Archief voor 19 mei 2017

Dromedaris uit de Romeinse tijd opgegraven in Tongeren

Posted in Romenieuws on 19 mei 2017 by romenieuws

Archeologen hebben bij opgravingen in Tongeren een schedel van een volwassen mannelijke dromedaris aangetroffen. Dat schrijft de krant Het Belang van Limburg. De opgravingen dateren reeds uit de periode 2014-2015, maar op het ogenblik van de vondst was niet duidelijk van welk dier de schedelfragmenten afkomstig waren. Pas toen de botresten werden onderzocht door archeozoöloog Bea De Cupere van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in Brussel (KBIN), werd duidelijk dat het om een dromedaris ging.

“Het gaat over enkele schedelfragmenten en twee goed bewaarde bovenkaken. Ze werden opgegraven in een greppel die doorheen een laat derde-eeuwse Romeinse muur snijdt. Een labo van de universiteit van Wenen zal nog DNA-onderzoek uitvoeren en er zijn stalen opgestuurd voor C14-datering (koolstofdatering) naar het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel”, verduidelijkt De Cupere in de krant.

Volgens Peter Cosyns, postdoctoraal onderzoeker aan de VUB, specialist Romeinse archeologie en voormalig stadsarcheoloog van Tongeren, zijn vondsten van kamelen of dromedarissen erg zeldzaam in het West-Romeinse Rijk. Ze worden meestal aangetroffen op drukke handelsroutes, wat doet vermoeden dat ze vooral als lastdier werden gebruikt. In de literatuur vinden we ook aanwijzingen voor militair gebruik. In het geval van de Tongerse dromedaris werd die wellicht ingezet voor transport op de handelsroute tussen Keulen en Boulogne-sur-Mer of tussen Nijmegen en Metz.

Het is nog maar de tweede vondst van een Romeinse dromedaris of kameel op het Belgische grondgebied. In 2007 werden in Aarlen al enkele beenderfragmenten opgegraven, eveneens op een belangrijke handelsroute. Daarnaast zijn er enkele geïsoleerde vondsten, van Hongarije tot Engeland.

Advertenties

De San Pietro in Vincoli

Posted in Romenieuws on 19 mei 2017 by romenieuws

De San Pietro in Vincoli, de kerk waar iedereen het spectaculaire Mozesbeeld van Michelangelo komt bekijken, ligt op de meest westelijke top van de Esquilijnse heuvel. Op de twee andere heuveltoppen liggen de Santa Maria Maggiore en de San Martino ai Monti. In de oudheid stond op deze plaats de Praefectura urbana, een kantoor voor de stedelijke administratie. Later zou zich hier het Macellum martyrum hebben bevonden, letterlijk: het slachthuis der martelaren. Volgens de overlevering werd de apostel Petrus, vooraleer men hem (ondersteboven) aan het kruis zou hangen, een tijdlang gevangen gehouden in Rome. In deze kerk worden de ketens waarmee de apostel zou geboeid geweest zijn als een zeer belangrijke en unieke relikwie vereerd.

Bisschop Achille di Spoleto verklaarde omstreeks het jaar 450 dat Rome nog steeds de ketens bezat en vereerde, die Petrus tijdens zijn Romeinse gevangenschap gedragen had. Deze ketens of banden (Latijn: vincula, Italiaans: vincoli) kwamen ook ter sprake op het concilie van Efese in 431. Maar over welke ketens ging het?

Alweer volgens de overlevering werden de boeien van Petrus vanuit de Mamertijnse gevangenis in Rome ooit meegenomen naar Constantinopel en later naar Jeruzalem gebracht. Volgens een andere versie van het verhaal gaat het om de ketens die door Herodes Agrippa I werden gebruikt om Petrus een tijdlang gevangen te zetten. Nog steeds volgens het verhaal trok keizerin Licinia Eudoxia in 439 op bedevaart naar het Heilige Land.

