Een bezoek aan palazzo Braschi

In een vorig stukje kon je lezen dat je in palazzo Braschi, vlakbij Piazza Navona in Rome, nog tot 8 mei kan kennismaken met het werk van de fantastische Italiaanse kunstenares Artemisia Gentileschi (1593-1652) en een aantal van haar tijdgenoten. Gentileschi was één van de eerste vrouwen, zoniet dé eerste, die als volwaardig kunstenaar werd erkend. Zij was haar tijd ver vooruit, toonde zich onversaagd tegenover haar mannelijke en jaloerse collega’s en ze schilderde vrouwen meestal als sterke, zelfverzekerde figuren. Wie haar werk niet kent, mist een stukje kunstgeschiedenis en heeft nu in Rome een unieke kans om daar iets aan te doen. De schilderijen van Artemisia Gentileschi zien er vandaag nog altijd sprankelend uit. Vandaag brengen we een bezoek aan het gebouw waar je deze tentoonstelling kan bewonderen.

Aan Piazza San Pantaleo bevindt zich links van de gelijknamige kerk San Pantaleo, de smalle zijde van het reusachtige palazzo Braschi. De achterzijde van dit gebouw vormt de korte, rechte zijde van Piazza Navona. Dit renaissancepaleis, eerder indrukwekkend dan echt aantrekkelijk, werd in 1780 volledig herbouwd voor een neef van paus Pius VI. Het is het laatste palazzo in Rome dat voor de familie van een paus werd gebouwd, het is meteen ook de laatste uiting van nepotisme en in die zin geschiedkundig toch memorabel.

De buitenzijde van dit voor Rome behoorlijk jonge palazzo, doet eerder denken aan de zestiende eeuw wegens o.a. de opvallende alternerende vensterversieringen en de bosschages onderaan en op de hoeken. Na de eenwording van Italië in 1870 werd palazzo Braschi Italiaans staatsbezit. Sinds 1950 biedt het gebouw onderdak aan het ‘Museo storico di Roma’ dat zich toespitst op de Romeinse geschiedenis en de cultuur van de zestiende tot de negentiende eeuw.

Tickets voor een museumbezoek en/of voor een tijdelijke tentoonstelling (zoals momenteel deze van Artemisia Gentileschi) die er plaatsvindt, zijn verkrijgbaar in de mueumwinkel op het binnenplein dat vrij toegankelijk is vanaf Piazza San Pantaleo en Piazza Navona. De doorgang via het binnenplein verbindt deze twee pleinen met elkaar. Wegens personeels- of andere problemen zijn echter regelmatig delen van het museum gesloten.

Een bezoek begint in de immense trappenzaal die tevens dienst doet als de ingang tot het museum. Met zijn antieke granieten zuilen en geslaagd stucwerk is deze trappenzaal volgens de Nederlandse reisauteur Leo van Egeraat de meest pronkvolle van Rome. De achttien zuilen zijn afkomstig van een porticus die Caligula liet oprichten langs de oevers van de Tiber. Het nieuwe geheel is een ontwerp van Morelli en Valadier. Wie de beklimming van de trappen wil vermijden vindt achter de deur, links van de trap, een nauwelijks zichtbare lift.

Het museum bevat tientallen bustes en schilderijen van vele onbekende kardinalen door vrijwel onbekende kunstenaars, het zijn zeker geen topwerken. Ook zijn er weinig ‘Fiamminghi’ te vinden. Hier bevindt zich wel ‘Struikrovers in de omgeving van Rome’, een werk van Jan Miel (1607-1663) uit Beveren-Waas die zich omstreeks 1636 vestigde in Rome, waar hij contact had met Claude (le) Lorrain (1600-1682) voor wiens landschappen hij vaak de figuren schilderde.

Vanaf 1640 ging Jan Miel samenwerken met Andrea Sacchi. In het museum vindt je ‘Paus Urbanus VIII voor Christus’, een doek waaraan ze beiden hebben gewerkt. Jan Miel schilderde in 1951 voor paus Alexander VII ‘De doortocht der Rode Zee’, een werk dat zich momenteel in het Palazzo Quirinale in Rome bevindt. In 1658 werd Jan Miel hofschilder van Karel-Emanuel II van Savoye in Turijn, waar hij o.a. de plafondschilderingen in de troonzaal van het Palazzo Reale maakte. Jan Miel werd vooral bekend door zijn taferelen uit het volksleven, in de geest van de bamboccianti. We gaan het in de toekomst zeker nog hebben over deze fijne kunstenaar uit onze streken.

Op de eerste verdieping van het Museo storico di Roma in Palazzo Braschi (zaal 3) bevindt zich een terracottabeeld van de Zuid-Nederlandse beeldhouwer Frans Duquesnoy of Du Quesnoy (1597-1643), zijnde een model voor een portret van kardinaal Maurizio di Savoia. Frans Duquesnoy, bijgenaamd Il Fiammingo, werd opgeleid door zijn vader Hiëronimus. Dank zij een kunstsubsidie die hij op aanbeveling van Rubens had gekregen van aartshertog Albrecht, kon Frans Duquesnoy vanaf 1618 in Rome verblijven, waar hij aanvankelijk antieke beelden kopieerde.

Hij sloot er vriendschap met de Franse schilder Poussin, met wie hij ook werken van Titiaan bestudeerde. Samen met Bernini werkte hij aan het bronzen baldakijn in de Sint-Pietersbasiliek (1627-1628). Hij werd naar Parijs ontboden voor een belangrijke opdracht die hem de titel ‘sculpteur du roi’ zou opleveren, doch overleed onderweg.

