Palazzo Apostolico en de Vaticaanse paleizen

De Vaticaanse paleizen omvatten ongeveer 1.400 zalen en kamers, verspreid over een oppervlakte van 55.000 m². Daaronder bevinden zich het middeleeuwse palazzo Apostolico of Apostolisch Paleis, de kantoren van het Staatssecretariaat, de Sixtijnse Kapel, de Biblioteca Apostolica Vaticana, het Archivio Segreto Vaticano en grote delen van de Vaticaanse Musea. De gebouwen en zalen die niet door de Vaticaanse Musea zijn ingenomen, behoren tot het Apostolische paleis dat door de paus wordt gebruikt voor religieuze en ceremoniële doeleinden. In de engere zin van het woord geldt het Apostolisch paleis ook als het gebouw waar zich het privé-appartement van de paus bevindt, al gebruikt paus Franciscus die woning momenteel niet. Hij verblijft in de Domus Sanctae Marthae, het gastenverblijf van Vaticaanstad.

Het Apostolisch Paleis heeft als bijzonderheid dat het hele gebouw heilige, gewijde grond is. Hierdoor mogen overal sacramenten worden toegediend en zo werden in het verleden bijvoorbeeld sommige liturgische plechtigheden, zoals bisschopswijdingen, niet alleen in de kapellen, maar soms ook gewoon in één van de verschillende zalen uitgevoerd.

In de loop van de jongste vijf eeuwen is het palazzo Apostolico of Apostolisch paleis uitgegroeid tot een nauwelijks te doorgronden doolhofachtig complex met lange gangen, trappen en ongeveer twintig binnenplaatsen. Het ontstaan ervan is nogal duister. Petrus en zijn opvolgers hadden tot 313 hun verblijfplaats bij de Santa Prudenziana. Vanaf de tijd van keizer Constantijn verbleven de pausen in het paleis van Lateranen. Omstreeks 500 hadden de pausen op de Vaticaanse heuvel een woning die ze enkel gebruikten tijdens feestdagen.

Toen paus Symmachus (498-514) zich enige tijd in de Sint Pietersbasiliek moest verschansen, liet hij om het zichzelf wat comfortabeler te maken naast de basiliek verschillende gebouwen optrekken. Deze vormden de eerste Vaticaanse residentie. Paus Eugenius III (1145-1153), een cisterciënzermonnik, liet uiteindelijk een paleis bouwen dat door paus Innocentius III (1198-1216) tot een vesting met toren verbouwd werd. Ook Nicolaas III (1277-1280) heeft er enkele jaren gewoond. Van dit gebouw staat vandaag enkel nog de toren in een hoek van de Cortile del Papagallo overeind, hij vormt de kern van het latere Vaticaanse Paleis.

Toen paus Gregorius XI (1370-1380) bij zijn terugkeer uit Avignon in 1377 een vervallen, deels door brand verwoest Lateraans Paleis aantrof, besloot hij de pauselijke residentie definitief te verplaatsen naar het Vaticaan. Daarbij was de nabijheid van de Engelenburcht zeker een interessant argument. Wat dit betreft was Gregorius XI een vooruitziende man, want de Engelenburcht zou in de volgende eeuwen meer dan eens dienst doen als pauselijk schuiloord. In de jaren daarna is het uiterlijk van het Apostolische paleis voortdurend veranderd door opeenvolgende restauraties, uitbreidingen en versterkingen.

Nicolaas V (1447-1455), noemde zichzelf ‘de man zonder familiewapen’, hij was afkomstig uit Firenze en de eerste humanist-renaissancepaus. Naast de ontwikkeling van een belangrijk stadsvernieuwingsplan, besloot hij het Vaticaan dat slechts een kille burcht was, om te bouwen en uit te breiden. Hij ontwierp een groots bouwplan dat zowel een nieuw paleis als een nieuwe basiliek omvatte maar waarvan slechts een uiterst miniem deel gerealiseerd werd.

Rond de Cortile dei Pappagalli liet hij een vierkant complex optrekken waarin de bestaande dertiende-eeuwse gebouwen werden opgenomen. De buitenkant behield het aanzien van een fort, maar het interieur verfraaide hij met weelderige decoraties. De paus vroeg Fra Angelico zijn privékapel, de Cappella Niccolina in de toren van Innocentius III van fresco’s te voorzien. Daarna hebben bijna alle pausen het paleis van Nicolaas V verbouwd. Even terzijde: het was deze Nicolaas V die begon met de traditie van de wekelijkse pauselijke zegeningen op zondag op het Sint-Pietersplein.

Paulus II (1464-1471) verbleef liever in palazzo Venezia dat hij als kardinaal had laten bouwen. Zijn opvolgers keerden echter terug naar het Vaticaan en gebruikten palazzo Venezia als extra verblijf. Sixtus IV (1471-1484) liet op de benedenverdieping van de noordvleugel van het Vaticaans paleis een bibliotheek inrichten, de huidige conferentiezaal van de paus. Aan de westkant bouwde hij de Sixtijnse Kapel.

