Archief voor 3 februari 2017

De eerste vrouw die als kunstenares werd erkend

Posted in Romenieuws on 3 februari 2017 by romenieuws

In Palazzo Braschi, vlakbij Piazza Navona in Rome, kan je nog tot 8 mei kennismaken met het werk van de Italiaanse schilderes Artemisia Gentileschi (1593-1652) en een aantal van haar tijdgenoten. Gentileschi was één van de eerste vrouwen, zoniet dé eerste, die als volwaardig kunstenaar werd erkend. Zij was haar tijd ver vooruit, toonde zich onversaagd tegenover haar mannelijke en jaloerse collega’s en ze schilderde vrouwen meestal als sterke, zelfverzekerde figuren. Wie haar werk niet kent, mist een stukje kunstgeschiedenis en heeft nu in Rome een unieke kans om daar iets aan te doen. De schilderijen van Artemisia Gentileschi zien er vandaag nog altijd sprankelend uit.

Ze was een leerlinge van haar vader Orazio Gentileschi en van Agostino Tassi, behoorlijk getalenteerde kunstenaars, die ze later moeiteloos zou overtreffen. Gentileschi werkte van 1614 tot 1620 in Firenze in dienst van de groothertog. Daarna werkte ze een tiental jaren in Rome en van 1630 tot 1651 in Napels. Haar verblijf daar werd wel onderbroken toen ze in 1638 een reis maakte naar haar vader in Engeland.

Het bekendste werk van Artemisia Gentileschi is wellicht de klassieke ‘Judith doodt Holofernes’, een doek dat ze omstreeks 1620 schilderde en dat ook te bewonderen is op de tentoonstelling in Palazzo Braschi. Het doek ontleent zijn dramatiek aan het gebruik van clair-obscur, een schilderwijze die wordt gekenmerkt door geprononceerde lichte en donkere (schaduw)partijen om een maximaal effect te verkrijgen.

De invloed van Caravaggio, de grondlegger van deze schildertechniek, op dit werk van Gentileschi is zeer duidelijk zichtbaar. Ook in Spanje werd deze techniek overgenomen (de zogenaamde tenebroso-stijl) en later toonde ook Rembrandt zich een liefhebber. Caravaggisten is de algemene benaming voor de schilders die in hun werk de invloed hebben ondergaan van Caravaggio, met name van diens coloriet, de clair-obscur-lichtbehandeling en de realistische vormgeving.

In de Nederlanden wordt de term vooral gebruikt voor een groep schilders die voornamelijk werkten in Utrecht in de periode tussen 1615 en 1635. Na hun terugkeer uit Rome introduceerden ze de unieke en vernieuwende stijl van Caravaggio in onze gewesten. Zij maakten in Rome ook kennis met Caravaggio’s tijdgenoten zoals Orazio Gentileschi, Giovanni Baglione en Bartolomeo Manfredi.

Tot de belangrijkste Utrechtse caravaggisten behoren Hendrik Terbrugghen (1588-1629), Gerard van Honthorst (1590-1656), Dirck van Baburen (1595-1624) en Jan van Bijlert. In het Centraal Museum in Utrecht zijn werken van hen te zien. Een bekende navolger van Caravaggio is de Georges de La Tour (Frankrijk) die tijdens zijn leven grote bekendheid genoot maar na zijn dood in de vergetelheid geraakte en pas in de twintigste eeuw werd herontdekt.

In Spanje waren José de Ribera (1591-1652) en ook wel Francisco de Zurbarán (1598-1664) bekende caravaggisten. José de Ribera die omwille van zijn kleine, gedrongen gestalte ook Lo Spagnoletto werd genoemd, reisde reeds op jeugdige leeftijd naar Italië. Hij bestudeerde daar vooral het werk van Titiaan en Correggio en had een grote bewondering voor Rafaël en Caravaggio. Omstreeks 1616 vestigde hij zich voorgoed in Napels, waar hij hofschilder van de Spaanse vice-koning was. In 1626 werd de Ribera, die tevens een uitstekende kopergraveur was, opgenomen in de befaamde Accademia di San Luca.