Zij was via haar vader Theodosius II de achterkleindochter van Theodosius de Grote (378-395) de laatste keizer van het volledige Romeinse rijk. Zelf was ze de echtgenote van de West-Romeinse keizer Valentinianus III (425-455) die zelf een kleinzoon was van Theodosius de Grote via zijn moeder Galla Placidia. In 455 wordt haar man door Petronius Maximus vermoord en is zij onder dwang verplicht met hem te trouwen. Toen de keizerin van de bisschop van Jeruzalem de boeien van Petrus uit de Mamertijnse gevangenis ten geschenke kreeg, stuurde ze de helft naar Byzantium en de andere helft naar haar dochter Eudocia die ze aan paus Leo I (440-461) gaf.

Opdat de pelgrims deze ketens zouden kunnen vereren, liet de paus een kerk bouwen op de plaats waar Petrus ook gevangen had gezeten, hier op de plaats van het Macellum martyrum waar zich reeds een titulus bevond. Kort daarna ontving de paus ook het gedeelte van de boeien die door keizerin Eudoxia naar Byzantium waren gestuurd. Paus Leo I, die nu over twee series ketens beschikte, legde ze naast naast elkaar en wat gebeurde er: op wonderlijke wijze sloten de beide ketens zich vanzelf aaneen!

Volgens een meer gevolgde variant van dit verhaal was het tweede deel van de ketens niet afkomstig uit Byzantium maar waren het de ketens van het Macellum martyrum die hier in de eerste titulus vereerd werden. Zo zou de huidige kostbare relikwie dus bestaan uit de ketens van beide Romeinse gevangenschappen van Petrus. Het is deze laatste versie die Rafaël uitbeeldde in de tweede Stanza in de Vaticaanse musea.

Na het versmelten van beide delen vond het geheel een plaats in een nieuwe en speciaal op deze plaats gebouwde kerk die men de basilica Eudoxiana of ook titulus Eudoxiana noemde. Het wonder van de ketens raakte vlug bekend en verspreid. Overal verrezen kerken toegewijd aan Sint-Pieters Banden, die vaak wat afslijpsel van de ketens in Rome als reliek bewaarden. Er was zelfs een gelijknamige kerk in Numidië (Algerije).

Bij opgravingswerken werden onder de San Pietro in Vincoli overblijfselen gevonden van zeer oude gebouwen met meerkleurige mozaïeken die teruggaan tot de tweede eeuw v. Chr., de tijd van de Romeinse republiek. Daarboven bevonden zich de resten van een groter bouwwerk met een porticus waarop enkele kamers uitkwamen. Omdat deze resten uit de tijd van Nero dateren, zou het misschien wel kunnen dat we hier te maken hebben met een noordelijke uitloper van het immense domein van de Domus Aurea. Omdat het Macellum martyrum tijdens de vijfde eeuw nog in bedrijf was, niet niet eigenlijk, zou dit verklaren waarom de kerk niet werd gebouwd op de plaats waar Petrus gevangen zou hebben gezeten, maar er net naast.

In 1962 kreeg de Belgische kardinaal Leo Suenens (1904-1996) de San Pietro in Vincoli toegewezen als titelkerk, hij was de eerste aartsbisschop van het aartsbisdom Mechelen-Brussel. In dat jaar was hij door Johannes XXIII tot kardinaal gecreëerd.

Na 530 zal deze kerk ‘ad Vincola San Petri’ gaan heten. Onder paus Hadrianus I (772-795) aan wie Karel de Grote een lijkrede opdroeg, en ook na de inval door de Noormannen in 1084 werd de San Pietro in Vincoli verbouwd en verfraaid, maar deze ingrepen hebben nauwelijks sporen nagelaten. Tijdens de renaissance kregen de kardinalen uit het geslacht della Rovere de inkomsten van deze kerk en toen Francesco della Rovere verkozen werd als paus Sixtus IV (1471-1484) liet hij de San Pietro in Vincoli restaureren.

Hetzelfde deed zijn neef Giuliano, de toekomstige Julius II (1503-1513) die hier tussen 1471 en 1503 kardinaal-titularis was. Julius II plande zelfs een volledige nieuwbouw, maar dat plan werd nooit uitgevoerd. Zoals de meeste Romeinse kerken werd het interieur ‘verbarokt’ zodat binnen niets nog wijst op de hoge ouderdom van de kerk.

