De Città dell’Acqua aan de Vicus Caprarius

De archeologische zone rond de Vicus Caprarius in Rome wordt ook wel eens omschreven als de Città dell’Acqua of de Stad van Water. Het krachtig stromende bronwater van de L’Acquedotto Vergine, dat via een eeuwenoude ondergrondse filtering een aanzienlijk deel van Rome van vers, drinkbaar water voorziet, is hier immers haast tastbaar en constant aanwezig in de vorm van distributietanks, filters en waterleidingen uit de oudheid. Meer nog dan alle andere vondsten op deze site behoren ze tot de meest authentieke en tastbare voorbeelden van de buitengewone Romeinse bouwkunst uit de oudheid. Het is eens te meer een bewijs dat de Romeinen reeds in de oudheid zeer goed op de hoogte waren van hydraulische engineering.

Bij de verbouwing van een oude bioscoop, vlakbij de Trevifontein, werd in de periode tussen 1999 en 2001 een archeologische zone van ongeveer 400 m² onderzocht tot op een diepte van zowat 9 m. De onderzoekers ontdekten twee aaneengesloten maar oorspronkelijk apart staande huizen uit de eerste eeuw die later werden omgebouwd tot een groot en luxueus wooncomplex van ongeveer 2.000 m².

De eerste structuren dateren uit de tijd van keizer Nero en werden gebouwd na de beruchte en verwoestende stadsbrand in 64. Daarnaast werden talrijke andere fraaie vondsten uit de Romeinse keizertijd aangetroffen, waaronder een beeld van Alexander Helios. De mooiste stukken kregen inmiddels een plaatsje in het kleine museum op de site zelf. De Vicus Caprarius bevindt zich in de Vicolo del Puttarello 25, een klein en enigszins verborgen steegje op amper 80 m van de Trevifontein.

De stedelijke ontwikkeling op deze plek begon met Agrippa, die het water van de Aqua Virgo in 19 v. Chr. over een afstand van ongeveer 22 km naar de stad leidde. Het water moest dienen om de thermen te voeden, waarvan zich vandaag achter het Pantheon nog enkele schaarse overblijfselen bevinden.

Het complex dat we vandaag kennen als de Vicus Caprarius was aan de noordelijke zijde verdeeld in drie verdiepingen van ongeveer 12 m hoog. De eerste bouwfase gebeurde zoals verteld in de tijd van keizer Nero en is één van de oudste bekende Romeinse appartementen. Vermoedelijk werd het gebouw na de grote brand van 64, toen Nero de stad liet heropbouwen, een eerste keer geherstructureerd. Een tweede grote ingreep dateert uit de tijd van keizer Marcus Aurelius (161 – 180).

Heel wat later, in het midden van de vierde eeuw, werd het complex omgevormd tot een luxe verblijf, vermoedelijk de woning van een senator. De luxe is merkbaar aan de nog steeds fraaie mozaïekvloer, uitgevoerd met gekleurde stukjes marmer. Het geheel doet wat denken aan de Case Romane, het prachtige woningencomplex aan de Clivus Scauri, een wat minder bekende maar indrukwekkende archeologische site.

Omstreeks het midden van de vijfde eeuw werd het wooncomplex opnieuw door een hevige brand met de grond gelijk gemaakt. De plundering van Rome door de Vandalen (455) situeert zich precies in die periode. Op een hoger niveau bevinden zich nog twee andere wooneenheden, met verschillende bouwfasen, die dateren uit de twaalfde en de dertiende eeuw.

Het gebouw aan de zuidelijke zijde bleef eveneens goed bewaard maar de bestemming is onduidelijk. De kamers zijn erg groot, wat doet vermoeden dat het complex een openbare functie heeft gehad. De oorspronkelijke bouwfase kan ook hier worden teruggevoerd tot de tijd van Nero. In de periode van keizer Hadrianus gebeurden er ingrijpende verbouwingswerken, waarbij twee kamers, naast de Vicus Caprarius werden omgebouwd tot één groot waterreservoir, goed voor zo’n 150.000 liter.

Wellicht gaat het hier om een Castellum Aquae, één van de legendarische distributieposten voor de stedelijke waterverdeling waarvan literaire bronnen uit de oudheid 18 keer melding maken maar waarvan er tot dusver nooit eentje in Rome werd ontdekt. Enkel in Pompeii werd in 1902 een Castellum Aquae opgegraven. De Romeinse militair en architect Vitruvius zou de bedenker geweest zijn van dergelijke waterverdeelstations.

De manier waarop het aan de Vicus Caprarius ontdekte waterreservoir werd gebouwd is zonder meer indrukwekkend. De dikte van de muren werd verdubbeld om de enorme waterdruk te kunnen weerstaan. Alle oppervlakken werden bedekt met een dikke laag cocciopesto, een Romeinse pleistermortel voor binnen- en buitengebruik. Dergelijke voorgemengde mortel, samengesteld uit hydraulische kalk, wordt verkregen door de calcinatie op lage temperatuur van siliciumhoudende kalkstenen en gedeshydrateerd baksteenpoeder. Dat werd verkregen door de verbrijzeling van bakstenen en dakpannen in op lage temperatuur gebakken klei.

