Archief voor 1 februari 2017

De lotgevallen van een dode Borgiapaus

Posted in Romenieuws on 1 februari 2017 by romenieuws

In een vorig stukje brachten we een bezoek aan de Santa Maria di Monserrato, de kerk van de Spanjaarden in Rome. In de eerste kapel rechts van het gebouw bevindt zich het graf van de twee Spaanse Borgia-pausen Callistus III (1455-1458) en zijn neef, de door de geschiedenis verguisde Alexander VI (1492-1503). De familie Borgia (Borja in het Spaans) waren een Italiaans adellijk geslacht van Spaanse oorsprong, afkomstig uit Játiva bij Valencia, dat zich in de vijftiende eeuw na de benoeming van Alfonso, de bisschop van Valencia, tot kardinaal in Italië vestigde en daar grote invloed wist te verwerven.

Alfonso (of Alonso) de Borja, de latere paus Callistus III (ook wel geschreven als Calixus, Callixtus of Calixtus) was een uitstekende diplomaat en een bekwaam jurist en een man van voortreffelijk gedrag. Maar naast deze kwaliteiten had hij één verschrikkelijk gebrek: nepotisme en de daaruit voortvloeiende handel in kerkelijke ambten en aflaten. De beste postjes gingen steevast naar Catalanen en alle functies die macht en geld opleverden gingen zonder uitzondering naar de eigen familie.

Hij was slechts drie jaar paus, maar deze eerste Borgiapaus zou de geschiedenis ingaan als een zwak en incompetent figuur. In 1456 vaardigde hij de bul Inter Caetera uit die verordonneerde dat de Portugezen, Afrikanen en andere ongelovigen in slavernij mochten nemen, waarmee hij regelrecht tegen een oudere bul van paus Eugenius IV inging. Hij zette ook een postume herziening van het proces tegen Jeanne d’Arc in gang, die in 1431 op de brandstapel was terechtgesteld. Zij werd uiteindelijk op 7 juli 1456 onschuldig verklaard.

Alexander VI (Rodrigo Borgia), was de zoon van een zuster van paus Callistus III. De paus had zijn neef op 25-jarige leeftijd al aangesteld als kardinaal en vicekanselier en later als bisschop van Valencia. Op 6 augustus 1492 begon in de Sixtijnse Kapel het conclaaf dat Rodrigo Borgia zou kiezen als opvolger van paus Innocentius VIII. Rodrigo Borgia had vooraf zonder schaamte talrijke kostbare geschenken en goederen uitgedeeld om zijn invloedrijkste mede-kardinalen om te kopen.

Zo kreeg kardinaal Ascanio Maria Sforza een compleet paleis, aan kardinaal Giovanni Battista Orsini gaf hij de steden Monticelli en Soriano, kardinaal Giovanni Michiel kreeg het bisdom Portus, de stad Nepi ging naar kardinaal Scelfatano. Van de 23 stemgerechtigde kardinalen waren er slechts vijf die de steekpenningen weigerden. Het gevolg was dat Rodrigo Borgia in de nacht van 10 op 11 augustus met een overweldigende meerderheid tot paus werd gekozen.

De grote liefde van Rodrigo Borgia (1431-1503) was zijn minnares Vannozza de’ Cataneis. Toen hij in 1492 paus werd was Vannozza 50 jaar en moeder van vier (oorspronkelijk tien) nog in leven zijnde kinderen: Juan, Jofre, Lucretia en de (later beruchte) Cesare Borgia. Ook deze kinderen kregen belangrijke functies van de paus. Cesare werd kardinaal, Giovanni hertog van Gandía, Giuffré (Spaans: Jofre) prins van Squillace (Esquilache) en zijn dochter Lucrezia gouverneur van Spoleto.

Toen Alexander VI in 1503 stierf liet zijn zoon Cesare prompt de pauselijke vertrekken plunderen. Pas daarna mocht de dood van de paus openbaar gemaakt worden. Daarom werd de overleden paus in het geheim tijdelijk opgebaard, verstopt eigenlijk, achter een hekwerk in de oude Sint Pietersbasiliek. De paus was gestorven op 18 augustus, de warmste maand van het jaar. De ontbinding van het lichaam gebeurde dan ook zeer vlug en al gauw verspreidde zich een vreselijke lijkgeur door het Vaticaan.

In een verslag uit die tijd lezen we het volgende: ‘Des avonds na negen uur werd hij overgebracht naar de kapel van Santa Maria delle Febbri en in een hoek bij de linkermuur gezet, wat gebeurde door slechts zes kruiers die grapjes over de dode paus maakten. Omdat de timmerlieden de kist te nauw en te kort hadden gemaakt, plaatste men de mijter naast het lichaam en bedekte men het lichaam met een oud vloerkleed. Daarna duwden de mannen de paus met hun vuisten naar beneden opdat de kist zou passen, dit alles zonder fakkels of andere verlichting en zonder priester of iemand die op het dode lichaam toezicht hield.”

