Archief voor april, 2017

Nieuwe rockopera Divo Nerone zorgt voor discussie in Rome

Posted in Romenieuws on 26 april 2017 by romenieuws

De reeds in januari aangekondigde rockopera Divo Nerone rond de figuur van keizer Nero, die wordt opgevoerd van 1 juni tot 10 september, beroert de gemoederen in Rome. Niet omwille van het verhaal of de acteurs, maar wel omwille van de locatie. In de Vigna Barberini, op de Palatijnse heuvel en vlakbij de plaats waar Nero ooit woonde, zijn technici momenteel bezig met de bouw van een enorme podiumstructuur van 36 m breed, 27 m diep en 14 m lang. Meteen barstte in Rome een discussie los of dit soort opvoeringen wel kan in het hart van een archeologische site. Rome en de toeristische sector rekenen er op dat de musical extra toeristen zal lokken.

Het stadsbestuur verdedigt zich door te stellen dat de kostprijs van de huur van het grondgebied integraal zal terugvloeien naar restauratieprojecten op het Forum Romanum. Het project staat ook onder bescherming van minister van Cultuur Dario Franceschini. Die claimt dat ook sites zoals het Colosseum, het Circus Maximus en de Thermen van Caracalla regelmatig worden opengesteld voor concerten en allerlei andere spektakels.

Tickets voor Divo Nerone zijn overigens nu al te koop aan prijzen tussen de 45 en 180 euro. Ongeveer de helft van het beschikbare aantal zitjes voor de hele periode is al verkocht. Per show kunnen er 3.025 bezoekers terecht.

Tot de verantwoordelijken van het project behoren de Oscar winnende decorbouwer Dante Ferretti en de liedjesschrijver Franco Migliacci, die in 1958 samen met Domenico Modugno de wereldhit ‘Nel blu dipinto di blu’, beter bekend als ‘Volare’ uitbracht. De producenten van de rockmusical Divo Nerone beloven dat het de ‘meest sensationele Italiaanse show ooit’ zal worden. De acteurs werden gekozen na audities in Rome, Londen en New York.

Tijdens de show zullen de veertien jaren van Nero’s leven als keizer worden behandeld. Nero was bezeten door schone kunsten, poëzie en Olympische sporten. Hij ging de geschiedenis in als de verantwoordelijke voor de grote brand van Rome in het jaar 64 en dat verhaal wordt tot vandaag vaak verteld. De actuele geschiedschrijving en kennis heeft echter komaf gemaakt met het beeld van de op zijn harp spelende despoot terwijl Rome in vlammen vergaat.

Archeoloog Francesco Prosperetti stelt vast dat de podiumlocatie zich inderdaad vlak bij de oorspronkelijke woonvertrekken van keizer Nero bevindt, vooral dan op een paar honderd meter van de fameuze draaiende eetzaal van de keizer (de coenatio rotunda, zie foto hieronder), maar dat de invloed op de delicate omgeving van de Palatijn verwaarloosbaar is. Enkel de grasvlakte wordt gebruikt, aan de monumenten wordt niet geraakt.

De organisatoren betalen 250.000 euro voor het gebruik van het gebied, wat een pak meer is dan de 100.000 euro die wordt betaald om in de zomermaanden de Thermen van Caracalla te mogen gebruiken als locatie voor gewone operavoorstellingen. Bovendien zou overeengekomen zijn dat drie procent van de opbrengst van de tickets naar de restauratie van de coenatio rotunda gaat. Voor een stad zoals Rome, die kampt met een miljardenschuld en inzake financiën vrijwel droog ligt, is dat een aanbod dat bijna onweerstaanbaar is.

Tegenstander Vittorio Emiliani, de voorzitter van het Comitato per la Bellezza ziet het anders: “Rome is niet goed wijs. Het lijkt wel alsof er een ruimteschip is geland. Oude archeologische structuren die destijds speciaal werden gebouwd voor spektakels, zoals bv. de theater-arena in Ostia Antica, zijn misschien wel bruikbaar voor bepaalde opvoeringen maar op een gevoelige plek zoals de Vigna Barberini op de Palatijnse heuvel een dergelijke reusachtige structuur neerzetten is waanzin”.

Voornamelijk in de laatste jaren van zijn regime ontwikkelde Nero zich tot een ware despoot. Toen Rome in 64 na Christus in brand stond beschuldigde hij de joodse en christelijke gemeenschap er later van verantwoordelijk te zijn voor deze misdaad, waarmee hij de eerste, en zeker niet de laatste, vervolging van deze volkeren inzette. Binnen een jaar vochten Galba, Otho, Vitellius en Vespasianus (vier Romeinse generaals) om de felbegeerde troon. Galba werd vermoord in opdracht van Otho. Otho pleegde zelfmoord na zijn nederlaag tegen Vitellius. Vitellius werd op zijn beurt vermoord en Vespasianus werd uiteindelijk keizer.

Nero Claudius Drusus Germanicus Caesar (Antium 15 december 37 – Rome 9 juni 68) was keizer van 54 tot 68. Nero was de zoon van Gnaeus Domitius Ahenobarbus en Agrippina de Jongere. Agrippina, die met keizer Claudius I huwde, slaagde er in het jaar 50 in haar zoon (tot dan toe Lucius Domitius Ahenobarbus geheten) te laten adopteren door Claudius. Bovendien huwde Nero in 53 Claudius’ dochter Octavia. Na de dood van Claudius I werd hij door de pretorianen tot keizer uitgeroepen.

Er ontstonden al gauw moeilijkheden door onenigheid tussen Nero en zijn moeder, die o.a. Claudius’ zoon Britannicus in bescherming nam. Britannicus werd in 55 vergiftigd, waarna Agrippina zich terugtrok. Ook al wijdde Nero zich in deze periode reeds hoofdzakelijk aan zijn liefhebberijen, toch werden vooral de provincies goed bestuurd, dankzij kundige stadhouders (Suetonius, Paullinus, Vespasianus, Corbulo) en de feitelijke rijksbestuurders Burrus en Seneca.

Geleidelijk aan wist Nero zich echter van iedere invloed en controle vrij te maken: in 59 liet hij Agrippina vermoorden; in 62 stierf Burrus en trok Seneca zich terug. Nero liet zich in datzelfde jaar van Octavia scheiden en liet haar vervolgens doden, waarna hij Poppaea Sabina (30 – 65) huwde. Poppaea Sabina was de dochter van Titus Ollius en eerder gehuwd met Marcus Salvius Otho. In 58 werd zij de minnares en in 62 de vrouw van Nero.

In deze periode gaf Nero zich vrijwel geheel over aan zijn hobby’s. Omstreeks het jaar 60 stichtte hij nieuwe spelen, waarin hij bij voorkeur ook zelf als voordrachtskunstenaar en acteur en zelfs als wagenmenner optrad, tot ongenoegen van de conventionele Romeinen. Nero meende dat alleen de Grieken zijn prestaties zouden waarderen en maakte daarom van 67 tot 68 een tournee in Griekenland.

Ondertussen leidde zijn machtsbesef tot machtswellust. Zijn uitspattingen en de oorlogen in Britannia en in het Oosten verslonden schatten. Inkomsten werden verkregen door muntverslechtering en confiscatie, het laatste veelal via processen wegens majesteitsschennis.

Nadat in 64 ongeveer twee derde van Rome door een enorme brand verwoest was, verdacht men Nero er ten onrechte van (ondanks zijn verdiensten voor de wederopbouw van de stad) de brand te hebben gesticht, o.a. omdat hij op het vrijgekomen terrein voor zichzelf een schitterend paleis, de Domus Aurea (het Gouden Huis) bouwde, dat zich uitstrekte van de Palatijn tot de Esquilijn. Hij leidde de verdenking in de richting van de christenen, die hij meedogenloos liet vervolgen (na latere branden in Rome bouwde Trajanus de naar hem genoemde thermen op de Esquilijn, waaronder later resten van de Domus Aureus zijn teruggevonden).

Doordat de keizer zich vooral bij de Senaat gehaat had gemaakt, ontstonden samenzweringen als die van Piso (in 65). Seneca en diens neef, de dichter Lucanus, werden als medeplichtigen tot zelfmoord gedwongen. Na de dood van Poppaea (in 65) volgden nog meer gerechtelijke moorden, o.a. op Petronius (in 66) en op Corbulo (in 67). In het Oosten werd de Parthische prins Tiridates koning van Armenië, terwijl de joden opnieuw in opstand kwamen. Mucianus werd naar Syrië gestuurd en Vespasianus naar Judaea; deze en andere generaals wisten aan de rijksgrenzen successen te boeken.

