Een bezoek aan de Santa Maria sopra Minerva

We vertelden in een vorig bericht over de gevelrestauratie van de basilica Santa Maria sopra Minerva die recent begonnen is. Vandaag wat meer over deze fascinerende museumkerk aan Piazza della Minerva, waar bijzonder veel te zien is. Je betreedt de basilica langs de rechterdeur, de enorme deur van de hoofdingang is altijd gesloten. Een achteringang is er ook langs de kleine Via del Beato Angelico. Je komt dan meteen helemaal vooraan in de kerk, maar men heeft liever niet dat die toegang wordt gebruikt.

De eerste indruk van deze basiliek is vreemd. De gebundelde pilaren en de kruisribgewelven geven een gevoel dat helemaal niet Romeins is. De glimmende Korinthische zuilen met pseudo-marmeren beschilderingen en het afgevlakte gewelf hebben niet meer veel te maken met wat we gewoonlijk onder gotiek verstaan. De beschildering van het gewelf en de roosvensters zijn producten van een nogal onoordeelkundige restauratie in 1855. Toch heeft het opvallende blauwe plafond, versierd met sterren en bladgoud een zekere schoonheid, vooral wanneer het licht op de juiste manier de kerk binnenvalt.

Zoals eerder verteld, is de kerk gedeeltelijk gebouwd op resten van enkele tempels uit de oudheid. Minerva, een Italische godin van Sabijnse of Faliskische origine, werd overgenomen door de Romeinen. In de tempel op het Capitool werd zij omstreeks 509 v. Chr. vereerd, samen met Juno en Jupiter. De godin had ook eigen tempels op de Coelius en de Aventijn.

De stichtingsdatum van de tempel op de Aventijnse heuvel, de zogenaamde Quinquatrus van 19 tot 23 maart, was overigens het voornaamste Minervafeest in Rome. Het was het feest van de kunstenaars en handwerkslieden. Leraars kregen dan hun jaarsalaris. De relatief kleine tempel van Minerva waarop later deze kerk werd gebouwd, werd gerealiseerd tussen 60 en 50 v. Chr. in opdracht van Pompeius Magnus en ging waarschijnlijk verloren in de grote brand van 80 na Chr. die het Marsveld verwoestte. Domitianus liet de tempel daarna weer herbouwen.

Aan de binnenkant van de gevelmuur, net links van de hoofdingang kijkend naar de poort, bevindt zich het renaissancegraf voor Neroni Diotisalvi (1401 of 1406-1482), een Florentijn die wegens een samenzwering tegen Piero de Medici zijn stad ontvluchtte en uiteindelijk in Rome stierf. Het is alsof de man op een weegschaal ligt. Let op de omkadering met grotesken die doen denken aan de antieke schilderingen in het Domus Aurea van Nero.

Prachtig is het profiel van het borstbeeld uit 1568 bij het graf van Virginia Pucci-Ridolfi, links net naast de toegangsdeur waarlangs je binnenkwam. De kunstenaar is onbekend. De twee wijwatervaten links en rechts van de hoofdingang dateren uit 1588.

De eerste kapel in het rechterschip heeft een altaarstuk van de kunstschilder Giovan Battista Gaulli (1639-1709), beter bekend als Baciccio, Il Baciccio of Baciccia. Zijn werk werd beïnvloed door Rubens en Van Dyck. Baciccio kennen we nog als de schilder van het prachtige gewelffresco in de Gesù-kerk. Het graf van archivaris Castalio toont een mooi portret.

De vierde kapel werd ontworpen door Carlo Maderno (1556-1629). Het prachtige altaarstuk is een merkwaardige ‘Annunciatie’ uit 1500, uitgevoerd door Antoniazzo Romano (1435-1508), niet te verwarren met Giulio Romano (1492-1546). Antoniazzo was een medewerker van Melozzo da Forli (1438-1495), de mooie ‘Annunciatie’ die je kan bewonderen in de eerste kapel rechts in het Pantheon wordt zelfs aan beide meesters toegeschreven.

