werd uiteindelijk een halve eeuw later genomen in 1506, toen een stichtingsmedaille werd geslagen met aan één zijde Julius II die de eerste steen legde, en aan de andere zijde het project van Donato Bramante, waarover je reeds eerder kon lezen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s