Het grafmonument van Clemens XIV

Op het einde van de linkerzijbeuk van de basilica dei Santi XII Apostoli bevindt zich het eerder vermelde neoclassicistische grafmonument van Clemens XIV (1769-1774). De in 1705 geboren Giovanni Ganganelli werd na 179 kiesrondes verkozen als paus, een proces dat drie maanden in beslag nam. Het Vaticaanse Museo Pio-Clementino is genoemd naar hem en naar zijn opvolger. Clemens XIV is vooral de geschiedenis ingegaan als de paus die onder buitenlandse druk in juli 1773 de jezuïetenorde ophief. Hij was tevens de paus die op 4 juli 1770 aan de toen veertienjarige Wolfgang Amadeus Mozart de pauselijke onderscheiding van ‘Ridder van het Gulden Spoor’ toekende, beter bekend als ‘Militia Aurata’.

Dat is een oud instituut in de Europese ridderstand. Het gebruik om ‘Ridders van het Gulden Spoor’ te benoemen is volgens middeleeuwse literatuur terug te volgen tot de door keizer Constantijn (274-340) gevormde “Militia Aurata” of Gouden Militie die bij de Milvische Brug streed. Paus Sylvester I zou een Orde van het Gulden Sppor hebben ingesteld in zijn pontificaat dat van 314 tot 335 duurde. Dat het instituut zo oud is werd lange tijd voor waarheid aangenomen.

Hedendaagse historici plaatsen de eerste ridder van het Gulden Spoor echter in de bloeitijd van de ridderlijk idealen in de late middeleeuwen. Zeker is dat paus Gregorius XIII tijdens zijn van 1572 tot 1580 durende regeerperiode een Militia Aurata instelde die aan het Pauselijke Hof was verbonden. Deze militie is de kiem van de latere pauselijke Orde van het Gulden Spoor die ook nu nog bestaat.

Mozart was niet de enige kunstenaar ooit die deze onderscheiding kreeg; zo kennen we ook de componisten Christoph Willibald Gluck en Karl Ditters von Dittersdorf en de beeldhouwer Antonio Canova. Mozart zal de titel van ridder echter nooit gebruiken, dit ondanks het aandringen van zijn vader. Wel bestaat er een schilderij van een anoniem gebleven kunstenaar dat Mozart toont met het rode sierlint en het achtpuntige Maltezerkruis.

Giovanni Ganganelli was lid van de minderbroeders-conventuelen en werd in 1759 kardinaal. Niet zonder druk van de Bourbons, die de opheffing van de jezuïetenorde nastreefden, werd hij op 19 mei 1769 na een drie maanden durend conclaaf tot opvolger gekozen van Clemens XIII. Door talmen en toegeeflijkheid ten opzichte van de vorsten probeerde hij aan hun steeds dringender eisen te ontkomen. Mede uit vrees voor een schisma gaf hij op 21 juli 1773 toe en hief door de ‘breve Dominus ac Redemptor noster’ de orde op.

Het gevolg was dat 23.000 jezuïeten op zoek moesten naar een andere obediëntie en er liefst 679 scholen en 176 seminaries gesloten werden. In vele landen stortte het hele onderwijssysteem in elkaar, in de missies bleven honderdduizenden gelovigen achter zonder begeleiding. Vredespogingen vanuit de Utrechtse Cleresie vonden, ook bij deze paus, geen gehoor. Dat hij, uit wraak, vergiftigd zou zijn, is een fabeltje.

De laatste drie maanden vóór zijn dood was Clemens XIV al ernstig ziek. Hij had soms waanvoorstellingen, zijn gelaat was aangetast door herpes en iedere nacht had hij nachtmerries. Op de dag van Maria-Boodschap reed hij te paard naar de Santa Maria sopra Minerva maar werd onderweg overvallen door een heftige regenbui. De kletsnatte paus wilde zich niet omkleden en woonde nog alle diensten bij. Daarna werd hij ernstig ziek en stierf kort daarna, vermoedelijk aan een longontsteking, in palazzo Quirinale. Na hem heeft geen enkele paus nog de naam Clemens gedragen.

Zijn grafmonument uit 1789 is het werk van Antonio Canova, zoals gezegd het eerste werk dat hij in Rome uitvoerde. Het moet voor de kunstenaar een hele krachttoer geweest zijn het pontificaat van deze paus toch nog van enige luister te voorzien. Het diplomatieke talent van Canova, geboren in Possagno (Treviso), liet zich toen al gelden. Hij maakte voor het grafmonument academisch onberispelijke maar vrijwel levenloze beelden die de Matigheid en de Zachtmoedigheid voorstellen.

Iets geloofwaardiger is het beeld van de paus zelf, die wordt afgebeeld met een indrukwekkende uitgestrekte arm. Na de uitbundige barok beleefde het koele, gereserveerde classicisme met dit kunstwerk zijn doorbraak. De Eeuw van de Rede had op zo’n heldere aanpak gewacht en al gauw werd werd Canova, wiens Italiaanse temperament hem behoedde voor de ijzigheid waar het classicisme soms naar afglijdt, de beroemdste beeldhouwer van zijn tijd.