De Romeinen kenden reeds het verschil tussen luchtkalk en hydraulische kalk. In bepaalde streken vonden ze echter geen siliciumhoudende kalkstenen en konden ze dus ook geen hydraulische kalk maken. Door gruis van gebakken kleiproducten (dakpannen, potscherven en dergelijke) te mengen met luchtkalk werd een hydraulisch afbindende kalk verkregen. Cocciopesto is vooral bekend om zijn zeer specifieke eigenschappen in verband met water. Het wordt in meerdere lagen aangebracht en is een uitstekende drager voor vele andere afwerkpleisters. Het verhardt langzaam, maar dat garandeert juist de bijzondere elasticiteit, de stabiliteit en de stootvastheid.

Een opvallende eigenschap is de zeer hoge doorlaatbaarheid van waterdamp. De pleister is zeer goed bestand tegen water en vormt door een enorm adhesievermogen na de volledige uitharding vrijwel één geheel met de ondergrond. Na de val van Rome zou het vele eeuwen duren vooraleer opnieuw een dergelijke waterdichte pleisterkalk zou worden ontdekt en zelfs toen heeft men nog lang moeten sleutelen om het product bij benadering dezelfde eigenschappen te geven dan de Romeinse versie uit de oudheid.

Het waterreservoir van de Vicus Caprarius moet dus vrij belangrijk geweest zijn. Opvallend is dat er geen kalkaanslag werd gevonden. Anderzijds was en is het water van de Aqua Virgo zeer zuiver en is de hoeveelheid calcium extreem laag. De tank werd in de eerste helft van de zesde eeuw buiten gebruik gesteld, waarschijnlijk omdat toen ook de watertoevoer naar de stad overal onderbroken werd.

Behalve 14.000 decoratieve marmeren en bronzen voorwerpen werd er tijdens de opgravingen rond de Vicus Caprarius ook een schat ontdekt, bestaande uit 873 kleine bronzen munten (gedateerd tussen het einde van de derde en de helft van de vijfde eeuw) en een as van keizer Claudius (41-54 na Chr.). Dat is een aanzienlijk aantal munten, maar die som was volgens archeologen nauwelijks voldoende om een maand te overleven. Brons was de laagste waarde, waardoor de geldstukken dus niet zo heel waardevol waren. De koopkracht werd immers afgemeten aan de waarde van het materiaal waaruit de munt was vervaardigd.

Het gaat vermoedelijk om het geld van één van de dienaren uit het complex. Waarschijnlijk was het huishoudgeld, verstrekt voor de dagelijkse behoeften en boodschappen voor de meester van het huis. Op dezelfde plaats werden ook textielresten gevonden, wellicht de zak waarin de munten werden bewaard. De munten werden zorgvuldig gereinigd en maken nu deel uit van de collectie op de site.

De naam Vicus Caprarius of Capralicus is waarschijnlijk afkomstig is van de aanwezigheid van ‘aedicula Caprara’, een plek van verering gekoppeld aan Juno Caprotina. Toen de Romeinen na de verwoesting van de stad door de Galliërs erg verzwakt waren, maakten hun buren onder de leiding van de stad Fidenae gebruik om hen aan te vallen. Zij eisten van de Romeinen de uitlevering van al hun meisjes en vrouwen. Een slavin bood aan om met andere meisjes, even dienstbaar als zij, in Romeinse klederdracht uitgedost, naar het vijandelijke leger te gaan en zo de aanvallers te misleiden.

Toen ze daar aangekomen waren en er een gastmaal ter ere van hun komst was aangericht, gaven zij, nadat de vijanden in een diepe slaap gedompeld waren, vanop de top van een wilde vijgenboom (caprificus) een teken aan de Romeinen, die een uitval deden en hun tegenstanders versloegen. De slavinnen werden allemaal vrijgelaten en van staatswege werd hen een bruidschat toegekend. Men beschouwde Juno als de godin, die deze zaak tot een goed einde had gebracht en zo ontstond ook het jaarlijkse feest, waarop die gebeurtenis herdacht werd.

De tentoonstelling op de site toont onder meer een selectie van de vondsten die tijdens de opgravingen werden ontdekt. Het meest interessante stuk is wellicht een gedeelte van een hoge reliëf (misschien afkomstig uit de voorkant van een sarcofaag) met mannenhoofden. Het beeldje van Horus als valk is een typisch voorbeeld van imitatie van Egyptische kunst in de Romeinse stedelijke gebieden. Het beeldje was zonder twijfel bestemd om te worden aanbeden. De herkomst is terug te leiden tot de tempel van Serapis aan het Quirinaal.

www.vicuscaprarius.com

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s