Belgische kardinaal neemt titelkerk Santi Giovanni e Paolo in bezit

De Belgische kardinaal Jozef De Kesel heeft zaterdag in Rome zijn titelkerk in gebruik genomen, de basiliek van Santi Giovanni e Paolo. De datum was, gezien de enorme drukte, verschillende betogende groepen en de zeer strenge veiligheidsmaatregelen in het centrum van Rome (allemaal het gevolg van de plechtigheden rond de zestigste verjaardag van het Verdrag van Rome) een beetje ongelukkig gekozen. De basiliek van de heiligen Johannes en Paulus, waarover we binnenkort wat meer zullen vertellen, was ooit de titelkerk van 29 kardinalen, waaronder de latere Nederlandse paus Adrianus VI (1522-1523) en paus Pius XII (1939-1958).

Een titelkerk is een kerk die in het bisdom Rome door de paus titulair wordt toegekend aan (pas benoemde) kardinaal-priesters en kardinaal-diakens. Bij deze laatsten wordt ook wel gesproken van een titeldiaconie. Er zijn momenteel 223 kardinalen (van wie velen vanwege hun leeftijd niet meer stemgerechtigd zijn bij een conclaaf) en dus evenveel titelkerken. Aan alle titelkerken is het wapen van de titelhoudende kardinaal aan de voorgevel bevestigd.

Hoewel het gaat om een titulaire functie, maken de meeste kardinalen er een gewoonte van wanneer ze in Rome zijn hun titelkerk te bezoeken en er een eucharistieviering op te dragen. Jozef De Kesel (foto hieronder) nam zaterdag dus de Santi Giovanni e Paolo in gebruik, de Belgische kardinaal Godfried Danneels heeft de Sint-Anastasiabasiliek als titelkerk, de Nederlandse kardinaal Ad Simonis de basiliek van San Clemente en de eveneens Nederlandse kardinaal Wim Eijk de San Callisto. De koninklijke Belgische kerk Sint-Juliaan-der-Vlamingen (San Giuliano dei Fiamminghi) is de titelkerk van de Duitse kardinaal Walter Brandmüller.

Tegen het einde van de tweede eeuw, maar vooral tijdens de derde eeuw, toen de Kerk zich institutionaliseerde en de gelovigen talrijker werden, steeg de vraag naar grotere permanente liturgieruimtes. Door de onbaatzuchtige steun van vele rijke families, die hun riante herenhuizen ter beschikking van de Kerk stelden, kon in die behoefte worden voorzien. Deze woonhuizen, meestal met een verdieping, deden dienst als kerk gekend als domus ecclesia of huiskerk, maar ook als doopkapel, pastorie, sacristie en archief. Het hele kerkelijke gebeuren speelde zich daar af, ze zijn te beschouwen als de voorlopers van de parochies. Het naambordje of titulus van de eigenaar van het gebouw werd niet verwijderd, hij was en bleef immers de wettelijke eigenaar en was verantwoordelijk voor alles wat in zijn huis gebeurde.

Tituli of titelkerken waren toen dus zelfstandige huiskerken en werden gewoonlijk naar de eigenaars van het particuliere onroerend goed genoemd, zoals in titulus Caeciliae of titulus Anastastae, of de titulus Byzantii, genoemd naar de Romeinse senator Byzantius die zijn woning afstond aan de christenen. De naam van een titelkerk hoeft dus niet noodzakelijk een martelaar als oorsprong te hebben zoals weleens wordt gedacht.

De meeste titelkerken zijn ontstaan in de tijd vóór Constantijn, dus tijdens de tweede en de derde eeuw. Afhankelijk van de bronnen zou het aantal tituli in Rome in de derde eeuw geschommeld hebben tussen de 23 en 28, maar in werkelijkheid waren er waarschijnlijk veel meer: men schat het aantal christenen in die periode immers op ongeveer 30% van de bevolking. De titulus diende naast de eredienst, het begrip ‘misviering’ bestond nog niet, immers ook voor het dopen, de vorming, liefdadigheid, administratie en vaak ook als woonst van de clerus.

Sommige gemeenschappen konden een eigen gebouw oprichten dat soms enkel voor de cultus diende zoals bijvoorbeeld de eerste San Crisogono in Trastevere. Deze plaatsen, en vooral het exterieur, waren steeds zeer sober en eenvoudig ingericht, kwestie van de overheid niet uit te dagen. Later plaatste men voor de naam van de titulus San of Santa, en kreeg de naam een verkeerdelijk ‘heilige’ connotatie, wat soms tot verwarring zou leiden.

De institutionalisering van de Kerk bracht ook een verandering in de gezagsverhoudingen mee. De collegialiteit moest plaats maken voor een strenge hiërarchische ordening. De episcopus stelde zich boven de presbyter, hij werd het ‘monarchische’ hoofd van de christelijke gemeente oftewel bisschop. De presbyter ontwikkelde zich tot priester, hij leidde de titulus. Aanvankelijk was er voor elke titulus één presbyter beschikbaar, maar de groei van de Kerk maakte ook een uitbreiding van het aantal presbyters noodzakelijk.

In 250 telde Rome één bisschop en 46 presbyters, verdeeld over de tituli. De aanzienlijkste onder de presbyters van een titulus, wij zouden nu zeggen de pastoors, droeg de naam ‘presbyter cardinalis’. De functie van diaken veranderde niet. Naast de hogere geestelijkheid bestond er nog een lagere geestelijkheid, de ‘acolieten’ bestemd voor de altaardienst, de ‘lectoren’ of voorlezers, en de ‘exorcisten’ of duiveluitdrijvers. De tot een titulus behorende geestelijkheid woonde in de titulus. Als de huiskerk een verdieping had, lagen de woonvertrekken op de bovenverdieping.

In de geschiedenis van de tituli is het jaar 313 een keerpunt. Toen de christenen meer vrijheid kregen, ontstond de behoefte aan echte en grotere kerkgebouwen. De Kerk had inmiddels de oude huiskerken in volle eigendom, de eenvoudigste oplossing was dus of op die oude huiskerken, of in de onmiddellijke nabijheid daarvan, een nieuwe kerk te bouwen. De cultusruimte in de oude huiskerk bestond uit een rechthoekige ruimte, de christenen zochten dus een bouwvorm die daarop aansloot.

Zo kwamen ze tot de typisch ‘basilica’ die de Romeinen al langer gebruikten als handelsbeurs en/of gerechtsgebouw. De christenen hebben de oude tituli geleidelijk omgevormd tot basilica (basiliek) zonder het wezen van de titulus aan te tasten: ze lieten zoveel mogelijk de bij de titulus behorende ruimten intact. De basilicale tituli bleven de centra van het godsdienstige leven, de ruggengraat van de kerkelijke organisatie.

Tot het einde van de vierde eeuw bleven de tituli de naam dragen van de oorspronkelijke eigenaar, niet van degene die de basilica gebouwd had, al heeft men in de loop der tijd ook wel eens de eigenaar met de bouwheer verwisseld. Pas in de vijfde eeuw ging men geleidelijk aan de tituli hernoemen naar martelaren of andere heiligen. De titelhouder wist zich nog een tijdlang te handhaven naast de martelaar, maar in de daaropvolgende eeuwen raakten de meeste oorspronkelijke titelhouders in de vergetelheid. In 499 en 595 werd in Rome een synode gehouden waarvan de akten nog bestaan die toen ondertekend werden door de priesters van de verschillende titelkerken.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s