In 68 was de maat vol. Op aandrang van Vindex (stadhouder in Gallië) verklaarde Galba in Spanje zich tegen Nero, terwijl in Africa eveneens een opstand uitbrak. De Senaat en ook de pretorianen, die waren omgekocht, lieten Nero in de steek; hij vluchtte uit Rome en pleegde zelfmoord. Met hem stierf de Julisch-Claudische dynastie uit.

www.divonerone.com

Advertenties

De Ponte Sisto bij zonsondergang

Posted in Romenieuws on 25 april 2017 by romenieuws

De Ponte Sisto is één van de ruim dertig bruggen over de Tiber in Rome. Vanaf deze brug heb je een mooi zicht op de koepel van de Sint Pietersbasiliek, volgens Paul Johnson ‘the crowned monarch of ecclesiastical architecture’. De Ponte Sisto ligt op de plaats van de antieke Pons Aurelius die gebouwd werd door Agrippa (62-12), de schoonzoon van Augustus (63 v. Chr. – 14 na Chr.) als verbinding tussen het Campus Martius en het Naumachia aan de voet van de Janiculus, een theater waar zeeslagen nagespeeld werden.

Later werd de brug van Agrippa een deel van de verdedigingsgordel van de stad en werd ze voorzien van ijzeren ketenen om vijandelijke schepen tegen te houden. Aan de overkant, Trastevere, sloot de muur van Aurelianus aan bij de brug.

De Pons Aurelius stortte twee keer in en werd telkens herbouwd. Bij de grote overstroming van 792 verdween de brug echter definitief en werden voortaan overzetbootjes gebruikt. Dit bleef zo gedurende acht eeuwen wat de toevoer van de talrijke pelgrims op weg naar het Vaticaan sterk bemoeilijkte.

Nadat de balustrade van de Ponte Sant’Angelo, de brug recht vóór de Engelenburcht, tijdens het Heilig Jaar 1450 onder het gedrum van grote groepen pelgrims bezweek en er 178 mensen verdronken, besloot paus Sixtus IV della Rovere (1471-1484) om de oude brug van Agrippa te herbouwen tegen het volgende jubileumjaar in 1475. Bij die reconstructie werd gebruik gemaakt van de oude pijlers.

Het verhaal wil dat Sixtus IV voordat hij paus werd, in een klooster in de Via dei Pettinari woonde, de straat in het verlengde van de brug richting centrum. Wegens de aan zijn ambt verbonden administratieve werkzaamheden begaf hij zich dagelijks naar het Vaticaan. Daarbij wierp hij telkens vanuit het overzetbootje een spijtige blik op de ruïnes van de brug van Agrippa en zei dat hij, mocht hij ooit paus worden, de brug zou herstellen, en zo gebeurde het. De architect van de brug had overigens de toepasselijke naam Baccio Pontelli.

De Ponte Sisto-fontein die destijds als versiering op het kruispunt van de Via dei Pettinari en de Via Giulia stond en deel uitmaakte van het Acqua Paola aquaduct, werd na de eenmaking van Italië verplaatst naar Piazza Trilussa (Trastevere). Het water van dit aquaduct stroomt nog steeds door acht buizen in de Ponte Sisto.

Niet iedereen let op de innemende inscriptie rechts op de balustrade ‘U die hier langskomt, roep de goddelijke gulheid aan, opdat Sixtus IV, die voortreffelijke Pontifex Maximus, lang en gezond moge leven. Ook u, aan wie dit verzoek gedaan wordt, wees eveneens gezond, wie u ook bent.’

Sixtus IV, ooit een franciscanermonnik, hield van bouwen en van boeken. Hij stichtte de bibliotheek van het Vaticaan en bouwde o.a. de Sixtijnse kapel, de Santa Maria della Pace en herbouwde de Santa Maria del Popolo, hij maakte vele wegen in de stad breder en liet ze met stenen bedekken.

De brug is zeer harmonisch en de oude pijlers hebben sinds de bouw alle overstromingen doorstaan dank zij de grote ‘oculus’ in het midden die de druk bij wateroverlast vermindert. Als het water het ‘oog’ naderde, wisten de Romeinen dat ze hun spullen in veiligheid moesten brengen.

Tijdens de negentiende en de twintigste eeuw kende de brug moeilijke tijden omdat door de aanleg van de enorme kademuren de druk van het water gewijzigd was en omdat de brug ook onder het steeds toenemende verkeer leed. Uiteindelijk werd de ponte Sisto gerestaureerd en sindsdien uitsluitend voorbehouden aan voetgangers.

De Tiberkade, de Lungotevere, tussen de Ponte Sisto en de Ponte Garibaldi aan de punt van het Tibereiland, was vroeger de plaats waar ‘knapen’ samenschoolden om zich te verkopen. In zijn debuutroman ‘Ragazzi di vita’ uit 1955 schrijft de filmregisseur, romancier en dichter Pier Paolo Pasolini (1922-1975):

‘Net als hij zaten er toen op de borstwering minstens twintig knapen, bereid zich te verkopen aan de eerste de beste. De nichten kwamen er in horden voorbij, zingend en dansend, onthaard en geblondeerd, piepjong of stokoud, maar allemaal stapelgek. Ze stoorden zich geen ogenblik aan de andere mensen die langsliepen of in de bussen voorbijreden en riepen elkaar keihard bij de naam als ze elkaar in de verte zagen aankomen. Ze renden elkaar tegemoet en kusten elkaar voorzichtig op de wangen, als vrouwen die hun make-up niet willen bederven. Ja, toen kon je het trappetje onder de Ponte Sisto of de Ponte Garibaldi nog best afgaan en tussen de modderige brandnetels vol smerige stukken papier alles doen waar je maar zin in had, zonder bang te hoeven zijn. De overvalwagen kwam weleens een enkele keer langs en dan maakte iedereen dat hij wegkwam, maar vlak daarna was alles weer gewoon.’

Pasolini vervolgt: ‘Vanaf de grote koepel van de Sint-Pieter achter de Ponte Sisto tot aan het Tibereiland achter de Ponte Garibaldi was de hemel strak gespannen als een trommelvlies. In die stilte tussen de kademuren die in de zinderende hitte stonken als pisbakken, stroomde geel de Tiber, en het was alsof het water werd voortgestuwd door het vele afval dat de rivier kwam afzakken.’ Zo was het dus in 1955.

Het ideale moment voor een bezoek aan de Ponte Sisto is op een mooie avond bij zonsondergang, wanneer achter de cipressen van de Gianicolo (Janiculus) de hemel rood kleurt. Dan krijgt de voormelde fontein op Piazza Trilussa, die overigens vorig jaar mooi werd gerestaureerd, aan de overkant, op het einde van de brug, een warme tint in het avondlicht, afgetekend tegen de vele rijen oude, roodbruine pannendaken die de Janiculus bedekken.

De echte verrassing bevindt zich nog hoger: zilverwit glinsterend tegen de schemerlucht, torent hoog boven alles uit de barokke pracht van de theatrale fontanone di Acqua Paola, de monumentale mostrafontein die in 1612 door Paulus V werd gebouwd. Dit is het onvergetelijke Rome.

Romulusprijs 2017 gaat naar Robert Bogaerts uit Zonhoven (België)

Posted in Romenieuws on 24 april 2017 by romenieuws

Vorige vrijdag 21 april, de officiële feestdag van de stad Rome, werd de dertiende Romulusprijs van de Romevereniging S.P.Q.R. uitgereikt door auteur Jo Claes aan Robert Bogaerts uit Zonhoven. Robert Bogaerts (70) is voor vele Italië-liefhebbers wellicht een nobele onbekende, maar dat zal binnenkort ongetwijfeld veranderen.

Ieder jaar reikt het Istituto Italiano di Cultura di Napoli een prestigieuze prijs uit voor een onuitgegeven dichtbundel. Die werd al 21 keer gewonnen door een Italiaanse deelnemer maar dit jaar raakte er tot verbazing van de talrijke Italiaanse auteurs plots een Vlaming in de eindfinale. In totaal waren er 1.055 deelnemers; in zijn categorie (‘Onuitgegeven poëziebundel’) enkele honderden.

Daar bleef het niet bij: de jury duidde uiteindelijk Robert Bogaerts aan als winnaar. Hij kreeg de ‘Premio Internazionale Letteratura poesia narrativa saggistica’ voor zijn dichtbundel ‘Mi piove nell’anima’ (Het regent in mijn ziel). In de loop van 2017 zal deze dichtbundel in Italië op 3.000 exemplaren worden uitgegeven.

