Dubbele expo over legendarische Joodse menora te zien in Rome

In Rome is op twee locaties een tentoonstelling aan de gang over de legendarische Joodse menora, de zevenarmige kandelaar die na de inval van de Romeinen in Jeruzalem als buit mee naar Rome werd genomen maar in de loop der eeuwen spoorloos verdwenen is. Over wat er met de menora zou gebeurd zijn doen talrijke theorieën de ronde, maar het kostbare voorwerp is tot vandaag niet meer gezien. De dubbele tentoonstelling is tot 23 juli te bezoeken in zaal Braccio di Carlo Magno (ingang langs de colonnade op het Sint-Pietersplein) en in het Museo Ebraico di Roma, het Joodse Museum van de Synagoge aan Via Catalana. De toegangsprijs bedraagt 7 euro, een ticket is geldig voor een bezoek aan beide expo’s.

De tentoonstelling kreeg als titel La Menorà, culto storia e mito (cult, geschiedenis en mythe) en is een gezamenlijke realisatie van het Vaticaan en het Joodse Museum. De organisatoren hebben meer dan 3,5 jaar tijd nodig gehad om alle objecten voor de tentoonstelling te verzamelen. Het initiatief moet zorgen voor een betere dialoog tussen het Vaticaan en de Joodse wereld, maar de tentoonstelling moet ook een opening bieden voor nieuw onderzoek naar de gouden menora die de Romeinen in 70 na Christus als buit meenamen uit de Joodse tempel in Jeruzalem.

In de Braccio di Carlo Magno worden niet minder dan 120 museumstukken tentoongesteld die verwijzen naar de menora. Het oudste voorwerp is de Magdalasteen, een blok steen met een reliëf van de menora en die dateert van vóór de verwoesting van Jeruzalem. De steen werd in 2009 gevonden bij opgravingen aan de synagoge van Galilea. Onder de vele andere geëxposeerde werken bevinden zich talrijke andere afbeeldingen van de kandelaar, waaronder ook eentje uit een geïllustreerde Bijbel van 1200 jaar oud.

De menora kreeg in de loop der eeuwen een legendarische status. Het staat vast dat de menora effectief werd meegenomen en in Rome is beland. Op de triomfboog van Titus op het Forum Romanum Rome is duidelijk te zien hoe Joodse slaven de zevenarmige kandelaar meebrachten naar Rome. De menora verdween in de vijfde eeuw, en werd vermoedelijk geroofd tijdens plunderingen door de Vandalen. Maar zeker is dat niet.

Over het lot van de menora, vervaardigd uit massief goud en die ongeveer 45 kg zou hebben gewogen, doen vele theorieën de ronde. De kandelaar zou uit voorzorg in de Tiber gegooid zijn. Een schip bracht het kostbare voorwerp in veiligheid in Carthago. Maar het schip zou onderweg vergaan zijn. Een complottheorie die hardnekkig stand houdt, luidt dat het Vaticaan de menora in veiligheid bracht en de kandelaar al vele eeuwen ergens in het geheim verborgen houdt.

In de oudheid stond in de Joodse Tempel in Jeruzalem een grote menora, gemaakt van massief goud. In het jaar 70 werd de tempel verwoest bij de verovering van Jeruzalem door de Romeinen onder bevel van Titus. Een aantal heilige voorwerpen en tempelschatten werden door Titus meegenomen naar Rome, waar ze in een grootse triomftocht aan het Romeinse publiek werden getoond. Zoals vermeld staat dit afgebeeld op het bekende reliëf op de Triomfboog van Titus. Hier is ook de menora zichtbaar, de enige contemporaine afbeelding die van dit heilige voorwerp bekend is.

De liggende figuur (uiterst links) in de offerprocessie stelt de Jordaan voor, het symbool van de nederlaag van Palestina. Terwijl de plompe en in hoog-reliëftechniek uitgevoerde figuren van het kleine fries in de traditie liggen van de kleine fries van de Ara Pacis, getuigen de beide grote beeldvlakken die zich in de doorgang bevinden en waarop twee episodes te zien zijn van de triomf over de joden, van een nieuw artistiek concept. Deze bas-reliëfs behoren tot de meesterwerken van de Romeinse beeldhouwkunst.

Ze geven fragmenten weer uit de veldtocht van Titus en uit zijn triomftocht die vanaf het Marsveld over de Via Sacra naar het Capitool leidde. De reliëfs maken deel uit van de neo-Hellenistische trend en hebben een drie-dimensionaal perspectief, waarmee dieptewerking wordt geïntroduceerd.