Ongeveer 300 m ten noorden van het paleis van Nicolaas V bouwde Innocentius VIII (1484-1492) het palazzo del Belvedere. Het werd door de pausen gebruikt om hun steeds groter wordende kunstverzameling in onder te brengen. In 1493-1494 voegde Alexander VI de Torre Borgia toe en nam hij zijn intrek boven de bibliotheek van Sixtus IV. Hij richtte de Borgiazalen in en liet het paleis door middel van een gang met de Engelenburcht verbinden, dit is de befaamde en nog steeds bestaande Passetto.

Julius II (1503-1513) woonde boven de vertrekken van Alexander VI in de appartementen die Nicolaas V had laten decoreren door Piero della Francesca, Benedetto Bonfigli en Andrea del Castagno. Hij liet Rafaël nieuwe schilderingen aanbrengen en vroeg Michelangelo voor de beschildering van de Cappella Sistina en Bramante voor de bouw van de loggia’s, die Leo X (1513-1521) door Rafaël met fresco’s liet versieren.

Julius II die de oude Sint-Pieter had laten afbreken, gaf Bramante opdracht het paleis van Nicolaas V met het Belvedere van Innocentius VIII te verbinden door twee lange, smalle galerijen. Zo ontstond de Cortile del Belvedere, een grote rechthoekige binnenplaats. Deze ruimte ging vlug een eigen leven leiden.

Tuinen en fonteinen werden aangelegd met een grote nis op beide uiteinden. Eén daarvan werd ingericht als amfitheater zodat het noordelijke deel van het binnenplein het ‘teatro di Belvedere’ werd genoemd. Gedurende een eeuw werden er opvoeringen gehouden, tornooien georganiseerd, banketten opgesmuld, alles opgeluisterd met vuurwerk en muziek.

Het laatste tornooi werd onder Pius IV (1559-1565) gehouden ter gelegenheid van het huwelijk van de broer van kardinaal Altemps (het paleis van deze kardinaal is nu het museum Altemps, vlakbij Piazza Navona) met Hortensia, de zus van Carolus Borromeus (Carlo Borromeo), die nicht en neef waren van de paus. Hier werd ook de olifant Annone ondergebracht, die de Medici-paus Leo X (1513-1521) in 1514 van de Portugese koning Emanuel I als geschenk had gekregen. De renaissancepausen waren zo opgetogen met dit plein dat het ‘il atrio del piacere’ werd genoemd.

Paulus III (1534-1549) liet Antonio da Sangallo de Jonge de Sala Regia (naast de Sixtijnse kapel) inrichten. Hij bouwde tevens de Cappella Paolina, waarvoor Michelangelo de fresco’s maakte. In opdracht van Pius IV (1559-1565) veranderde Pirro Ligorio de Cortile del Belvedere van Julius II. Aan de noordzijde, aan de kant van het Belvedere, bouwde hij een grote nis waarvoor de Pigna kwam te staan. Deze grote dennenappel fungeerde gedurende meer dan tien eeuwen als fontein in het midden van het atrium van de oude Sint-Pietersbasiliek.

Onder Pius V (1566-1572) en Sixtus V (1585-1590) bouwde Domenico Fontana in 1588 achter de huidige (toen nog niet bestaande) rechter colonnade de nieuwe paleisvleugel waarin vandaag de privévertrekken van de paus liggen. Dezelfde architect ontwierp tevens de Salone Sistino, een bibliotheekvleugel waardoor een tweede binnenplaats, de Cortile della Pigna, ontstond. Sixtus V kon inderdaad niet leven met het wereldlijke ‘teatro del Belvedere’ van Julius II en halveerde zodoende de oppervlakte door de bouw van een transversale vleugel.

Zijn opvolgers overwogen uiteraard om deze nieuwe vleugel af te breken om zo terug over het grote ‘atrio del piacere’ te kunnen beschikken, maar uiteindelijk is de transversale vleugel blijven staan. Met uitzondering van de monumentale Scala Regia, waarvoor Urbanus VIII (1623-1644) Bernini inschakelde, werden alle latere verbouwingen uitgevoerd in samenhang met de uitbreiding van het Vaticaanse museum.

Zo werd twee eeuwen later onder Pius VII (1800-1823) een tweede transversale vleugel toegevoegd, de Braccio Nuovo. De oorspronkelijk grote cortile del Belvedere werd daardoor in drie binnenplaatsen opgesplitst, de verkleinde cortile del Belvedere, de nieuwe cortile della Biblioteca en de cortile della Pigna. In 1932 opende de Vaticaanse Pinacotheek en tot slot liet Johannes XXIII (1958-1963) een moderne vleugel bouwen voor het museo Gregoriano profano en het museo Cristiano; zij omvatten de verzameling die zich tot dan in het Lateraanse Museum bevond.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s