Archief voor 9 juni 2017

De goudschat van Lienden en het einde van het Romeinse gezag in Nederland

Posted in Romenieuws on 9 juni 2017 by romenieuws

Archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) presenteerden in Museum Het Valkhof in Nijmegen een unieke goudschat uit het derde kwart van de vijfde eeuw. De schat zal omstreeks 460 na Chr. zijn begraven, niet lang vóór de definitieve val van het West-Romeinse rijk in 476. De goudschat is vanaf nu in het museum te zien.

Amateurs met een detector vonden het goud in een boomgaard in de Betuwe en seinden professionele archeologen in, die voor de opgraving zorgden. Bijzonder is dat de vinders en de grondeigenaar de goudschat in langdurig bruikleen afstaan aan Museum Het Valkhof, zodat iedereen deze bijzondere vondst kan bekijken. Archeologen Stijn Heeren, Nico Roymans van de Vrije Universiteit Amsterdam en Jos Bazelmans, hoofd archeologie van de RCE, belichtten de betekenis van deze goudschat als een sleutelstuk voor onze kennis van de eindfase van het Romeinse gezag in Nederland en de overgang naar de Vroege Middeleeuwen.

De Vrije Universiteit heeft vanaf de zomer van 2016 een meldpunt geopend voor archeologische vondsten gedaan door privé-personen die zoeken met een metaaldetector, genaamd PAN, wat staat voor Portable Antiquities of the Netherlands. Al in de eerste maand kwam er een melding van een opmerkelijke vondst van 23 gouden Romeinse munten die in 2016 waren aangetroffen in een boomgaard in het Gelderse Lienden, gemeente Buren. Men kwam ook in contact met twee andere zoekers die al in 2012 op precies dezelfde plek acht gouden munten hadden gevonden, toen de akker machinaal werd voorbewerkt om als boomgaard te worden ingeplant.

De zoektocht werd voortgezet in de archieven. Het bleek namelijk dat in 1905 en in de jaren 1840 van de negentiende eeuw op hetzelfde perceel al een partij goudstukken is ontdekt die vrijwel zeker tot dezelfde schatvondst behoort. In 1846 meldt dominee Kist dat hij bij een bezoek aan Lienden een aantal gouden munten te zien kreeg welke op het perceel ‘Den Eng’ waren verzameld, destijds eigendom van de lokale grondheer Baron van Brakell. Kist noemt drie munten van Valentinianus, drie van Constantijn tn twee van Honorius.

Enkele jaren eerder had een Leidse archeoloog al een gouden munt van keizer Majorianus onder ogen gekregen. De locatie wordt niet genoemd, maar wel staat vermeld dat de munt in het bezit was van Baron van Brakell, eigenaar van hetzelfde perceel op ‘Den Eng’ waar in de negentiende eeuw en recentelijk de andere munten zijn ontdekt.

De munten zijn alle zogenoemde solidi, de Romeinse gouden standaardmunt uit de late vierde en vijfde eeuw. In totaal zijn nu 42 stuks bekend. Dit is echter een minimum aantal omdat de schatvondst zeker incompleet is. Onbekend blijft hoeveel munten in de jaren 1840 (en mogelijk al eerder?) gevonden zijn. De toen ontdekte munten zijn helaas niet meer te traceren.

Deze verzameling van tenminste 41 solidi uit Lienden bestrijkt een lange tijdsperiode tussen 375 en 457. 29 munten zijn geslagen in de late vierde of vroege vijfde eeuw: vijf van Valentinianus II; tien van Honorius; dertien van Constantijn III en één van Jovinus. Van enkele munten is niet exact bekend door welke keizer ze zijn geslagen. Verder zijn er munten uit het midden van de vijfde eeuw: één munt van Johannes, acht stukken op naam van Valentinianus III en tenslotte de jongste munt of sluitmunt van Majorianus. De munten van de schat zijn dus gespreid over een lange periode geslagen door verschillende keizers. Een dergelijke gemengde samenstelling blijkt kenmerkend voor alle Laat-Romeinse solidusschatten.

De Liendense schat is om twee redenen zeer bijzonder te noemen: Het is de grootste thans bekende solidusschat uit Nederland en het  blijkt de allerlaatste Romeinse muntschat die we uit Nederland en aangrenzende regio’s kennen. De sluitmunt is van keizer Majorianus, die regeerde van 457 tot 461. Dit betekent dat de schat rond 460 of kort daarna zal zijn begraven. Het West-Romeinse rijk eindigde in 476 toen de laatste keizer werd afgezet.

Naar aanleiding van de meldingen hebben archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een kleine opgraving uitgevoerd, waarbij op de vondstplek van de munten een zone van ongeveer 75 m² werd onderzocht. Men wilde eerst weten of er nog meer munten of eventueel sieraden in de bodem aanwezig waren. Een tweede vraag was of de vondsten in een pot, buidel of andere container hadden gezeten. Tevens is het voor archeologen belangrijk om de aard van de vindplaats te kennen: was de schat begraven bij een huis in een nederzetting, bij een heiligdom, of wellicht bij een begraving meegegeven aan een persoon? Dit laatste was een serieuze optie, aangezien de vinder van 2016 ook onverbrand menselijk botmateriaal aantrof op de vondstplek van de munten.