De gevel met een porticus uit 1475 werd uitgevoerd in opdracht van Giuliano della Rovere en is van een strenge schoonheid. Hij heeft echter aan sierlijkheid ingeboet doordat tijdens de zestiende eeuw een verdieping bovenop de porticus werd gebouwd. Links van de kerk is een deel van het paleis van kardinaal della Rovere behouden gebleven, in de tuin achter dit paleis stond ooit zijn verzameling klassiek beeldhouwwerk, met o.a. de Apollo van het Belvedère en de Venus Felix. Toen Giuliano della Rovere verkozen werd als paus Julius II, verhuisde de verzameling naar het Vaticaan. Let bij het binnengaan van de kerk op de grote vijftiende-eeuwse omkadering van de toegangsdeur. De deur zelf is van de hand van Baccio Pontelli uit 1475.

De eerste indruk van het interieur van de San Pietro in Vincoli kan behoorlijk schokkend zijn, zeker als er net vóór je bezoek een horde toeristen is neergestreken: is dit een kerk of een markt? Hoe zou een normaal mens in deze heksenketel zelfs maar het kleinste gebedje kunnen bidden? Iedereen komt natuurlijk naar hier om naar Mozes te kijken en wellicht om terloops ook even naar de ketens van Petrus te gluren, helemaal vooraan in de kerk.

De San Pietro in Vincoli heeft de tekening van een basiliek, met een zeer breed middenschip en smalle zijbeuken, later werd een dwarsbeuk toegevoegd. Bij een diepgaande restauratie en een verbouwing aan het begin van de achttiende eeuw. werd het oude plaveisel vervangen door een dramatisch verblindende betegeling, zodat de overheersende glans de harmonie van de ruimte totaal ontwricht.

Gelukkig wordt in Rome slechts zelden een kerk gerestaureerd met zo’n gebrek aan smaak. Wel bleven de oude confessio bewaard, net als de twintig prachtige, antieke, gecanneleerde Dorische zuilen met twintig cannelures die door scherpe richels gescheiden worden. Ze behoorden tot de oorspronkelijke door keizerin Licinia Eudoxia gebouwde kerk en dateren dus uit de late keizertijd. Dit zijn voor zover we weten de enige vrije Dorische kapitelen in Rome. Kenmerkend voor een Dorisch kapiteel is de kussenachtige bolle plaat of echinus en de vierkante plaat of abacus. De Ionische voetstukken werden tijdens de zeventiende eeuw toegevoegd, Dorische zuilen hebben immers geen voetstuk.

Het middenschip is viermaal zo breed als de zijbeuken en heeft een mooi plafondfresco dat ‘Het mirakel der ketens’ toont: een bezetene wordt genezen door aanraking met de ketens. Het werd in 1706 geschilderd door de Genuees Giovanni Battista Parodi (1674-1730). Samen met de medaillons in de Santa Maria dell’Orto in Trastevere is het bij ons weten zijn enige werk in Rome.

De Italiaanse kunstschilder, beeldhouwer, graveur en goudsmid Antonio Pollaiuolo (1432-1498, eigenlijke naam Antonio di Jacopo d’Antonio Benci) ligt hier links van de ingang begraven. Antonio’s bijnaam Pollaiolo dankte hij aan het beroep van zijn vader, die handelaar was in gevogelte.

Gedurende zijn artistieke leven werkte hij nauw samen met zijn broer Pietro, die naast hem begraven ligt. Het atelier van de twee broers genoot grote bekendheid in Firenze en wordt beschouwd als invloedrijk voor de ontwikkeling van de kunsten in die stad. Ook de vijftiende-eeuwse Duitse theoloog, filosoof, wiskundige, astronoom, humanist en jurist Nicolaus Cusanus of Nicolaas van Cusa (1401-1464) kreeg als kardinaal een begraafplaats in de San Pietro in Vincoli.