Marcus Aurelius in de Capitolijnse Musea

In de Capitolijnse Musea kan je vanuit zaal XII naar het nieuwe gedeelte van het museumcomplex; als je rechtdoor gaat bereik je Zaal XXV, het zogenaamde ‘Esedra di Marco Aurelio’, waar tegenwoordig het originele ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius staat (zie onze vorige bijdrage). Deze moderne overkoepeling wordt beschouwd als een (bescheiden) architecturaal antwoord op sir Norman Fosters ‘Great Court’ van het British Museum in Londen. In het midden staat het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius. Om de begrijpelijke redenen die we gisteren vertelden, gaf men het originele beeld na de jongste restauratie een plaatsje in het museum en werd buiten, op het voetstuk in het midden van Piazza del Campidoglio, een replica geplaatst.

Jammer is wel dat men het beeld in het museum van zijn voetstuk heeft beroofd en erger, het geplaatst heeft als zwevend, op een schuin hellend vlak. Robert Hughes (De zeven levens van Rome, 2011) omschrijft dit als ‘intellectueel vandalisme’. Het is voor de betekenis van dit beeld inderdaad van belang dat zowel de ruiter als het paard horizontaal staan, anders gaat hun robuuste gezag verloren en verliest het kunstwerk een aanzienlijk deel van zijn uitstraling.

In deze nieuwe opstelling, die ongetwijfeld ook zou worden afgekeurd door Michelangelo, wordt het beeld van Marcus Aurelius eigenlijk een parodie op het bronzen beeld van Peter de Grote, de Bronzen Ruiter uit Poesjkins gedicht, dat steigerend op zijn rotsblok in Sint-Petersburg staat. Hoe fraai de exedra ook mag uitgevoerd zijn, een dommere behandeling van een groots kunstwerk uit de oudheid kan men zich nauwelijks voorstellen en treffen we in Rome gelukkig ook niet vaker aan. Maar goed, het beeld zelf blijft gelukkig wat het is: een meesterwerk waarvan men zich tijdens het museumbezoek slechts met moeite kan losmaken.

Let in deze zaal ook op de grote bronzen Hercules, dit beeld werd door Jan Gossaert (1478-1532) in 1509 getekend bij zijn bezoek aan het kort daarvoor opgerichte museum van Sixtus IV (1471-1484). In Palazzo Nuovo bevindt zich vandaag nog steeds deze oudste nog bestaande kunstverzameling ter wereld, die vanaf 1471 op initiatief van Sixtus IV werd samengesteld.

Paus Clemens XII Corsini, de Florentijnse paus die in zijn tijd het roken verbood, maar ook de aanzet gaf voor de bouw van de Trevifontein en de nieuwe gevel van de basiliek San Giovanni in Laterano (Sint-Jan van Lateranen) stelde de collectie in 1734 open voor het publiek en stichtte daarmee het eerste openbaar toegankelijke museum ter wereld. Daarmee was de basis gelegd voor de latere Capitolijnse Musea.

De Henegouwse schilder Jan Gossaert (Mabuse of Maubeuge) behoorde tijdens zijn Italiëreis tot het gevolg van Filips van Bourgondië, de bastaardzoon van Filips de Goede. Gossaert werd, na enkele jaren in Brugge te hebben gewerkt, onder de naam Jennyn van Henegouwe in het Antwerpse schildersgilde ingeschreven (1503).

In zijn vroege periode was hij een van de voornaamste vertegenwoordigers van het Antwerpse maniërisme. In 1508 vertrok hij in het gevolg van Filips van Bourgondië naar Rome, waar hij een levendige belangstelling toonde voor de antieke kunst. Eind 1509 vestigde hij zich te Middelburg. Vanaf 1515 werkte hij daar voor Filips van Bourgondië,samen met de Italiaanse schilder Jacopo de’ Barbari, in het kasteel Souburg.

Hij volgde zijn beschermheer in 1517 naar het kasteel van Wijk bij Duurstede, toen deze bisschop van Utrecht werd. In 1525 keerde hij terug naar Middelburg, wellicht om er in dienst van Adolf van Bourgondië te treden. Intussen voerde hij ook opdrachten uit voor Karel V, Margaretha van Oostenrijk en Christiaan II van Denemarken.

In de ontluiking van de renaissance in de Nederlanden heeft Gossaert een essentiële rol gespeeld. Al in de zestiende eeuw werd hij geroemd als degene die vanuit Italië de kunst had ingevoerd om profane onderwerpen met naaktfiguren te schilderen. Zijn lijnvoering is steeds vast en sierlijk, zijn figuren zijn plastisch gemodelleerd en overtuigend in de ruimte geïntegreerd.

Een reeks portretten van edelen getuigt van een scherpe opmerkingsgave en van een zuiver gevoel voor kleurenharmonie. Werk van zijn hand bevindt zich in o.m. het Rijksmuseum te Amsterdam, het Mauritshuis in Den Haag, de National Gallery in Londen en de Gemäldegalerie in Berlijn.