Wat zijn nu de resultaten van deze opgraving? Er werden helaas geen nieuwe munten meer gevonden. Ook werden geen scherven ontdekt van aarden of metalen vaatwerk, hetgeen wellicht betekent dat de schat destijds in een buidel van leder of textiel is verborgen. Er zijn wel andere resultaten te melden. Dat betreft vooral de vondst van onverbrande botresten van drie menselijke individuen. In één geval kon nog worden vastgesteld dat de persoon met opgetrokken onderarmen iets op de zij was neergelegd.

Daarnaast was er een crematiegraf in de vorm van verbrande botten in een urn van aardewerk. Een verrassing volgde, toen de resultaten uit het laboratorium binnenkwamen; uit de radiokoolstofdateringen bleek dat de onverbrande botten dateren uit het begin van de Midden Bronstijd, ca. 1800 v. Chr. Dat is veel vroeger dan gedacht en betekent ook dat er dus zeker geen relatie is tussen de muntschat en de skeletresten. Het crematiegraf is jonger: waarschijnlijk uit de IJzertijd. Uit de Romeinse tijd en met name de Vroege Middeleeuwen is tenslotte wat los vondstmateriaal geborgen, niet gekoppeld aan sporen uit die periode. Dat suggereert dat het terrein in die tijd de periferie van een nederzetting vormde.

De Midden Bronstijd staat bekend als een periode waarin ook in het rivierengebied grafheuvels werden opgericht. Met de opgraving heeft men niet onomstotelijk kunnen vaststellen dat hier een grafheuvel lag, maar de aanwezigheid van een heuvel kan wel verklaren waarom iemand hier in de vijfde eeuw, ruim twee millennia later, een muntschat begraaft. Een dergelijke schat is doorgaans bedoeld om later nog eens terug te halen, en daarvoor moet de begraver in het landschap een herkenbaar punt uitkiezen. Een oude grafheuvel in de buurt van een nederzetting is dan een ideale plek om een schat te begraven, met de intentie die later weer op te halen. Dat laatste is echter nooit gebeurd, tenminste niet door de oorspronkelijke eigenaar.

De conclusie is dat de muntschat vermoedelijk is begraven in een oude, toen nog zichtbare grafheuvel uit de Midden Bronstijd. De directe aanleiding daartoe blijft onzeker. Het meest voor de hand liggend is een begraving uit veiligheidsoverwegingen in een crisissituatie, waarbij de keuze voor een oude grafheuvel als verstopplek mede kan zijn ingegeven door religieuze overwegingen. In ieder geval beschikken de onderzoekers dankzij de opgraving in Lienden nu over een goed gedocumenteerde Laat-Romeinse goudschat uit Nederland.

De Liendense schat dient begrepen te worden binnen de context van de geleidelijke desintegratie van het West-Romeinse rijk in de vijfde eeuw, uitmondend in zijn definitieve ondergang in 476. De toenemende afhankelijkheid van Germaanse groepen, waaronder in onze streken de Franken, speelde daarbij een belangrijke rol. Gouden munten ofwel solidi vormden het betaalmiddel bij uitstek waarmee Romeinse keizers vanaf de late vierde eeuw Frankische leiders beloonden in ruil voor militaire steun. Die leiders konden dan de munten weer distribueren onder hun eigen aanhang.

Keizer Aantal
Valentinianus II 375-392 5
Honorius 395-423 10
Constantinus III 407-411 12
Jovinus 411-413 1
Johannes 423-425 1
Valentinianus III 425-455 8
Valentinianus II/III 3
Maiorianus 457-461 1
Totaal 41

De Liendense schat zal – gezien de aanwezigheid van munten van Valentinianus III en vooral de sluitmunt van Majorianus – omstreeks of kort na 460 zijn begraven. Ondanks het grote aandeel van oudere solidi uit de late vierde en het begin van de vijfde eeuw in de schat, is het waarschijnlijk dat deze in één keer is ontvangen van een Romeinse gezagsdrager.

Uit Nederland en aangrenzende gebieden kennen we thans 27 Laat-Romeinse solidusschatten. Daarin tekent zich een duidelijk patroon af. Verreweg de meeste schatten zijn in het begin van de vijfde eeuw begraven. Uit die fase kennen we een hele serie goudschatten en losse solidi, zowel ten noorden als ten zuiden van de Rijn. De spreiding van deze goudvondsten reflecteert ultieme pogingen van het Romeinse gezag om vooral de Maas- en Rijnvallei te controleren en greep te krijgen op de hier woonachtige Frankische groepen. Er is in deze fase sprake van een duidelijke schathorizon en uit de datering van de muntschatten blijkt dat een substantieel deel van dit goud ten tijde van Constantijn III is binnengekomen. Daarna kennen we een viertal solidusschatten met munten geslagen tussen 425 en 445 onder Valentinianus III. De Liendense schat is van nog wat latere datum: rond 460.