Onder het grafmonument bevindt zich de doorgang naar de sacristie waar op het gewelf, op doek, Sebastiano Ricci (1659-1734) een ‘Tenhemelopneming’ schilderde. Verwar deze meester niet met Giovanni Battista Ricci (1537-1627) die fraai werk uitvoerde in het Oratorio del Santissimo Crocifisso aan Piazza dell’Oratorio.

In de laatste kapel net vóór het voorgaande pausengraf, werd op de rechter zijmuur een achttiende-eeuwse gedenksteen opgericht voor Maria Rospigliosi Salviati. Een engel tilt het deksel op van een sarcofaagje als teken voor de dood, erboven verrijst een soort piramide als zinnebeeld van de onsterfelijkheid.

Het grafmonument werd voltooid door de Italiaanse beeldhouwer Bernardino Ludovisi ( 1693-1749) Hij is een typisch voorbeeld van een kunstenaar die in zijn tijd erg bedreven en geliefd was, maar vandaag vrijwel volkomen vergeten is. Nochtans werkte hij in Rome mee aan een aantal belangrijke opdrachten, waaronder de Trevifontein, heel wat beeldhouwwerk in de Sint-Pietersbasiliek, de Sint-Ignatiuskapel in de Gesù en de gevel van de Sint-Jan van Lateranen. Aan het einde van zijn leven was hij in dienst van de machtige familie Colonna, waarvan de leden bekend stonden als kunstliefhebbers en -beschermers.

In hun opdracht voltooide hij de grafmonumenten van Filippo II Colonna en de voormelde Maria Rospigliosi Salviati (dit laatste in opdracht van haar familielid, Caterina Salviati Colonna), evenals een buste van paus Benedictus XIV (een geschenk van karidnaal Marcantonio Colonna aan de paus).

In 1706 beschilderde Baciccio (1639-1709) in slechts zestig dagen het gewelf van het middenschip met de ‘Triomf van de franciscanenorde’. Het is rustiger dan zijn vroegere, beroemde ‘Triomf van de naam van Christus’ uit 1679 in de Gesu. Baciccio, ook Baciccia, in feite Giovanni Battista Gaulli, werd geboren in Genua maar werkte vooral in Rome. Hij schilderde het portret van zeven pausen, van Alexander VII tot en met Clemens XI, in sommige van die portretten is de invloed van Antoon Van Dyck duidelijk.

Met zijn warme kleuren, de lichtbehandeling en extreme perspectivistische verkortingen bereikt hij een persoonlijke, dynamische stijl die de fresco-schilderkunst van de Romeinse barok sterk heeft beïnvloed. Zijn illusionistische versieringskunst werd wellicht enkel geëvenaard door Andrea Pozzo (1642-1709) in de Sant’ Ignazio (1688), beide meesters waren praktisch even oud en stierven in hetzelfde jaar.

Giovanni Odazzi (1663-1731), nochtans gekend als een kleine meester, heeft in 1709 het plafond van de apsis een machtig trompe-l’oeil effect gegeven met de ‘Val van de opstandige engelen’. De techniek is indrukwekkend, de engelen vallen werkelijk uit de lucht.

De kerk gaat er prat op het grootste altaarstuk van Rome te bezitten. Het meet 6,7 m bij 14 m (bijna 100 m² !) en toont het ‘Martelaarschap van de heiligen Philippus en Jacobus’. Het is een werk uit 1715 van de uit Bologna afkomstige Domenico Muratori (1661-1742). Hij is duidelijk aan volgeling van de Carracci-broers. Het werk kwam in de plaats van het voormelde beschadigde fresco van Melozzo di Forli.

In het koor bevinden zich twee renaissancegraven van familieleden van Sixtus IV della Rovere (1471-1484), vooral de tombe links voor Pietro Riario vraagt enige aandacht. Ze is het resultaat van de samenwerking van drie grote meesters in de grafkunst, namelijk Andrea Bregno, Mino da Fiesole en Giovanni Dalmata.

De tombe rechts voor Raffaele Riario is geïnspireerd op tekeningen van Michelangelo. Wie het kan vergelijken herkent in een weliswaar verkleinde uitvoering de karakteristieke elementen van de Medici-tombes in Firenze. Het was kardinaal Raffaele Riario die de Cancelleria kwijtspeelde aan paus Leo X Medici (1503-1513), maar dat is een ander verhaal.

Vóór de linker trappen die naar het hoogaltaar leiden (net rechts van de linker pilaar van de triomfboog), bevindt zich het sobere vloergraf van de ‘compositore e organista’ Girolamo Frescobaldi (1583-1643). Hij was een groot orgelvirtuoos die in heel Europa beroemd was. Hij componeerde veel kerk- en orgelmuziek, met toccata’s van een grote technische vindingrijkheid. Alvorens in 1608 voor het leven hoofdorganist van de Sint-Pieter te worden vertoefde hij ook enige tijd in onze gewesten aan het hof van de aartshertogen Albrecht en Isabella.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s