Marcus Aurelius Antoninus (121-180) heette eigenlijk Marcus Annius Verus en was keizer van 161 tot 180. Hij werd eerst door zijn gelijknamige grootvader en vervolgens (met recht van opvolging, samen met Lucius Verus), nog bij het leven en volgens de wens van keizer Hadrianus, door diens troonopvolger Antoninus Pius, als zoon geadopteerd. Hij huwde in 145 zijn nicht Faustina , dochter van Antoninus Pius, en stelde na diens dood in 161 op eigen gezag zijn adoptiefbroer Lucius Verus (in 169 kinderloos overleden) als medekeizer aan.

Onder nominale leiding van de passieve Verus voerden generaals als Avidius Cassius van 163 tot 165 met succes oorlog tegen de Parthen, waarbij zij Mesopotamië bezetten en tot in Medië doordrongen. Maar in 166 bracht het Romeinse leger uit het oosten de pest mee terug, een besmettelijke ziekte die vijftien jaar lang de bevolking van het Romeinse Rijk en Rome zelf zou decimeren.

Hetzelfde jaar begonnen de aanvallen van Germaanse volken (voornamelijk Marcomannen en Quaden) aan de Midden-Donau, die Marcus Aurelius, met tussenpozen, tot aan zijn dood moest afslaan (deze veldtochten zijn afgebeeld op de reliëfs van de Marcus Aurelius-zuil op Piazza Colonna in Rome). Een bijna ondraaglijke financiële belasting, met algemene verarming was het gevolg. In Voor-Azië liet Avidius Cassius zich in 175 tot keizer uitroepen, maar deze werd na drie maanden door zijn eigen troepen gedood.

Hoewel van nature tot studie en een beschouwelijk leven geneigd, toonde Marcus Aurelius, overtuigd stoïcijn en (incidentele christenvervolgingen ten spijt) humaan wetgever, zich als regent en opperbevelhebber plichtsgetrouw en capabel. Toen hij stierf, volgde Commodus, één van de weinige in leven gebleven kinderen uit zijn gelukkige huwelijk met Faustina, hem zonder oppositie op; naar het later heette, in strijd met een (achteraf geconstrueerd) ‘adoptiesysteem’.

Reeds op zeer jeugdige leeftijd kwam Marcus Aurelius in contact met de filosofie van de Stoa, die zijn leven inhoud zou geven. Als keizer hield hij de laatste tien jaar van zijn leven tijdens zijn lange en zware veldtochten een filosofisch dagboek bij: Ta eis heauton = Aan zichzelf (de titel is niet van de auteur), dat na zijn dood werd uitgegeven. Deze zeer persoonlijke aantekeningen, die niet of nauwelijks geredigeerd en niet gesystematiseerd zijn, doen hem kennen als één van de nobelste figuren uit de klassieke oudheid.

De filosoof op de troon zocht en vond in zijn wijsgerige overtuiging verhaal en steun voor de ongemakken van het leven en voor de zware verantwoordelijkheid die zijn hoge positie hem oplegde. Evenals dat van de door hem vereerde Epictetus (een Stoïcijns filosoof uit de eerste eeuw na Chr.) is ook Marcus Aurelius’ stoïcisme vooral een praktische levensfilosofie.

Een richtsnoer voor het bestaan vindt hij gegeven in de oude stoïsche spreuk: volg de natuur. De natuur is in laatste aanleg zowel rationeel als goddelijk; de mens kan zich derhalve getroost schikken in het onvermijdelijke en berusten in de anonimiteit van het rationele natuurlijke gebeuren. Dat betekent: leven met de goden, met het goddelijke dat in de natuur zowel als in de mensheid aanwezig is.

Voor het innerlijke leven moet men ervan uitgaan dat alleen de rationele vermogens waarde hebben. Aan ons gebruik daarvan kan niemand tornen. Al het andere is eigenlijk irrelevant. Men moet daarom vergevend tegenover zijn medemensen staan, die alleen uit onwetendheid nalaten het goede te doen.

De keizer hield als een strenge schoolmeester zijn onderdanen ernstige lessen voor. Zoals: ‘Als je ’s morgens vroeg niet uit je bed kunt komen, bedenk dan, ik sta toch op om mijn taak als mens te vervullen. Ben ik soms geschapen om onder de dekens te blijven? Maar, zeg je, dat is wel zo prettig! Ben je dan voor het plezier geboren? Zie je niet hoe de planten, de mussen, de mieren, de spinnen, de bijen, allemaal hun eigen werk doen? Wil jij dan niet je mensentaak verrichten….?’.

Toch was deze keizer zeer geliefd, hij bestuurde humaan maar zonder veel kracht. Zijn zwakheid bleek vooral noodlottig in de keuze van zijn opvolger, zijn ontaarde zoon Commodus die aan grootheidswaanzin leed en het behoorlijk bont heeft gemaakt.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s