De Noord-Nederlandse schilder Hendrik Terbrugghen (of Ter Brugghen) werd geboren in Deventer en mag de belangrijkste van de (Utrechtse) caravaggisten worden genoemd. Hij was wellicht een leerling van Abraham Bloemaert in Utrecht. Het is niet bekend wanneer hij naar Italië vertrokken is. In de zomer van 1614 was hij alleszins op de terugweg naar Utrecht, waar hij in april 1615 vermeld wordt. Ook over zijn verblijf en werk in Italië is nauwelijks iets bekend. Wel is zeker dat hij in Rome verbleven heeft. Terbrugghen was de eerste Utrechtse schilder die de stijl van Caravaggio en van diens navolgers op een persoonlijke wijze verwerkte.

Tot zijn beste werken behoren zijn Vier Evangelisten (stadhuis, Deventer), Fluitspelers (Hess. Landesmuseum, Kassel) en de H. Sebastiaen (Oberlin College, Ohio). Zijn historiestukken zijn nogal ongelijk van kwaliteit. Opmerkelijk is zijn pastelachtig, teer coloriet met voorliefde voor roze en paarse schakeringen. Hij wordt terecht beschouwd als de belangrijkste voorloper van het luminisme van Johannes Vermeer. Het Centraal Museum te Utrecht bezit een aantal werken van hem.

De in Utrecht geboren Gerard van Honthorst schilderde vooral mythologische en historische voorstellingen, portretten en genrestukken. Hij was een leerling van Abraham Bloemaert en verbleef vanaf circa 1610-1612 tot 1620 in Italië, waar hij behoorlijk indruk moet hebben gemaakt en al snel aan het werk kon voor de adel en de hoge geestelijkheid in Rome en Firenze.

In Italië kwam Gerard van Honthorst in contact met de dramatische en uit sterke contrasten opgebouwde lichtbehandeling van Caravaggio en de schilders uit diens school. In die periode maakte hij zijn beste schilderijen. In Italië kreeg hij de bijnaam Gherardo delle Notti of Gerard van de nachtvoorstellingen. Het werk van Gerard van Honthorst had veel invloed op de Nederlandse schilderkunst. Eén van zijn mooiste werken, ‘Het concert’ uit 1624, bevindt zich niet in Nederland of in Italiê maar in het Louvre in Parijs. In de Santa Maria della Scala in Rome is wel zijn ‘Onthoofding van Johannes de Doper’ uit 1618 te zien, de Uffizi in Firenze toont de ‘Aanbidding van de herders’ uit 1620.

Na zijn Italiaanse periode keerde hij terug naar Utrecht en werkte later nog in Londen (1628) en ‘s-Gravenhage (1637-1652). Weer terug in Utrecht bleek dat al die reizen en invloeden ervoor hadden gezorgd dat hij er verschillende manieren van schilderen op nahield.Behalve caravaggeske nachtstukken met kaarslichteffecten, schilderde hij nu ook lichte, zachtkleurige taferelen, die aan Bloemaert doen denken.

Zijn talrijke portretten vertonen aanvankelijk de Hollandse invloed van Michiel Jansz. van Mierevelt, later sluit hij aan bij de elegante, internationale portretstijl van Anthoon van Dijck. Hij werkte mee aan de versiering van het Huis ten Bosch in ‘s-Gravenhage en van andere kastelen en huizen. Zijn reputatie in Europese hofkringen (Engeland, Denemarken) was groot. Het Utrechtse Centraal Museum bezit een representatieve collectie van zijn werken.