Dit schilderij in de vierde kapel steekt schril af bij de meesterwerken die we kennen van tijdgenoten als Filippo Lippi, Andrea Mantegna en Pinturicchio, meesters die in het laatste decennium van de vijftiende eeuw de terugkeer naar de klassieke Oudheid geestdriftig hadden aanvaard. Maar tegen deze obsessieve cultus van de antieken bestond ook enig verzet, vandaag zouden we ze conservatieven noemen.

Eén van de bitterste tegenstanders was zonder twijfel deze Antoniazzo Romano, dit altaarstuk is daarvan een voorbeeld. Tegen een gouden achtergrond is niet alleen de Verkondiging (Annuncio) afgebeeld, maar overhandigt Maria ook geldzakjes aan drie knielende meisjes in gezelschap van kardinaal Torquemada, de oom van de beruchte inquisiteur.

Deze uitbeelding herdenkt de oprichting door de kardinaal van een instelling die arme meisjes aan een bruidsschat moest helpen. Op 25 maart, het feest van Maria Boodschap (Annunciatie) – negen maanden vóór kerstmis, werden de meisjes in twee rijen opgesteld voor de Santa Maria sopra Minerva, om uit handen van de paus een som geld te ontvangen.

De ‘Annunciades’ met een witte krans in het haar werden dubbel bedeeld want zij gingen naar het klooster. Volgens kroniekschrijvers was de pauselijke processie en de bijhorende ceremonie één van de plechtigste ‘schouwspelen’ van Rome. Dit gebeurde voor het laatst in 1870.

Links in dezelfde kapel bevindt zich het graf van paus Urbanus VII die op 27 september 1590, net als zijn voorganger Sixtus V, aan malaria stierf. Dat gebeurde 12 dagen na zijn verkiezing op 15 september, hij was toen 69 jaar. Toch heeft deze paus het allereerste bekende rookverbod in publieke ruimten op zijn naam staan. Hij dreigde iedereen te ex-communiceren die in een kerk of in de buurt ervan tabak gebruikte.

Het was toen blijkbaar een slechte periode voor pausen, want tussen augustus 1590 en januari 1592 waren er niet minder dan vier. Als geboren Romein schonk Urbanus VII per testament 30.000 dukaten aan de ‘Annunciades’. Het graf is een werk van Ambroglio Buonvicino van wie we ook stucco’s in de Santa Maria Maggiore vinden.

De graven voor de ouders van Clemens VIII Aldobrandini (1592-1605) in de vijfde kapel zijn het werk van Giacomo della Porta (1533-1602) en Girolamo Rainaldi. Paus Clemens VIII was een vlijtige bedekker van geschilderd en gebeeldhouwd naakt, maar toen hij hier een grafkapel voor zijn ouders inrichtte liep er toch iets mis.

De beelden uit 1611 op het graf links die de Godsdienst en de Naastenliefde voorstellen, en het linkerbeeld van het graf rechts dat de Gerechtigheid voorstelt zijn wel volgens het boekje. Maar Prudenza, het rechterbeeld van het graf tegen de rechtermuur, is niet bepaald een voorbeeld van deugdzaamheid.

We zien een vrouw met deels ontblote boezem zichzelf bekijkend in een spiegel, eerder een courtisane dan een allegorie voor de Bezonnenheid. Het staat echter vast dat Clemens VIII vóór zijn dood het ontwerp van het beeld toch heeft goedgekeurd, wat gezien de behoorlijk felle preutsheid van deze paus opmerkelijk mag worden genoemd.