Het feit dat een Vlaming taalvaardig genoeg is om de Italianen op eigen grondgebied te verslaan wekt verbazing en bewondering. Omdat hij ons land en de Vlaamse regio op een dergelijke verbluffende wijze op de kaart heeft gezet, schenkt S.P.Q.R. dus heel graag de Romulusprijs 2017 aan Robert Bogaerts uit Zonhoven.

Robert is al sinds de jaren ’90 van vorige eeuw bezig met Italiaans omdat hij het zo’n mooie taal vindt. Door studie, door gesprekken en lessen van Italiaanse Limburgers of Limburgse Italianen leerde hij de taal systematisch beheersen en groeide hij uit tot een echte Italofiel.

In 1991 schreef Bogaerts een reisboek over Italië, genaamd ‘Een ver Verlangen’. Talloze malen heeft hij immers Italië bezocht, met in zijn rugzak het hoogstnoodzakelijke, maar altijd pen en papier. Vaak wordt de vraag gesteld over mogelijke Italiaanse voorouders. Dan antwoordt hij: neen, maar in een vorig leven was ik waarschijnlijk Italiaan!

Als liefhebber van gedichten en poëzie begon hij later ook in het Italiaans te schrijven. Het neerpennen van een bundel met 24 Italiaanse gedichten duurde vele jaren maar het resultaat was dan ook de moeite: de Italiaanse letterkundigen waren dermate onder de indruk dat ze Robert de eerste prijs gaven. Toen Robert Bogaerts in Napels vertelde dat hij Italiaans de mooiste taal ter wereld vond, werd dit (natuurlijk) op uitbundig applaus onthaald.

Ook vertelde de Zonhovenaar er het mooie verhaal van de achtjarige Marco in Ferrara die een nieuw Italiaans woord had uitgevonden, weliswaar onbewust. In een opstel gebruikte de jongen het (niet bestaande) woord ‘petaloso’, hetgeen zowat betekent ‘met veel bloembladen’.

Zijn intelligente juf rekende geen fout aan, maar gaf het woord door aan de Crusca (zowat onze Taalunie) met de hoop dat het woord zal aanvaard worden. Aan deze Crusca heeft ook Bogaerts zijn stem laten horen ten voordele van het nieuwe woord van de kleine Marco.

“Italiaans boeit me al van jongs af aan. In haar brieven sprak mijn zus me aan als Roberto. Op het college had ik ook ‘Roberto’ gekrast in mijn vulpen. Maar pas rond mijn veertigste ben ik de taal echt beginnen te studeren in de avondschool. Ik zocht Italiaanse pennenvrienden en ik ging ook cursussen volgen in Italië, waar ik op mijn voettochten vaak naast een oudje ging zitten op een bank, en waar ik veel te weten kwam in zulke gesprekken. In Italië ben ik extraverter. Ik heb er ook zotte dingen gedaan, zoals een nachtje slapen op een bank tussen spoor 2 en 3 in het station van Genua,” lacht Robert.

Op een dag in 1992, terwijl zijn dochters muziekles volgden en hij in de auto op hen wachtte, begon hij zijn eerste gedichten te schrijven. Inspiratie haalt hij in een mooi landschap, een flard van een gesprek, een persoon,… Thuis aan de keukentafel, met een stapel woordenboeken rondom zich, wikt en weegt hij elk woord. “Uren kan ik daarmee bezig zijn. Van elk gedicht bestaan tientallen versies. Niet enkel de woorden moeten juist zijn, ook het ritme en de melodie moeten goed lopen”, aldus de Romulus-laureaat.

Inmiddels is Robert begonnen aan een volgende Italiaanse dichtbundel. “Het was nooit mijn bedoeling om mijn gedichten uit te geven, ik wou vooral het perfecte gedicht schrijven. Het is een manier om mijn gevoelens te uiten, maar dan in een geromantiseerde, verfijnde vorm. Ik werk nu inderdaad aan een volgende bundel, maar ik betwijfel of ik hem nog af krijg. Het is veel werk en ik ben niet snel tevreden. Ik ben heel perfectionistisch als het op taal aankomt”, aldus Robert Bogaerts.

De Romulus is een trofee die wordt geschonken aan een persoon, organisatie of bedrijf, welke het voorbije jaar in ons land een opmerkelijke of opvallende inspanning heeft gedaan voor de promotie van Rome of Italië in het algemeen. Deze prestatie kan zich situeren in het culturele, gastronomische, literaire, toeristische of een ander milieu. De Romulus van S.P.Q.R. is een gepersonaliseerd bronzen duplicaat van het wereldberoemde beeld van de Romeinse wolvin. Wie de Romulusprijs ontvangt, mag rekenen op de blijvende waardering van en promotie door S.P.Q.R., ontvangt een gratis lidmaatschap van de vereniging en kan rekenen op heel wat media-aandacht in Vlaanderen, Nederland en Italië.

L’Ara com’era-voorstelling vanaf nu elke avond te bezoeken

Posted in Romenieuws on 23 april 2017 by romenieuws

We schreven er in oktober vorig jaar al een stukje over, maar vanaf nu tot 30 oktober worden de avondlijke multisensorische bezoeken aan de Ara Pacis voortaan elke dag georganiseerd. Tot nog toe was er enkel op vrijdag en zaterdag een voorstelling. Nu kan je elke avond kijken naar ‘L’Ara com’era’, een meeslepende archeo-show waarbij geschiedenis en technologie worden samengebracht met behulp van computerbeelden, virtual en augmented reality.

Elke avond kunnen nu ook maximum 400 bezoekers een voorstelling meemaken, en ook dat zijn er een pak meer dan de 300 toegelaten personen nu. Tickets zijn online verkrijgbaar, of via het nummer 06 06 08 of dezelfde avond in het Ara Pacis-museum. Elke voorstelling duurt 45 minuten, kinderen jonger dan 13 zijn niet toegelaten (wel in het museum, niet voor de show). Er kan worden gekozen uit vijf talen: Italiaans, Engels, Spaans, Frans en Duits. Bezoekers worden verzocht een kwartier vóór aanvang aanwezig te zijn. De praktische informatie vind je op deze link.

Een bezoek aan de Ara Pacis, het Vredesaltaar van keizer Augustus, krijgt door het gebruik van speciale AR-kijkbrillen (Samsung Gear VR) een speciale dimensie. Zo worden bijvoorbeeld de kleuren op het monument zichtbaar. De applicatie herkent de driedimensionaliteit van de bas-reliëfs en brengt de personages uit de keizerlijke familie tot leven zodat ze de bezoekers kunnen toespreken. Er worden ook scènes uit het dagelijkse leven in de de eerste eeuw getoond.

Het is de eerste keer dat in een Romeins museum augmented reality (toegevoegde realiteit) op deze schaal wordt toegepast. Eerder gebeurde dat wel experimenteel op zeer bescheiden schaal in de Domus Romane (Palazzo Valentini) en in openlucht op het Forum Romanum, waar al meermaals werd geëxperimenteerd met 3D-projecties.

Als de multisensorische virtuele rondleidingen zoals ze nu worden toegepast in de Ara Pacis meevallen, zullen in de toekomst nog andere musea volgen. Rome hoopt de kosten van deze investering in een paar jaar terug te verdienen. Dat moet gebeuren door de extra bezoekers die de Ara Pacis in de avondlijke uren moet lokken. De speciale bezoeken vinden alleen ’s avonds plaats om de virtuele show met licht en kleur volledig tot zijn recht te laten komen.

Augmented reality of AR is een live, direct of indirect beeld van de werkelijkheid waaraan elementen worden toegevoegd door een computer. Deze elementen bevatten meestal sensordata of extra informatie over de omgeving. Met behulp van objectherkenning kan deze toegevoegde informatie op een intuïtieve manier worden weergegeven en kan de gebruiker er ook interactief mee omgaan. De technologie probeert ervoor te zorgen dat de gebruiker een beter begrip van de (vroegere) werkelijkheid krijgt.