De Utrechtse schilder Dirck van Baburen was een leerling van zijn stadsgenoot, de architect en portretschilder Paulus Moreelse. Net als zijn leermeester enkele jaren eerder trok ook Dirck van Baburen naar Rome, al bleef hij er wel langer, van 1611 tot 1622. Hij behoorde tot de stichters van de schildersbent, de zoenaamde Bentvueg(h)els. Hij kopieerde enkele malen ‘de Graflegging’ van Caravaggio en maakte enkele doeken voor de San Pietro in Montorio in Rome. Weer terug in Utrecht legde hij zich toe op bijbelse en mythologische taferelen en genrestukken, vaak met felle lichteffecten en een soms wat opdringerig clair-obscur. Chrispijn van de Passe en Cornelis Bloemaert maakten kopergravures van zijn werk

Jan van Bijlert was eveneens een Utrechtse historie-, genre- en portretschilder en een leerling van Abraham Bloemaert. Hij verbleef van 1621 tot 1624 in Rome, waar hij eveneens een aandeel had in de stichting van de Bentvueg(h)els. Zijn schilderijen zijn nogal ongelijk van kwaliteit, de vroege werken zijn vaak meer bezield dan de latere, die in een nogal lege academische trant zijn geschilderd.

De Noord- en Zuid-Nederlandse schilders die in de zeventiende eeuw in Italië werkten werden Italianisanten genoemd. Hun werken worden gekenmerkt door een fantastische weergave van Italiaanse (berg)landschappen en van ruïnes in een helder, zuidelijk zonlicht. De stoffering bestaat meestal uit herders met vee of andere genrefiguren uit het Italiaanse buitenleven.

De belangrijkste Italianisanten, die meestal al jarenlang in het zuiden werkzaam waren, vormden in Rome een soort club, de Bentvueg(h)els of de Bentvogels. Het schildersgenootschap was actief van 1623 tot 1720. De doelstelling van hun ‘bent’ (zonder statuut) was: elkaars rechten verdedigen, elkaar steun verlenen en van elkaars gezelschap genieten. De Bentvogels werden al gauw vooral berucht omwille van hun drinkgelagen, de inwijdingsceremonieën en hun toepasselijke of dubbelzinnige bijnamen. De groepering werd in 1720 door paus Clemens XI opgeheven.

De stijl van het werk van de meeste Bentvueghels sloot aanvankelijk aan bij die van Caravaggio en de Duitse schilder, tekenaar en etser Adam Elsheimer (1578-1610). Later werk bestond vooral uit landschaps- en genrestukken die later ook wel bambocciaden werden genoemd. Het Italiaanse bamboccio (dikzak, domoor, potsenmaker,…) was de benaming voor schilderingen van het volksleven (taferelen met kwakzalvers, boeren, bedelaars, scènes voor de herberg, op de kermis of de jaarmarkt) gemaakt door de Bamboccianti, een groep Nederlandse, Vlaamse en Italiaanse schilders die in de periode 1625-1650 in Rome werkte.

Il Bamboccio was de bentnaam van de schilder en etser Pieter Jacobsz van Laer (1592-1642) uit Haarlem, één van de stichters van de Bentvogels die als baanbreker van het genre geldt en aanvankelijk P.J. Boddink werd genoemd. Hij arriveerde omstreeks 1625 in Rome waar hij tot 1638 verbleef. Wegens zijn gebochelde gestalte kreeg hij in Italië de bijnaam Il Bamboccio. Hij ontwikkelde een bepaald type schilderingen, naar hem bambocciaden genoemd en veelvuldig nagevolgd. Zijn opvatting van het Italiaanse landschap werd medebepalend voor schilders als Jan Asselijn, Jan Baptist Weenix, Karel Dujardin en Nicolaes Pietersz. Berchem. Latere bekende Bentvuegels zijn o.a. Jan Asselyn, Jan Frans van Bloemen, Jan en Andries Both, Paulus Bor, Karel Dujardin, Cornelis van Poelenburgh, Jan Baptist Weenix en Caspar Adriaensz. van Wittel.

Advertenties