Rechts achteraan in dezelfde kapel staat in een nis in de zijmuur, een beeld van de heilige Sebastiaan uit 1604 uitgevoerd door Nicolas Cordier (1567-1612), bijgenaamd Il Franciosino. Dit beeld is niet de herwerkte ‘eerste versie’ van Michelangelo’s ‘Cristo Redentore’ zoals in en door gidsen vaak beweerd wordt. Nicolas Cordier, een volgeling van Michelangelo die zowel beeldhouwer als schilder was, ken je wellicht het prachtige beeld van de heilige Agnes in de Sant’ Agnese fuori le Mura (Sint-Agnes buiten de muren) aan de Via Nomentana.

In de zesde kapel bevindt zich rechts één van de beroemdste en meest harmonische werken van Andrea Bregno (1421-1506), het graf van de in 1477 gestorven kardinaal de Coca. Let op de zeer geraffineerde versieringen. Bregno ligt ook begraven in deze kerk, daarover later meer. Boven het graf van de Coca zien we een laat vijftiende-eeuws fresco uit de School van Melozzo da Forli.

Weliswaar minder indrukwekkend dan de fresco’s in de pinacotheek van de Vaticaanse Musea, zien we ook hier musicerende engelen, ze zijn zowat het handelsmerk geworden van Melozzo van wie het grootste deel van het oeuvre verdwenen is. Achter de hoek, die in feite tot het rechter transept behoort, vinden we de zevende kapel met een mooie houten vijftiende-eeuwse Christus.

Tegen dezelfde buitenmuur vinden we links naast de Cappella Carafa de prachtige met cosmatenwerk versierde graftombe van de in 1296 gestorven bisschop van Mende (Frankrijk), kardinaal Guglielmo Durandus. Mende ligt in Lozère, ten noordoosten van Millau. Het monument bevat een mooie ‘Madonna met Kind’ in een intieme Italiaanse gotische stijl, het is een werk van Giovanni di Cosma. Deze meester waarvan we links de naam zien, was één der laatste telgen uit de beroemde Cosmafamilie, de marmorari romani, hij zou omstreeks 1300 overleden zijn. In de Santa Maria Maggiore bevindt zich een soortgelijk graf door dezelfde meester.

Bisschop Durandus was de schrijver van een groot liturgisch handboek met beschouwingen over alle symbolen en betekenissen van de eredienst; het bleef 250 jaar lang een vraagbak voor priesters, geleerden en kunstenaars. De tombe is omgeven door een driepas arcade met kleine pilasters. Een driepas is een meetkundige figuur van drie snijdende cirkelbogen, beschreven uit de hoekpunten van een gelijkzijdige driehoek.

Het grafmonument zelf bestaat uit een sarcofaag die deels met een groot doek bedekt is en het familiewapen op een mozaïek. Daarboven ligt een figuur die door twee engelen wordt geflankeerd, ze houden een gordijn open, wat de analogie met de voormelde tombe in de Santa Maria Maggiore extra onderstreept.

Het mozaïek onder de arcade kan vanwege de talrijke restauraties niet aan een specifieke kunstenaar worden toegeschreven; het toont de tronende Madonna met Kind, met rechts de heilige Dominicus en links de heilige Privatus, de tweede bisschop van Mende, die knielend voor de dode bidt.

In de kapel links van de vorige gang zien we tegen de linkermuur het graf van de in 1473 gestorven geleerde Giovanni Arberini. In zijn tabbaard ligt hij uitgestrekt op een antieke sarcofaag uit de eerste eeuw v. Chr., versierd met een zeer mooi halfreliëf dat Hercules toont in gevecht met de leeuw van Nemea.

Het tafereel verwijst naar het eerste van de twaalf werken van Hercules voor de Tirynse koning Eurystheus. Tijdens de Oudheid gold Hercules als beschermer van de doden wat zijn aanwezigheid op grafsculpturen verklaart. Vermoedelijk heeft men de worstelende held in de Santa Maria sopra Minerva toegelaten als zinnebeeld van sterkte, gelukkig verwees een boompje (arbor) op de sarcofaag naar de naam van de overledene.