AR is de jongste jaren zeer populair geworden. Dit is vooral te danken aan de snelle technologische ontwikkelingen. Een goed voorbeeld hiervan zijn de smartphones: doordat deze wijd verspreid zijn en over voldoende rekenkracht en de benodigde hardware-onderdelen beschikken, worden voor deze toestellen steeds vaker applicaties ontwikkeld die gebruikmaken van AR. Omdat smartphones ook uitgerust zijn met technologieën voor draadloze communicatie zoals bluetooth en wifi, kunnen ze eveneens gemakkelijk verbonden worden met speciale brillen of andere projectiesystemen voor het genereren van toegevoegde realiteit.

www.arapacis.it

Tentoonstelling ‘Spartaco – Schiavi e padroni a Roma’ in Ara Pacis 

Posted in Romenieuws on 22 april 2017 by romenieuws

Zopas opende in de tentoonstellingsruimte van de Ara Pacis de nieuwe tentoonstelling ‘Spartaco – Schiavi e padroni a Roma’ (Spartacus – Slaven en meesters in Rome) . De expo vertelt het verhaal van de complexe leefwereld van de slaven in het oude Rome, vanaf de slavenopstand onder leiding van Spartacus tussen 73 en 71 voor Christus. De bezoekers kunnen in elf afdelingen de verschillende aspecten van de Romeinse slavernij ontdekken. De ongeveer 250 archeologische schatten die de verhalen illustreren zijn afkomstig uit Italiaanse en buitenlandse musea. De tentoonstelling is te bezoeken tot 17 september.

De tentoonstelling is opgebouwd als een meeslepend verhaal, waarbij naast de tentoongestelde voorwerpen ook gebruik wordt gemaakt van audio- en videotechnieken, zodat met geluiden, stemmen, projecties en andere technische snufjes de wereld van de slaven in de Romeinse tijd begrijpelijker kan worden gemaakt. Er is ook een kleine sectie van de Internationale Arbeidsorganisatie die wijst op de vormen van slavernij die in onze huidige samenleving nog steeds bestaan.

Tot de verschillende secties behoren onder meer:

* Winnaars en verliezers: hier worden de gevolgen van veroveringen en militaire campagnes behandeld, waarbij meestal tienduizenden verliezers in de slavernij terechtkwamen.

* Het bloed van Spartacus: het verhaal van de nederlaag tegen de legioenen van Crassus van ongeveer 70.000 rebellen onder leiding van Spartacus.

* De slavenmarkt: rond de Middellandse Zee bestond er een bloeiende handel in slaven die ook in Rome sterk aanwezig was.

* De huisslaven: er wordt dieper ingegaan op de voorrechten die huisslaven meestal genoten; ze moesten het dagelijkse leven in de huizen van hun Romeinse meesters in goede banen leiden maar werden doorgaans behoorlijk goed behandeld, al hadden ze natuurlijk geen vrijheid.

* Slaven buitenshuis: in de landbouw, bij de realisatie van gebouwen, enz. werden eveneens slaven ingezet. Deze hadden het wel zwaar. De slaven werkten in aanwezigheid van een opzichter die zware straffen kon uitdelen. Soms werd ook gebruik gemaakt van ketens.

* Slavernij van vrouwen en seksuele uitbuiting: prostitutie door en het misbruik van vrouwen was uiteindelijk zo alledaags en normaal geworden dat zelfs de Romeinen nieuwe wetten moesten uitvaardigen om dit soort slavernij in goede banen te leiden.

* Gespecialiseerde slaven: sommige slaven specialiseerden zich, hadden een bepaalde gave of waren zo goed in hun werk dat ze iets hoger op de maatschappelijke slavenladder konden geraken en zelfs een zekere status konden verwerven: onder hen bv. acteurs, wagenmenners, gladiatoren maar ook prostituees.

* De rol van slavenkinderen.

* Slaven in steengroeven en mijnen: deze afdeling beschrijft de werk- en leefomstandigheden van de slaven die in het hele Romeinse Rijk marmer, edelmetalen en andere kostbaarheden moesten uithakken of opdelven.

* De weg naar de vrijheid: het Romeinse rechtsysteem gaf kansen aan de meest verdienstelijke slaven en degenen die succesvol genoeg waren om hun vrijheid te kopen. Meesters konden hun slaven ook de vrijheid geven na een aantal jaren trouwe dienst.

* Slavernij en religie: hier wordt de relatie van de slavernij met bepaalde aspecten van de Romeinse officiële cultus onderzocht.

De bekendste slaaf uit de geschiedenis is waarschijnlijk Spartacus, als figuur in onze tijd vooral bekend als het filmpersonage uit de gelijknamige spektakelfilm van Stanley Kubrick (1960). De vermoedelijk in Thracië geboren slaaf Spartacus werd opgeleid als Romeins gladiator en leidde van 73 tot 71 v. Chr. een opstand tegen Rome, de zogenaamde Gladiatorenoorlog of Slavenoorlog. Spartacus ontsnapte in 73 v. Chr. met een aantal andere slaven uit de gladiatorenkazerne in Capua en bracht de Romeinse troepen een nederlaag toe.

Na een tweede overwinning sloten zich van alle kanten slaven van de latifundia (landgoederen) aan bij zijn leger. Met hen – volgens de bronnen meer dan 70.000 in aantal – trok hij in 72 naar het noorden om hen over de Alpen naar hun vaderland, Gallië en Thracië, terug te voeren. Een gedeelte van het slavenleger onder leiding van Crixus werd verslagen.

Spartacus zelf behaalde successen, maar zijn leger, dat liever bleef plunderen, dwong hem weer naar het zuiden te trekken. Daar werd hij in 71 met de troepen van Marcus Licinius Crassus in gevecht, een veldslag waar Spartacus en vele slaven omkwamen. De overlevende gevangenen werden gekruisigd, de anderen werden op hun vlucht door Pompejus Magnus verslagen.

ACHTERGROND

Marcus Licinius Crassus (115-53 v. Chr.) de man die het slavenleger van Spartacus in de pan hakte, was een Romeinse financier en politicus, bijgenaamd Dives (de rijke). Hij week tijdens de dictatuur (87-84) van Cinna in 85 naar Spanje uit en steunde na zijn terugkeer Sulla in 83-82 in de burgeroorlog. Door verbeurd verklaarde landgoederen van de aanhangers van Gaius Marius op te kopen, bouwde hij een reusachtig fortuin op, dat hij door grond- en huizenspeculaties en de exploitatie van zilvermijnen nog fors uitbreidde.

Als praetor vernietigde hij in 72-71 de opstandige slaven van Spartacus. Als consul maakte hij in 70, met zijn rivaal Pompejus Magnus, Sulla’s wetgeving grotendeels ongedaan. In 63 wist hij zich tijdig terug te trekken uit Catilina’s avontuur, dat hij aanvankelijk waarschijnlijk had helpen financieren. Intussen intrigeerde hij tegen de afwezige Pompejus en stelde zich garant voor de schulden van Gaius Julius Caesar tijdens diens verblijf in Spanje.

Gnaeus Pompejus Magnus I (106 v. Chr.-48 v. Chr.) was de zoon van Gnaeus Pompejus Strabo. Hij verzamelde voor Sulla, toen deze uit de oorlog tegen Mithridates in 83 naar Italië terugkeerde, in Picenum een leger, streed in 83 en 82 voorspoedig en werd bij zijn terugkeer uit Africa door Sulla als Magnus (de Grote) begroet, een titel die in zijn geslacht als cognomen bleef. Na Sulla’s dood (78) verdedigde hij diens wetten, verdreef de opstandige Lepidus uit Italië en werd als proconsul naar Spanje gezonden tegen Sertorius (77).

Nadat deze in 72 door samenzweerders was omgebracht, gelukte het hem diens opvolger Perperna te overwinnen. Op zijn terugtocht vernietigde hij in 71 het overschot van het leger van Spartacus, de aanvoerder van de slavenopstand. Na een triomf aanvaardde hij zijn eerste consulaat, waartoe hij, hoewel hij geen van de mindere ambten had bekleed, met Marcus Licinius Crassus, de eigenlijke overwinnaar van Spartacus, gekozen was (in 70).

Als zodanig hief het duo de wetten van Sulla voor een deel op, gaf de volkstribunen de hun ontnomen macht terug en verwierf zo de gunst van het volk. In 67 kreeg hij door een wet van de volkstribuun Aulus Gabinius buitengewone volmachten in de strijd tegen zeerovers, en na de gelukkige beëindiging van die campagne in drie maanden (in 66) werd hem door de wet van Gaius Manilius het voortzetten van de oorlog tegen Mithridates VI opgedragen.