De vraag is hoe we die extreem late instroom van Romeins goud moeten begrijpen. De instroom van een partij goud omstreeks 460 hangt waarschijnlijk samen met activiteiten van de West-Romeinse keizer Majorianus en diens generaal Aegidius in Gallië. Het meest plausibele scenario is dat Aegidius militaire steun vroeg van Frankische koningen in ruil voor goudbetalingen. Aegidius was legerleider in Gallië onder Majorianus. Als antwoord op voortdurende pogingen van Germaanse groepen om hun macht in Gallië te vergroten, ondernam hij in de zomer van 457 een veldtocht tegen de Ripuarische Franken  waarbij Keulen ontruimd moest worden.

De Ripuarische Franken waren een Germaans stamverband van Frankische stammen die aan rivieren (onder andere de middenloop van de Rijn) woonden. Hun naam Ripa betekent dan ook oever in het Latijn. De Tencteren, Sugambriërs, Cherusken en Chatten worden er gewoonlijk toe gerekend. Hun gebied werd Francia Rinensis genoemd en de voornaamste residentie van hun vorsten was Keulen. Het gebied van de Ripuarische Franken, ook wel Rijnfranken geheten, besloeg het gehele Rijngebied, het gebied ten oosten van de Maas en het gebied langs de Moezel.

In 458 heroverde Aegidius in opdracht van Majorianus Lyon op de Bourgonden en verdedigde hij met succes Arles tegen de Visigoten. In augustus 461 werd Majorianus door de Germaanse generaal Ricimer ten val gebracht. Deze benoemde Libius Severus tot opvolger. Aegidius weigerde echter samen te werken met Ricimer en deed een poging met zijn leger tegen Ricimer op te trekken. Maar hij was weinig succesvol doordat de Bourgondische koning Gundioc hem de pas naar Italië afsneed.

Aegidius raakte verder in moeilijkheden toen de Visigoten in opdracht van Ricimer tegen hem optrokken. Hij werd hierdoor gedwongen zich terug te trekken naar het gebied rond Parijs, waar hij een zelfstandig Gallo-Romeinse Rijk stichtte met Soissons als zijn residentie. In 463 voorzag Aegidius zich van steun van Frankische bondgenoten onder aanvoering van Childerik. Met hulp van deze bondgenoten slaagde hij erin de Visigoten te verslaan in de slag bij Orléans, waarmee hij zijn machtsbasis in Gallië versterkte. In 464 werd Aegidius vergiftigd. Het door hem gestichte rijk bleef voortbestaan. Het werd eerst overgenomen door Paulus en daarna door zijn eigen zoon Syagrius, die het in 486 verloor aan de Franken onder Clovis.

Het is een interessante vaststelling dat de schatbegraving in Lienden (omstreeks 460) ongeveer gelijktijdig gebeurde met het aan de macht komen van de reeds genoemde Frankische kleinkoning Childerik I (ca. 436-481/482). Childerik verkreeg het leiderschap bij de dood van zijn vader omstreeks 458. Hij had zijn machtsbasis rondom de stad Doornik, waar zijn uitzonderlijk rijke graf is teruggevonden. Childeric wordt daarin gepresenteerd als een generaal in Romeinse dienst. Hij steunde Aegidius en zal daarvoor goud hebben ontvangen om zijn volgelingen te kunnen belonen. Zou de eigenaar van de schat van Lienden een volgeling van Childeric kunnen zijn geweest? In ieder geval mogen we denken aan een Frankische leider uit het Nederlandse rivierengebied die rond 460 in het Romeinse netwerk moet hebben gezeten.

Het mag duidelijk zijn dat de goudschat van Lienden een vondst is met een bijzonder verhaal. Het betreft een uniek tijdsdocument voor de laatste fase van het Romeinse gezag in Nederland dat ons een blik gunt op de politiek-militaire situatie tijdens de overgangsfase naar de Vroege Middeleeuwen. Tevens kunnen we zeggen dat het hier gaat om de laatste Romeinse goudschat uit Nederland die bij ons het einde markeert van het West-Romeinse rijk.

Het wetenschappelijk belang van de goudschat van Lienden:

• Het is de grootste Laat-Romeinse solidusschat uit Nederland.

• Het is de allerlaatste Romeinse goudschat uit Nederland.

• De schat was eigendom van een Frankische leider die waarschijnlijk behoorde tot de volgelingen van Aegidius en Childeric.

• De schat vormt een uniek tijdsdocument voor wat betreft de overgang van de Romeinse tijd naar de Vroege Middeleeuwen.

• Ze markeert het definitieve einde van het Romeinse gezag in Zuid-Nederland.

• De schat werd mogelijk begraven in een grafheuvel uit de Bronstijd.

Advertenties