Boven het altaar hangt een ‘Maria met Kind’ uit 1449 toegeschreven aan Benozzo Gozzoli, het werd oorspronkelijk geschilderd in tempera op zijde en werd als vaan of vlag gebruikt bij processies, het werd later overgebracht op paneel.

Iets verder naar links zie je de doorgang naar de mooie sacristie en een voor bezoekers afgesloten gang leidt naar het dominicanenklooster waar tijdens de vijftiende eeuw twee pausen werden gekozen, Eugenius IV (1431-1447) en Nicolaas V (1447-1455). In 1633 vond daar proces tegen Galileo Galilei plaats.

Achteraan in de sacristie, rechts van het altaar, bevindt zich de kapel van Catharina van Siena. Ze werd tijdens de zeventiende eeuw gebouwd met de muren van de kamer van het nabij gelegen dominicanessenklooster waarin de heilige in 1380 stierf. Minder bekend is dat deze kapel ontworpen werd door Andrea Sacchi (1599-1661) die we kennen als de schilder die de ‘klassieke’ hoog-barok vertegenwoordigde. Klassiek, omdat hij o.a. in de Accademia di San Luca (de Sint-Lucasgilde) een open strijd voerde tegen de grootschaligheid van Pietro da Cortona.

Het linker transept eindigt in de grote ‘cappella di San Domenico’ waarin zich rechts het grafmonument van paus Benedictus XIII Orsini (1724-1730) bevindt. Bij de verkiezing van deze bescheiden monnik en bisschop was het de bedoeling een heilige aan het hoofd van de Kerk te stellen, maar deze paus slaagde er niet in het weelderige leven van de kardinalen en priesters te beteugelen.

Als zoon van hertog Orsini dreef hij zijn ouders tot wanhoop door op zijn achttiende verjaardag zijn erfdeel te weigeren en in te treden bij de dominicanen. Wel verplichtte men hem op zijn 23ste de waardigheid van kardinaal aan te nemen. Als paus weigerde Benedictus XIII een voet te zetten in de pauselijke appartementen en leefde hij in een bescheiden cel in het Vaticaan. Hij ging op ziekenbezoek, gaf godsdienstonderricht en verklaarde velen heilig om het volk na te volgen voorbeelden te geven.

Maar een goede heilige maakt geen goede paus: Benedictus XIII liet het beheer van de Kerk over aan de onwaardige kardinaal Nicolo Coscia die zich verrijkte via alle mogelijke vormen van corruptie. De paus hechtte geen geloof aan wat men over Coscia vertelde, wat de woede van het volk aanwakkerde. Uiteindelijk trok Benedictus XIII zich terug in het klooster van de Santa Maria sopra Minerva waar hij kort daarna stierf.

Het mooie gevoelsvolle beeld dat het graf van de paus siert is een werk van Pietro Bracci (1700-1773), dat is de beeldhouwer die na de dood van Nicola Salvi architect werd van de Trevifontein waarvan hij het centrale beeld van Neptunus beitelde. In zijn tijd was Bracci de belangrijkste beeldhouwer van Rome, van hem is werk te zien in het Museo nazionale del Palazzo di Venezia, maar ook de twee engelen bij het graf van Sint-Jan Berchmans in de Sant’ Ignazio, en de vier engelen in de buitenloggia van de Santa Maria Maggiore zijn van Bracci.

Op de hoek van het linker transept en de linkerbeuk zie je tegen de pilaar, kant linker transept, de grafsteen uit 1506 van Andreas Bregno van wie we in de zesde kapel van het rechterschip een mooi werk bewonderden. Let op het kompas, passer en andere werktuigen die op de grafsteen afgebeeld werden. Bregno (1421-1506) werd geboren nabij Como, vanaf 1460 was hij de meest gewaardeerde beeldhouwer van Rome waar hij een grote werkplaats had met o.a. Mino de Fiesole (1431-1485).