Pompejus bracht deze een beslissende nederlaag toe, verplichtte diens schoonzoon Tigranes van Armenië zich te onderwerpen en achtervolgde daarna Mithridates tot aan de Phasis. Na diens dood erkende hij Pharnaces als vorst van het Bosporaanse Rijk. Hij reorganiseerde nu Azië, maakte Syrië tot Romeinse provincie, veroverde Jeruzalem en maakte Palestina schatplichtig. In 62 keerde hij terug naar Italië, waar de omstandigheden in zijn nadeel waren veranderd.

De Senaat weigerde goedkeuring te hechten aan de door hem in Azië genomen maatregelen en aan de beloningen in land, die door hem aan de veteranen waren toegekend. Dit bewoog hem in 60 het Eerste Driemanschap aan te gaan met Julius Caesar en Marcus Crassus. Caesar zorgde als consul in 59 dat de eisen van Pompejus werden ingewilligd en vertrok vervolgens naar Gallië. Pompejus bleef in Rome, huwde Caesars dochter Julia en kreeg het toezicht op de toevoer van graan.

Het Driemanschap werd in 56 in Lucca vernieuwd, waarna Pompejus en Crassus in 55 hun tweede consulaat aanvaardden, waarbij aan Pompejus Spanje en aan Crassus Syrië als provincie werd toegekend. Intussen werd de band tussen Pompejus en Caesar losser, omdat Julia in 54 overleed. Na lang weifelen tussen de optimates en de populares liet Pompejus zich in 52, geprovoceerd door de te Rome heersende anarchie, bij Senaatsbesluit door de Optimates tot consul zonder medeconsul benoemen. Crassus was in 53 gesneuveld.

In 50 werden de onderhandelingen met Caesar afgebroken en in 49 brak de burgeroorlog uit. Pompejus week uit naar de Balkan, zodra Caesar over de Rubicon was getrokken, en liet Italië in de handen van zijn vijand. Caesar begaf zich naar Spanje, waar hij het leger van Pompejus versloeg, en volgde Pompejus naar Griekenland, waar hij hem bij Pharsalus in Thessalië overwon (48). Pompejus vluchtte vervolgens naar Egypte, maar werd bij zijn landing vermoord.

Godfather van de Romeinse pizzabakkers (91) overleden

Posted in Romenieuws on 21 april 2017 by romenieuws

De ‘godfather’ van de Romeinze pizzabakkers, Idolo Volpetti, is overleden. Hij vierde recent nog zijn 91ste verjaardag. De man was bij vrijwel alle Romeinen veel beter bekend als ‘signore Baffetto’, de stichter en uitbater van de nog steeds immens populaire pizzeria da Baffetto aan de Via del Governo Vecchio 114.

 

Hoewel Rome niet bepaald een gebrek aan pizzeria’s kent en er regelmatige nieuwe pizza-initiatieven opduiken, staan de hongerige Romeinen en toeristen bij da Baffetto vaak in lange rijen tot buiten aan te schuiven om een plaatsje te bemachtigen in de toch niet zo kleine zaak. Het comfort is er minimaal, de bediening gebeurt haastig en is vaak erg nonchalant, maar de pizza’s zijn wel onweerstaanbaar lekker.

Verschillende generaties Romeinen hebben sinds de opening van da Baffetto in de jaren ’50 van de vorige eeuw aangeschoven voor een smaakvolle pizza. Ook toeristen kennen de zaak: ze staat vermeld in vrijwel elke reisgids. In de pizzeria werkte Idolo Volpetti vele jaren samen met zijn dochter Anna en zijn zoons Franco en Rosa. Een andere zoon, Roberto, overleed vier jaar geleden. Anna opende veertien jaar geleden een eigen zaak, da Baffetto 2 aan Piazza del Teatro di Pompeo 18, vlakbij Campo de’ Fiori.

Idolo Volpetti was oorspronkelijk afkomstig uit Fonte del Campo, Accumoli, in de provincie Rieti, een streek die recent nog zwaar werd getroffen door een aardbeving. Volpetti zette meteen een hulpactie in gang voor zijn geboortestreek. Na de oorlog kwam hij met zijn zeven kinderen naar Rome, in de hoop een beter leven op te bouwen in de grote stad. Gemakkelijk was dat niet in de woelige naoorlogse jaren.

Aanvankelijk kwam Idolo in Rome aan de kost door de verkoop van uien en aardappelen op de markt. Zo rolde hij in de Romeinse horeca. Na een lange opleiding als pizzabakker was de opening van da Baffetto in de tweede helft van de jaren ’60 een feit. De pizzazaak da Baffetto bleek al gauw een enorm succes. Het pand aan de Via del Governo Vecchio kocht hij in 1976. Een tijd lang was Volpetti ook de uitbater van bar Domiziano aan Piazza Navona. Da Baffetto is nog steeds één van de oudste pizzeria’s in Rome.

Idolo Volpetti stond vele jaren zelf in zijn zaak en bleef zelfs toen hij al in een rolstoel zat, nog steeds aanwezig om alles te controleren. Zittend naast de kassa hield hij alles en iedereen nauwlettend in de gaten. Vele beroemdheden, van bekende politici tot voetballers en filmsterren, kwamen de voorbije tientallen jaren een pizza eten bij da Baffetto, waar je steevast tot in de late uren nog terecht kon voor een uitstekende en vers gebakken pizza. Idolo Volpetti werd bijgezet in het familiegraf in Accumoli, naast zijn jong gestorven vrouw en zoon.

Een tweeling, een wolvin en Rome

Posted in Romenieuws on 21 april 2017 by romenieuws

Romulus en Remus, volgens de Romeinse sage tweelingzoons van de god Mars en van Rhea Silvia, worden beschouwd als de mytische stichters van Rome. Ze werden door Amulius, een broer van hun grootvader Numitor, in een mandje in de Tiber geworpen. De mand bleef echter in de modder steken aan de voet van de Palatijnse heuvel nabij een grot gewijd aan Faunus. De kinderen, aldus gered, werden door een wolvin gezoogd in de schaduw van een vijgenboom, waar later de herder Faustulus hen vond, die hen door zijn vrouw liet grootbrengen.

Volwassen geworden, doodden Romulus en Remus Amulius en stichtten een nederzetting op de Palatijnse heuvel. Er ontstond echter ruzie tussen de broers, waarop Romulus zijn broer doodde en zelf heerste over het jonge Rome. Om de bevolking uit te breiden, bouwde Romulus de plaats om tot asiel of wijkplaats voor ballingen en vluchtelingen. Het tekort aan vrouwen werd opgelost door de Sabijnse maagdenroof, waarna de vestiging samensmolt met de Sabijnse nederzetting op de Quirinalis en Romulus met de Sabijnse koning Titus Tatius de regering deelde.

Na de dood van Titus Tatius was Romulus alleenheerser. Op het einde van zijn regering werd hij door de god Mars ten hemel gevoerd en genoot hij, vereenzelvigd met de Sabijnse god Quirinus, goddelijke eer. Sommige oude teksten vermelden dat Romulus op het Forum werd begraven (Livius, Ab urbe condita, I, 4; Vergilius, Aeneïs, I, 275; VI, 778, 781; VIII, 342; Ovidius, Metamorphoses, XIV, 772 vv.). Tot zover het legendarische

Als officiële stichtingsdatum van Rome werd gekozen voor 21 april 753 v. Chr. Het staat echter al lang vast dat het gebied dat later Rome zou heten, al veel eerder werd bewoond. Er zijn archeologische sporen van bewoning teruggevonden uit de tiende en de elfde eeuw v. Chr. De eigenlijke ontstaansgeschiedenis van Rome is duister. Toen de stad machtiger werd, ontstonden sagen omtrent de stichting en oorsprong van de stad en haar rijk. De officiële versie werd dat Aeneas, zoon van Aphrodite, uit Troje naar Latium kwam. Zijn zoon Ascanius stichtte Alba Longa. Ten slotte stichtten Romulus en Remus, zoals verteld de tweelingzonen van Mars en Rhea Silvia, de dochter van de koning van Alba Longa, de stad Rome.

Ter gelegenheid van 21 april, een officiële feestdag in Rome, zijn er vandaag in Rome op verschillende plaatsen allerlei historische vieringen, optochten en herdenkingen. Zeker vermeldenswaard is zeker het programma van de Gruppo Storico Romano.

www.natalidiroma.it

Programma-natale-roma-2017-dal-21-al-23-aprile-2017

ACHTERGROND

De geschiedenis van Rome kan men laten beginnen met de vereniging tot één gemeenschap van de Palatinus en de Quirinalis, de twee oudst bewoonde heuvels. De hieruit ontstane stad kwam al spoedig onder Etruskische heerschappij. Van een Romeins Rijk onder deze koningen kan men nog niet spreken. Nadat de verdreven koning Tarquinius Superbus in 496 v. Chr. definitief was verslagen, sloten de Romeinen en Latijnen een verbond, terwijl tevens strijd werd gevoerd met de Volsci, de Sabijnen en de Aequi. De verovering van Veji na een beleg van tien jaar (405-396 v. Chr.) door Camillus is een vaststaand gegeven.