Als kunstenaar was Frans Duquesnoy een rusteloze zoeker, die zelden tevreden was met het bereikte resultaat. Mede daardoor is het kleine aantal bewaard gebleven monumentale en eigenhandig gemaakte werken te verklaren. De kunstobjecten die overblijven, maken echter duidelijk dat hij tot één van de belangrijkste beeldhouwers van de zeventiende eeuw mag worden gerekend.

In zijn oeuvre kan men twee richtingen, beide even oprecht als gevoelvol, onderscheiden: een meer op de antieke kunst afgestemde, zoals de Santa Susanna (marmer, 1627, Santa Maria di Loreto in Rome), en een lossere, vrijere en krachtiger vormgeving, zoals de Sant Andreas (marmer, 1628-1640, Sint-Pietersbasiliek in Rome).

Deze laatste richting werd door zijn broer Hiëronimus de Jonge in Brussel en door Artus Quellien in Antwerpen, even bezield en beheerst, tot volle ontplooiing gebracht in de Vlaamse hoogbarok, waarvan Frans Duquesnoy, hoewel hij nooit meer zou terugkeren naar de Zuidelijke Nederlanden, de grondlegger is.

Van groot belang is ook zijn kleinsculptuur, voornamelijk putti, waarin hij in de grootste afwisseling van gebaren en compositie een schilderachtig effect bereikt, en zijn bronzen, waarin de antieke kunst voelbaar is. Een putto (Italiaans voor knaapje, in het meervoud putti) is de benaming voor de zowel in de beeldhouw- als in de schilderkunst voorkomende kleine, meestal geheel naakte jongetjes, met of zonder vleugels, die ter verlevendiging van de compositie werden aangebracht. De toepassing van putti als versieringselement maakte opgang gedurende de vijftiende eeuw, het zogenaamde Quattrocento. De putti zijn te zien als een voortzetting van de eroten, vermengd met elementen van de kinder-engelen, die tijdens de gotiek werden afgebeeld.

De bronzen putti van Frans Duquesnoy, meestal tussen 1625 en 1635 vervaardigd, werden tot in de achttiende eeuw talloze malen nagevolgd en gekopieerd. Daardoor is het behoorlijk moeilijk de originele en eigenhandig gemaakte werken van Duquesnoy te onderscheiden tussen de vele exemplaren die in omloop zijn. Ook het werk uit zijn jeugdjaren in Brussel is vermoedelijk van de hand van zijn vader. Het is eveneens twijfelachtig of al het aan hem toegeschreven ivoren snijwerk (voornamelijk kruisbeelden) van zijn hand is. Zoals verteld was Duquesnoy een perfectionist die zijn werk liever vernietigde dan een minder geslaagd exemplaar op de wereld los te laten.

Bekende werken van Frans Duquesnoy zijn alleszins de Putto op dolfijn (brons, Hofmuseum, Wenen), Mercurius en Amor (brons, Louvre, Parijs), Ecce Homo (brons, Metropolitan Museum, New York) en de Stoeiende putti (terracotta, in palazzo Spada, Rome). Het zijn stuk voor stuk belangrijke getuigen van zijn fraaie barokbeeldhouwerskunst.

In de derde zaal van het museum bevinden zich drie anonieme schilderijen die de feesten tonen die tijdens de zestiende en de zeventiende eeuw gehouden werden in het pauselijke paleis, op Piazza Navona (‘Giostra del Saraceno’, 1634) en in Testaccio. Wat verderop zijn fresco’s tentoongesteld uit inmiddels verdwenen palazzi, waaronder in de zesde zaal versieringen in clair-obscur van Polidoro da Caravaggio (1500-1543) en Maturino da Firenze (1490-1528). Beide, vandaag minder bekende meesters, waren destijds beroemd voor hun camaïeufresco’s uitgevoerd op de Romeinse gevels.

De mooie zestiende-eeuwse fresco’s in de zevende zaal zijn afkomstig uit een pauselijk paleis, ze stellen Apollo en de negen muzen voor en zijn van de Umbrische school. Na een aantal anonieme werken, die levendige taferelen op het Capitool tijdens de zeventiende eeuw oproepen en de plechtige processies van het Corpus Domini op het Sint-Pietersplein uitbeelden, komen we in een zaal met achttiende-eeuwse wandtapijten waarop kinderen in een tuin te zien zijn.

Vanuit een raam heb je hier een prachtig uitzicht op Piazza Navona. Open niet zelf het raam, dat levert boze reacties of zelfs een alarmsignaal op, maar vraag vriendelijk aan de aanwezige suppoost of je even naar buiten mag kijken. Het resultaat is een foto waard. Op de tweede verdieping bevinden zich aquarellen uit de reeks ‘Het verdwenen Rome’.

Let hier ook op het unieke mozaïekwerk afkomstig uit de oude Sint-Pietersbasiliek, daterend uit het einde van de twaalfde of het begin van de dertiende eeuw. De zesde zaal toont ook nog een mooi Chinees kabinet, maar vergeet vooral zaal 10 niet te bezoeken, waar een alkoof van het oude palazzo Torlonia wordt getoond. Dit gebouw bevond zich op de huidige Piazza Venezia maar moest in 1903 verdwijnen voor de bouw van het Vittoriano, het monument voor koning Vittorio Emanuele II.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s