Bregno is vooral gekend voor zijn hoogwaardige maar in opbouw vaak stereotype muurgrafmonumenten. Hij beschikte over een diepgaande kennis van de klassieke oudheid dankzij zijn handel in antieke kunstwerken en zijn grote verzameling beelden waaronder de beroemde ‘Torso van Belvedère’. Werk van deze meester vinden we in Rome ook in de Santa Maria in Aracoeli, de Santi Apostoli en vooral in de Santa Maria del Popolo.

Tegen de voorlaatste alleenstaande pilaar links (dus de tweede te tellen vanaf het hoogaltaar) vinden we aan de kant van het hoogaltaar het bijzonder fraaie zwart-beige marmeren gedenkteken uit 1643 dat Bernini maakte voor de zalige zuster Maria Raggi. De gordijnen vol beweging, de extatische uitdrukking, de levendige engeltjes getuigen van Bernini’s fantastische meesterschap.

Maria Raggi (1552–1600) was een non die bij leven door haar omgeving reeds als heilig werd beschouwd. Vooral haar achterneef kardinaal Ottaviano Raggi ijverde voor een heiligverklaring, dit monument met engeltjes die haar portret hemelwaarts voeren moest hiertoe bijdragen, maar zonder succes.

De vijfde kapel van het linker zijschip (dus net voor het linker transept) is gewijd aan de dominicaner paus Pius V (1566-1572). Als knaap hoedde hij de schapen, later werd hij dominicaner monnik en nog later professor theologie. De man had bijzonder weinig kunstgevoel. Zo besliste hij de verzameling klassieke beelden binnen het Vaticaan te laten vernietigen, maar zo ver kwam het gelukkig niet.

Hij werd begraven in de Santa Maria Maggiore. Deze controversiële paus werd in 1672 zalig verklaard en zelfs heilig in 1710. De schilderijen in deze kapel verwijzen naar de beslissende slag bij Lepanto op 7 oktober 1571, sindsdien wordt op die dag het feest van de Rozenkrans gevierd, Maria del Rosario. Links in de muur staat de zetel van paus Pius V.

In de vierde kapel links bevindt zich het altaar een ‘Madonna met Kind’ uit de School van Duccio di Bonisegna (1260-1319). Hij was de belangrijkste vertegenwoordiger van de vroeg-Sienese school en dus één van de vaders van de Italiaanse schilderkunst. Het kleine in marmer vervatte altaarstuk van de derde kapel links is een in situ aan Perugino toegeschreven Salvator.

Onder de vloer van de linkerbeuk bevindt zich ergens het graf van kardinaal Pietro Bembo (1470-1547), die tussen 1512 en 1520 secretaris was van paus Leo X, en vooral een vriend van Michelangelo, Rafaël en Ariosto. Hij was de auteur van het grafschrift voor Rafaël in het Pantheon.

Helemaal vooraan, juist naast de gevelwand in de linkerbeuk, naast de steeds gesloten ingang, zien we onderaan het uitzonderlijke graf van Francesco Tornabuoni, gestorven in 1480. Het is één der best geslaagde werken van de Florentijn Mino da Fiesole (1429-1484). Hij behoorde tot de generatie die Michelangelo voorafging en is vooral bekend voor zijn mannelijke borstbeelden. In de Carafa-kapel (daarover later meer) zie je door hem uitgevoerd architectuurwerk, maar om zijn betere werk te zien moet je in het Museo Nazionale del Bargello in Firenze zijn of de belangrijke musea in Londen, Berlijn, Parijs en Washington.

Nog één geheimpje betreffende de Santa Maria sopra Minerva: kijk eens naar het negentiende eeuwse plafond van de middenbeuk. Je ziet het niet, maar hier bevinden zich behoorlijk grote zolders waar tijdens de Tweede Wereldoorlog door de dominicanen joden en Italiaanse verzetstrijders werden verborgen. De nazi’s hebben hen nooit ontdekt.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s