Hierna breidde Rome zijn macht voortdurend uit over de omliggende streken en steden. De expansie stagneerde tijdelijk in 387 v. Chr., toen invallende Galliërs Rome, met uitzondering van het Capitool, bezetten en de Romeinen een weinig eervolle vrede oplegden, zodat de buurvolken (waaronder de Etrusken en de Volsci) in opstand kwamen. Door dezelfde noodtoestand werd echter de bestaande standenstrijd tot een einde gebracht en de opgestane volken konden worden onderworpen.

In 358 v. Chr. moesten de Latini en Hernici capituleren; met de Etrusken werd een verdrag gesloten, terwijl de Latini bij Sinuessa werden verslagen (in 338 v. Chr.). In de Tweede Samnitische Oorlog (326-304 v. Chr.) leden de Romeinen de nederlaag in de pas van Caudium (321). Toch zagen zij precies in deze oorlog de kans om de overhand te krijgen in Midden- en Zuid-Italië. De Samnitische guerrilla bestreden zij met een netwerk van kolonies van boeren/soldaten en uitstekende wegen (zoals bv. de Via Appia, 312 v. Chr.). Zo werden arme boeren bovendien aan land geholpen, wat de interne spanningen verminderde.

De Derde Samnitische Oorlog (298-290 v. Chr.) gaf de beslissing in Romeins voordeel, maar zonder moeite ging het niet. De Romeinen moesten niet alleen tegen de Samnieten, maar ook tegen de Etrusken, de Galliërs en de Umbriërs strijden. De Slag bij Sentinum (295 v. Chr.) werd echter door hen gewonnen. Door hun machtsuitbreiding in Campanië en Samnium raakten de Romeinen in conflict met Tarente, dat de hulp inriep van koning Pyrrhus uit Epirus, die wel enige overwinningen behaalde (Heraclea in 280 v. Chr., Ausculum in 279 v. Chr.), maar de situatie niet uitbuitte en in 275 v. Chr. bij Beneventum werd verslagen.

De vrede bracht met zich mee dat voortaan geheel Zuid- en Midden-Italië onder Romeinse hegemonie stonden. Door een systeem van wegen en koloniën handhaafden de Romeinen hun gezag; de onderworpen volken werden Latijnse of Italische socii (bondgenoten). Aan enkele Latijnse steden werd het burgerrecht verleend. De bondgenoten behielden een grote mate van zelfbestuur, maar moesten soldaten leveren.

Door de veroveringen in Zuid-Italië kwam Rome in contact met Sicilië en de Carthagers. In drie Punische oorlogen werd Carthago bestreden. Na de Eerste Punische Oorlog (264-241 v. Chr.) verkregen de Romeinen Sicilië, dat de eerste Romeinse provincie werd; in 238 v. Chr. annexeerden ze, gebruik makend van Carthago’s interne moeilijkheden, Sardinië en Corsica. Door de gunstige afloop van de Tweede Punische Oorlog (218-201 v. Chr.) werd ook Spanje Romeins gebied.

De bondgenoot van de Carthagers in deze oorlog, Philippus V van Macedonië, werd in de Slag bij Cynoscephalae in 197 v. Chr. verslagen. Het gebied van het Macedonische rijk bleef beperkt tot Macedonië zelf. Antiochus III de Grote van Syrië, die Macedonië hulp geboden had, werd verslagen bij Magnesia ad Sipylum in 190 v. Chr. en moest de Vrede van Apamea sluiten, waarbij zijn macht werd beknot (188 v. Chr.). Carthago werd verwoest in 146 v. Chr. tijdens de Derde Punische Oorlog); het gebied werd een provincie.

Perseus van Macedonië werd in 168 v. Chr. bij Pydna verslagen, zijn rijk werd in vieren verdeeld en in 146 v. Chr. met Griekenland als één provincie ingelijfd. Korinthe, de handelsconcurrent, werd in datzelfde jaar verwoest. Pergamum, of westelijk Klein-Azië, viel de Romeinen in 133 v. Chr. bij testament toe: dit werd de provincie Asia. Het verzet in Spanje, onder leiding van Viriathus (147-139 v. Chr.), eindigde pas na diens dood.

Bij Numantia duurde het tien jaar voordat Scipio Africanus de stad kon nemen (in 133 v. Chr.). De grootste van deze oorlogen was de Tweede Punische. Jarenlang stonden bijna 100.000 Romeinse burgers in het veld, op verschillende fronten. Rome had daarna de grootste geoefende reserve van alle staten in dat gebied.

Door de veroveringen onderging het rijk ook wijzigingen in zijn sociale structuur. De belastingpachters, publicani, werden in de provincies spoedig rijk. Zij vormden een nieuwe klasse, die hun geld belegde in landerijen, vooral in Italië. De boerenbevolking, die toch al te lijden had gehad van de tochten van Hannibal (in de Tweede Punische Oorlog de grote Carthaagse generaal, die de Romeinen bestreed in hun eigen Italië), trok naar Rome en vormde daar een proletariaat dat in leven moest worden gehouden. De hervormingspogingen van de gebroeders Gracchus mislukten (133, 121 v. Chr.) en de Senaat bleek al spoedig geen overwicht meer te hebben.

De onderlinge verdeeldheid van de heersende klasse bleek vooral in de oorlog tegen Jugurtha (111-105 v. Chr.). Marius, die tot de populares behoorde, wist Jugurtha ten slotte te vernietigen, terwijl hij korte tijd later de Cimbren en Teutonen bij Aquae Sextiae en Vercellae versloeg (102, 101 v. Chr.). Dit was slechts mogelijk door een ingrijpende legerhervorming, waarbij proletariërs als vrijwilligers in het leger werden opgenomen.

Het gevaar was niet denkbeeldig dat de soldaten die veldheer zouden volgen die hun de meeste buit beloofde. De komende burgeroorlogen bewezen dit. In deze burgeroorlogen (90-30 v. Chr.) kwamen de belangengroepen (Italiërs, publicani, proletariërs, soldaten en in de Senaat optimates en populares) telkens in wisselende coalities tegenover elkaar te staan. Twisten tussen generaals/politici waren steeds de aanleiding.

De Bondgenotenoorlog (91-89 v. Chr.) bezorgde de Italische bondgenoten het burgerrecht. In de daaropvolgende Eerste Burgeroorlog (88-81 v. Chr.) tussen Marius en de Senaatsgezinde Sulla, ontstaan door de kwestie van het opperbevel in de strijd tegen koning Mithridates van Pontus, verdreef Sulla eerst Marius.

Toen Sulla tegen Mithridates met succes streed (Eerste Mithridatische Oorlog, 88-84 v. Chr.), kregen de aanhangers van Marius weer de macht. Marius zelf stierf in 86 v. Chr., maar zijn partijgenoten, onder leiding van Cinna, bleven Rome beheersen tot de terugkeer van Sulla, die hen in 82 v. Chr. onder de muren van de stad versloeg. Sulla herstelde de macht van de Senaat en legde daarna zijn dictatorschap neer.

Na zijn dood in 79 ontstond verzet tegen Sulla’s maatregelen en probeerden verschillende Romeinen de macht te verwerven. Dezen zochten steun bij de volksmassa. De eersten die zo naar voren kwamen, waren Pompejus en Crassus. Deze laatste bedwong de slavenopstand onder leiding van Spartacus (73-71 v. Chr.). Pompejus wist de zeerovers in de Middellandse Zee te bedwingen (in 67 v. Chr.), overwon Mithridates en regelde de toestanden in het oosten. De Eufraat en de Syrische woestijn werden de grens.

Toen hij in 63 v. Chr. naar Rome kwam, was daar juist de samenzwering van Catilina onderdrukt, waardoor de Senaat meende Pompejus hooghartig te kunnen behandelen. Het gevolg was het Eerste Driemanschap tussen Crassus, Pompejus en Julius Caesar (in 60 v. Chr.). Zij wisten de Senaat naar hun hand te zetten. Crassus sneuvelde echter al spoedig in de strijd tegen de Parthen (in 53 v. Chr.).