De lotgevallen van de dode paus waren echter nog lang niet voorbij. Aanvankelijk lagen de beide Borgiapausen afzonderlijk begraven in de oude Sint-Pietersbasiliek, maar toen hun graven moesten worden verplaatst voor de bouw van de nieuwe basiliek, werden hun stoffelijke resten voorlopig naar de San Giacomo degli Spagnoli (vandaag de Nostra Signora del Sacro Cuore) op Piazza Navona gebracht en nog later in de Santa Maria di Monserrato in de sacristie in een gemeenschappelijk graf gelegd.

Bij deze derde herbegraving raakten de beenderen van beide Borgiapausen door elkaar en vervolgens werden ze ‘vergeten’… tot 1881. Pas toen kregen ze in de Santa Maria di Monserrato een gemeenschappelijk grafmonument, maar ook toen liet het opnieuw fout, want onder de portretmedaillons werden de namen van beide pausen verwisseld. Met de dood van Alexander VI in 1503 verloor het Borgiageslacht snel zijn enorme invloed.

Cesare Borgia (1475-1507), de zoon van Rodrigo, werd op 15-jarige leeftijd bisschop van Pamplona, in 1492 aartsbisschop van Valencia en in 1493 kardinaal. Nadat hij in 1498 door de Franse koning Lodewijk XII tot hertog van Valentinois verheven was, gaf hij zijn kardinaalsfunctie op om om te huwen met Charlotte d’Albret (1499).

Zijn bondgenootschap met Frankrijk gebruikte hij voor zijn eigen eerzuchtige plannen in Italië; hij veroverde Romagna (waarover zijn vader hem tot hertog verhief) en organiseerde in Umbrië het bestuur onder bedwinging van de elkaar bestrijdende despootjes.

De dood van zijn vader verhinderde de verdere uitbreiding van zijn plannen (wat wellicht het koningschap zou geweest zijn. Hij sloeg op de vlucht voor zijn tegenstanders richting Napels, maar koning Ferdinand liet hem arresteren en naar Spanje overbrengen, waar hij twee jaar gevangen zat. In 1506 ontvluchtte hij naar zijn zwager in Navarra, maar reeds het daaropvolgende jaar sneuvelde hij tijdens een veldtocht in Spanje.

Cesare Borgia was een typische renaissance-avonturier, een zwijgzame en wrede intrigant, die in zijn streven naar macht en rijkdom niet voor verraad en moord terugdeinsde (hij zou o.a. zijn broer Giovanni en zijn zwager Alfonso van Bisceglia vermoord hebben). Daarnaast was hij ook een hartstochtelijk schoonheidsgenieter, die vele kunstenaars en geleerden beschermde, en voorts een behoorlijk goed bestuurder van de door hem veroverde gebieden. Machiavelli nam hem bij het schrijven van Il Principe als voorbeeld.

Lucrezia Borgia (1480-1519), de dochter van Rodrigo, was evenals haar broer Cesare avontuurlijk, artistiek en lichtzinnig. Haar zedelijke verdorvenheid was een gevolg van de opvoeding door haar vader, paus Alexander VI, die zijn schone en intelligente dochter reeds sinds haar elfde jaar gebruikte als werktuig voor zijn politieke doeleinden.

Viermaal deed hij haar huwen; van haar eerste twee echtgenoten liet hij haar scheiden; de derde, hertog Alfonso van Bisceglia, weigerde zijn vrouw op te geven ter wille van de pro-Franse politiek van zijn schoonvader en zwager Cesare en werd – naar verluidt op bevel van deze laatste – in 1500 gewurgd.

Met Lucrezia’s vierde huwelijk, met Alfonso d’Este, de latere hertog van Ferrara, kwam aan haar avontuurlijke leven een eind; zij verwisselde de politiek voor de verzorging van haar vijf kinderen en maakte door haar boeiende persoonlijkheid het schitterende hof in Ferrara tot een middelpunt van wetenschapsbeoefenaars en kunstenaars (o.a. Ariosto en Bembo).

Francesco Borgia (1510-1572), de achterkleinzoon van Rodrigo, was hertog van Gandía en onderkoning van Catalonië (1539-1543). Na de dood van zijn vrouw (1546) trad hij in bij de jezuïeten. In 1548 verkreeg hij de pauselijke goedkeuring voor de Geestelijke oefeningen van Ignatius.

Na zijn promotie tot doctor in de theologie werd hij in 1550 tot priester gewijd. Hij had veelvuldig contact met het hof van keizer Karel V en bekleedde hoge functies in zijn orde. De Spaanse inquisitie verbood in 1559 Obras del cristiano, gedeeltelijk geschreven volgens zijn ideeën. Hij vluchtte naar Portugal en vandaar begaf hij zich in 1561 naar Rome. In 1565 werd hij gekozen tot (derde) generaal van zijn orde. Hij werd heilig verklaard in 1671. Zijn feestdag is 10 oktober.

In de Borgiakapel in de Santa Maria di Monserrato vind je boven het altaar ook nog de verrassende en in de kunstliteratuur hoog aangeschreven ‘San Diego d’Alcantata’ door Annibale Carracci (1560-1609).

Advertenties