Julius Caesar was in 58 v. Chr. naar Gallië vertrokken, dat hij in acht jaar wist te onderwerpen en waar hij zijn leger aan zich wist te binden. Pompejus ging langzamerhand meer naar de Senaat overhellen (in 52 v. Chr. was hij consul sine collega, of bijna dictator). Een botsing tussen beide mannen was onvermijdelijk: in de zogenaamde Tweede Burgeroorlog (49-45 v. Chr.) werd Pompejus verslagen en gedood.

Caesar was nu alleenheerser. Hij werd dictator perpetuus en begon met de reconstructie van de Romeinse staat, waardoor hij de basis voor het keizerrijk legde. Na de moord op hem in 44 v. Chr. door republikeinse senatoren (o.a. Cassius en Brutus) brak een tijd van verwarring aan, die eindigde met de oprichting van het Tweede Driemanschap, in 43 v. Chr. gesloten tussen Octavianus (de postuum aangenomen zoon van Caesar en de latere keizer Augustus), Lepidus en Marcus Antonius. Brutus en Cassius werden het jaar daarop bij Philippi verslagen en hierop verdeelden de Driemannen het rijk, waarbij Lepidus algauw opzij werd geschoven.

Octavianus bestuurde het westen, terwijl Antonius het oosten toegewezen kreeg. Hij raakte echter onder invloed van de Egyptische koningin Cleopatra VII. In de daarop volgende Derde Burgeroorlog (in 31 v. Chr.) werden Antonius en Cleopatra verslagen bij Kaap Actium; Egypte werd een speciaal domein van Octavianus in het Romeinse Rijk. Deze overwinning verzekerde Rome en Italië voor enkele eeuwen het politieke overwicht, ook in de oostelijke (hellenistische en Griekssprekende) helft van het Romeinse Rijk.

Hoewel de Republiek in feite ten einde was, ontzag Octavianus de republikeinse gevoelens. Hij liet zich princeps, ‘eerste’, noemen en zijn opvolgers namen deze naam over, zodat men de periode tussen 31 v. Chr. en 284 na Chr.) de naam ‘principaat’ geeft. Het verschil met de Republiek was echter dat Octavianus verschillende republikeinse sleutelposten in zijn persoon verenigde.

In 27 v. Chr. legde hij zijn volmachten neer, maar hij liet zich door de Senaat de essentiële ambten weer opdragen, waarbij hij de eretitel Augustus kreeg. Hij herstelde de orde, bevorderde de welvaart en voerde slechts die oorlogen die voor de afronding van het rijk tot natuurlijke grenzen (de Atlantische Oceaan, de Rijn en de Donau, de Eufraat en de Sahara) noodzakelijk waren. Een poging de Elbe tot rijksgrens te maken mislukte door de beruchte nederlaag van Varus in het Teutoburgerwoud (in 9 na Chr.).

Het rijk was inzake omvang verzadigd en het zou duren tot keizer Trajanus vooraleer weer een actieve veroveringspolitiek zou worden gevoerd. Augustus’ aangenomen stiefzoon, Tiberius (14-37), volgde hem op. De goede kwaliteiten van zijn regering werden overschaduwd door hoogverraadprocessen tegen al te onafhankelijke senatoren. De gardeprefecten, onder wie de beruchte Sejanus, hadden een funeste invloed op hem.

Het bewind van zijn opvolger, Caligula (37-41), werd door wanbeheer gekenmerkt, terwijl Claudius II (41-54), mede met de hulp van bekwame vrijgelatenen zoals Narcissus, een goede administratie voerde. Zijn beide echtgenoten, eerst Messalina, later Agrippina, kregen een slechte naam; de laatste liet haar man vergiftigen om haar zoon Nero op de troon te krijgen (54-68).

Deze, aanvankelijk onder invloed van Seneca en Burrus, begon zijn bewind onder gunstige auspiciën, maar ging zich spoedig te buiten aan allerlei excessen. Nero liet onder meer zijn eigen moeder en Seneca ombrengen en laadde (ten onrechte) de verdenking van de brand van Rome op zich. Er brak een opstand uit en Nero liet zich door een slaaf doden. Met hem eindigde de Julisch-Claudische dynastie.

Het Driekeizerjaar (68-69) bracht achtereenvolgens Galba, Otho en Vitellius aan de macht. De laatstgenoemde werd ten val gebracht door Vespasianus, de bevelhebber van de legioenen in het oosten (69-79). Deze voerde een zuinig beheer, dat niet overal waardering vond, en bestreed met succes de opstanden in het oosten en westen. In Palestina nam zijn zoon Titus Jeruzalem in en bracht zo de opstand van de joden tot een eind.

In het westen onderdrukte Cerialis de opstand van de Bataven onder Civilis. Titus (79-81) regeerde kort, maar verwierf zich de genegenheid van de Romeinen door zijn medeleven bij de vulkaanramp van Pompeï en Herculaneum in 79. Domitianus, zijn jongere broer (81-96), was een harde, maar capabele regent, maar werd toch vermoord.

Vervolgens koos de Senaat uit zijn midden Nerva (96-98) tot keizer en met hem begint de reeks van de zogenaamde adoptiefkeizers (noodgedwongen, bij gebrek aan mannelijke nakomelingen). Was Vespasianus als eerste niet uit Rome afkomstig, Trajanus (afkomstig uit Spanje) was de eerste niet in Italië geboren keizer. Hij brak met de tot dusver gevoerde politiek en ging weer tot veroveringen over. Zo voegde hij Dacia, waar hij koning Decebalus versloeg, bij het rijk. Het land werd zó grondig geromaniseerd, dat het zijn naam hieraan ontleende: Roemenië. Ook Mesopotamië werd door de Romeinen bezet, maar deze verovering was niet blijvend.

Het rijk had nu zijn grootste uitbreiding gekregen, maar de inspanning ging de krachten te boven. Publius Aelius Hadrianus (117-138) gaf de veroveringen in het oosten weer op en legde langs alle grenzen (zoals bv. in Brittannië met Hadrian’s wall) grensversterkingen aan en bereisde grote delen van het rijk. Zijn bestuursmaatregelen waren gericht op een gelijkstelling van de rijksdelen met Italië. De twee Antonini sloten de rij van keizers-bij-adoptie.

Tijdens de regering van Antoninus Pius (138-161) was het rustig in het rijk; maar onder zijn opvolger, Marcus Aurelius (161-180), traden tot dusver latent gebleven spanningen, zowel in het binnenland als langs de grenzen, aan de oppervlakte. Deze keizer-filosoof moest vele moeilijke oorlogen voeren tegen de Marcomannen en de Quaden aan de Donau, terwijl epidemieën grote gebieden ontvolkten. Zijn zoon Commodus (180-192), die vrede met de Marcomannen sloot, werd vermoord, evenals zijn opvolger Pertinax.

Het Driekeizerjaar leek teruggekeerd; de soldaten verkochten de troon aan de senator Didius Julianus, maar een drietal tegenkeizers roerde zich, van wie Septimius Severus, een Afrikaan, ten slotte de heerschappij wist te bemachtigen (193-211). Hij beperkte de invloed van de Senaat en brak de macht van de pretorianen. Een veldtocht tegen de Parthen leverde Rome een nieuwe provincie op: Noord-Mesopotamië.

Caracalla (211-217) verleende, uit fiscale motieven overigens, aan alle inwoners van het rijk het burgerrecht (de Constitutio Antoniniana). Hij en zijn opvolger, Macrinus (217-218), werden vermoord. De laatste van de ‘Severisch-Syrische dynastie’, Alexander Severus (222-235), nam goede sociale maatregelen, maar verloor prestige door de overheersing van zijn grootmoeder, Julia Maesa, en zijn moeder, Julia Mamaea. De Senaat, waarin onder meer de beroemde jurist Ulpianus zitting had, kreeg meer invloed.

Een veldtocht tegen het Nieuw-Perzische Rijk der Sassaniden verliep ongunstig en ook tegen de Germanen behaalde hij geen successen. Een veldheer, Maximinus Thrax, kwam in opstand en Severus werd gedood. Maximinus onderging echter na een paar jaar hetzelfde lot (in 238) en vervolgens werd Gordianus III keizer (238-244). Ondanks successen tegen de Sassaniden werd hij ten val gebracht door Philippus Arabs (244-249). Zijn opvolger, Decius (249-251), bestreed het christendom fel.

Onder al deze soldatenkeizers daalde het aanzien van het rijk steeds meer. De crisis verergerde door de ellendige financiële toestand (met als gevolg een verpletterende belastingdruk), de tuchteloosheid van het verwende en kostbare leger, het feit dat de Germanen meer in grote verbanden optraden en daarom des te gevaarlijker waren, het verscherpte contrast tussen rijk en arm, de apathie van de bevolking tegenover toenemende bureaucratie en despotisme, en de verstoring van de handel: men keerde door de overal heersende onveiligheid terug tot een regionale gesloten economie.

Na 250 ontstond een volslagen chaos. De Goten werden gevaarlijk, op een bepaald moment waren er dertig tegenkeizers en grote delen van het rijk werden door de Franken, Alamannen en andere volken bezet en geplunderd. Eén keizer, Valerianus, stierf als gevangene van de Sassanidenkoning. Ten slotte werd de orde enigszins door Gallienus (253-268) hersteld.

Onder zijn opvolger werden de Goten verslagen, die reeds tot Niš in Servië waren doorgedrongen (in 269), en keizer Aurelianus (270-275) legde de grondslag voor een gedeeltelijke reconstructie. Hij moest Dacia opgeven, maar verjoeg de Vandalen en Alamannen. Het in het oosten gestichte rijk van Palmyra, met koningin Zenobia, werd vernietigd.

Hoe veranderd de tijden echter waren, bewijst het feit dat Aurelianus een muur liet bouwen rond Rome. Ook Aurelianus werd vermoord en weer volgde een tijd van elkaar bestrijdende keizers (Tacitus, Probus, Carus, Carinus en Numerianus), maar ten slotte werd Diocletianus door de soldaten tot keizer uitgeroepen. Met hem begon een nieuwe periode in de Romeinse geschiedenis en deed het onverhulde absolutisme zijn intrede. Diocletianus liet zich reeds tijdens zijn leven vergoddelijken: dominus et deus ( ‘heer en god’) was zijn titel. Anderzijds verdeelde hij het oppergezag onder twee Augusti (waarvan hijzelf er een was), die ieder weer twee Caesares onder zich hadden; men spreekt daarom van de ‘tetrarchie’.

Aan de bijzondere positie van Italië kwam volledig een einde, het was de afsluiting van een proces dat sedert Hadrianus aan de gang was. De verdeling van het rijk was nu als volgt: het oosten met als hoofdstad Nicomedia (Diocletianus); Italië en Afrika (Milaan; Maximianus); Gallië, Spanje en Brittannië (Trier; Constantius Chlorus); Illyricum en Griekenland (Sirmium; Galerius).

De Romeinse Senaat werd gedegradeerd tot een soort gemeenteraad voor Rome, dat zelfs geen hoofdstad meer van een rijksdeel bleef en deze functie aan Milaan moest afstaan. De senatoren bleven echter een geduchte economische factor: zij waren (samen met de keizer) de grootste grondbezitters.

De boeren werden aan de grond gebonden verklaard, terwijl een prijzenedict orde trachtte te scheppen in de chaos van de steeds verder gaande muntontwaarding (edictum de pretiis venalium rerum, in 301). Het bestuur werd gebureaucratiseerd, versterkt en gemilitariseerd. Door deze starre tucht slaagden de Romeinen erin de Perzen op een afstand te houden en de eenheid in het rijk te handhaven.

Toen in 305 Diocletianus en met hem Maximianus aftraden, brak opnieuw een periode van burgeroorlogen en verwarring aan. Op een bepaald ogenblik waren er zes Augusti. Maximianus werd gedood in 310, zijn zoon Maxentius sneuvelde in 312 bij de Pons Milvius (de Milvische brug) in de strijd tegen de zoon van Constantius, Constantijn. Diens laatste tegenstander, Licinius, werd verslagen en gedood in 324, zodat pas toen een periode van eenhoofdig bestuur aanbrak.

Constantijn de Grote heerste van 324 tot 337 en deed dat alleen. In tegenstelling tot Diocletianus begunstigde Constantijn het christendom. Er was de keizers veel aan gelegen zowel in de oude heidense als in de nieuwe christelijke godsdienst een steunpunt te hebben voor hun politiek van rijkseenheid. De kerk moest een instrument zijn voor een krachtig staatsgezag. De hoofdstad werd Constantinopel, gelegen aan een snijpunt van wegen van noord naar zuid en van oost naar west, en tevens dichter bij de bedreigde Donau- en Eufraatgrenzen.

Na Constantijns dood streden zijn zoons om de macht; ten slotte bleef Constantius II over als alleenheerser van 353 tot 361. Hij werd opgevolgd door Julianus, die door het leger tot keizer was uitgeroepen als enige in leven zijnde familielid van Constantijn. Julianus is de laatste niet-christelijke keizer (361-363); Apostata wordt hij genoemd: de Afvallige. Hij was een vurige aanhanger van de oude religie en het neoplatonisme. Hij stierf na een korte regering op een veldtocht tegen Sapor, de koning van het Nieuw-Perzische Rijk.

Jovianus, zijn opvolger, regeerde slechts één jaar. Daarop volgde Valentinianus I (364-375), die verschillende familieleden tot mederegenten benoemde. De christenen waren onderling verdeeld en de Germaanse Volksverhuizing betekende een ernstig gevaar van buitenaf. Valens, de mederegent voor het oosten, sneuvelde in 378 tegen de Visigoten bij Adrianopel.

Opnieuw volgde een tijd van verwarring en burgeroorlog, totdat Theodosius I keizer werd. Hij regeerde slechts kort als alleenheerser, moest optreden tegen de aanspraken van de bisschop van Rome (die ook over de oostelijke rijkshelft zeggenschap wilde hebben), maar bevorderde de verbreiding van de leer van Athanasius over de Oriënt. Hij verdeelde het rijk in 395 onder zijn beide zoons (de bedoeling was slechts tot een administratieve scheiding te komen; in de praktijk werd het een scheiding in twee afzonderlijke staten). Arcadius, de oudste, kreeg het oosten, onder regentschap van Rufinus.

Honorius werd keizer over het westen, onder regentschap van Stilicho. Het westelijk rijksdeel, dat in de vijfde eeuw na tal van oorlogen te gronde ging, en het oostelijk (het latere Byzantijnse Rijk) groeiden steeds meer uit elkaar. De dreiging van de Visigoten onder Alarik in Italië leidde tot het terugroepen van de legioenen uit het westen. Hierdoor kwam de weg vrij voor vele Germaanse volken (zie Volksverhuizing).

Na de moord op Stilicho wisten de Goten inderdaad Italië binnen te dringen en zelfs Rome te plunderen (410). De residentie was inmiddels verlegd naar Ravenna, onneembaar door de omliggende moerassen. Alarik stierf in Italië; onder zijn opvolger, Athaulf, werd in Zuid-Frankrijk en Spanje het Visigotenrijk gesticht (415), met Toulouse als hoofdstad. Er bleef wel een band met het rijk bestaan. Honorius stierf in 423.

Onder Valentinianus III, zoon van Honorius’ zuster Galla Placidia, ging Afrika, onmisbaar voor de graanvoorziening, voor het Romeinse Rijk verloren. De generaals, als Aëtius en Bonifatius, verzwakten het Rijk nog meer door hun onderlinge naijver. Eerstgenoemde wist in 451 weliswaar Attila tegen te houden op de Catalaunische Velden, maar deze ‘laatste Romein’ kon de Hunneninval in Italië het daaropvolgende jaar niet voorkomen. Attila trok zich echter terug zonder tot Rome te zijn doorgedrongen. Aëtius werd door de keizer zelf vermoord; een Germaanse soldaat nam wraak voor zijn veldheer en doodde de keizer. Hiermee eindigde de laatste keizerdynastie in het westen, de Theodosiaanse.

In 455 landden de Vandalen in Italië en namen Rome in, waar ze beestachtig huishielden. Na 456 was het Ricimer, de bevelhebber van de (Germaanse) troepen, die ongeveer twintig jaar lang keizers aanstelde en afzette. Na Ricimers dood stelde de Germaan Orestes zijn zoontje Romulus als keizer aan, spottend ‘Romulus Augustulus’ genoemd. Na een jaar zette de Germaan Odoaker de knaap af, zond de keizerlijke insignia naar Constantinopel en noemde zich ‘koning der Germanen in Italië’ (in 476).

Dit betekende het einde van het Romeinse keizerschap en het Romeinse Rijk in het westen. In het oosten kwam het (Oost-)Romeinse Rijk opnieuw tot bloei. Het ging pas in 1453 ten onder.