Paul Johnson schrijft hierover: ‘No one ever carved high-relief horses better’. Het zuidelijke reliëf (kant van de Palatijn), toont in een optisch perspectief de processie door de triomfpoort, die aan de uiterste rechterkant in een verkort perspectief is afgebeeld, terwijl de dienaren de buit uit de tempel van Jeruzalem meedragen.

We zien eerst de legendarische menora, de zevenarmige kandelaar die Mozes liet maken (de boog van Titus stond tijdens de middeleeuwen bekend als de boog der zeven lichten) en die hij in het tabernakel liet plaatsen zoals God hem op de Sinaï had bevolen. Zo ook de tafel van de twaalf offerbroden (links van de uiterst rechts voorgestelde triomfboog) die elke week in de tempel werden tentoongesteld uit naam van de twaalf stammen van Israël. Let bij het bezoek aan de Boog van Titus ook op de zilveren bazuinen die bij de joden de feestdagen aankondigden.

Titus had vanuit Jeruzalem zoveel oorlogsbuit meegebracht dat de goudprijs in Syrië met 50 procent daalde. Met de opbrengst van de buit werd o.a. de bouw van het Colosseum betaald. Achteraan lopen mannen met borden waarop de namen van de veroverde steden staan. Achter de gevangenen volgt de keizer voorafgegaan door de godin Roma, beide met gelauwerd hoofd (links van de menora). Vanwege de efficiënte rangschikking van de figuren boven een lijn die niet langer horizontaal, maar convex is, lijkt de beweging van de processiestoet op het zuidelijke paneel bijna tastbaar.

Toen Israël in 1948 een onafhankelijke staat werd en men besliste dat de menora het symbool van de natie zou worden en o.a. op de bankbiljetten zou worden afgebeeld, stelde men vast dat men over geen enkel historisch gegeven beschikte over deze liturgische kandelaar. Een team specialisten kwam naar Rome om hier de enige, eigentijdse afbeelding in detail te bestuderen. Zo zijn vandaag alle voorstellingen van de legendarische menora in Israël een exacte kopie van deze op de nochtans door de Joden vervloekte Boog van Titus.

De jood Flavius Josephus was de commandant van de joodse opstand in 66 na Chr. maar werd gevangen genomen door de Romeinen. Hij voorspelde echter dat generaal Vespasianus het tot keizer zou brengen en kreeg zijn vrijheid terug toen dat in 69 inderdaad gebeurde. Sindsdien voerde hij de naam Flavius. Bij de verovering van Jeruzalem in 70 na Chr. bevond Flavius zich in het gevolg van Titus. Daarna vestigde hij zich in Rome en schreef in het Grieks o.a. een boek over de Joodse oorlog.

Flavius beschrijft hoe in de triomftocht mobiele paradestukken een realistisch beeld gaven van verschillende scènes uit de oorlog. Hij schrijft: ‘De oorlogsbuit werd in één grote massa meegedragen, alles door elkaar. Men had echter een aparte plaats ingeruimd voor alles wat men in de Tempel buitgemaakt had: een gouden tafel die vele talenten woog; een kandelaar, ook van goud maar van een ander model dan die welke we voor dagelijks gebruik hebben’.

‘Uit de voet verhief zich in het midden een schacht, en van die schacht takten dunne stengels af die geplaatst waren in de vorm van een drietand; elke stengel was aan zijn uiteinde bewerkt tot een lamp. Er waren zeven lampen’.

Daarmee wordt aangegeven hoeveel waarde de joden aan het getal zeven toekennen. De Wet van de joden werd daarop als laatste stuk van de oorlogsbuit voorbij gedragen. Daarna volgde een hele groep mannen die beelden droegen van Victoria, de godin van de overwinning. Al die beelden waren van goud en ivoor.

Na de triomftocht van Titus werden de belangrijkste joodse tempelschatten in de Vredestempel van Vespasianus (Forum Pacis) tentoongesteld. Er zijn verschillende vermeldingen van bronnen uit de tweede eeuw van mensen die de heilige voorwerpen in die tijd nog hebben bezichtigd. In 192 brandde de Vredestempel volledig af, maar of de menora en de andere schatten hierbij verloren gingen is onduidelijk.

Daarna wordt de geschiedenis van de menora vaag en ontstonden de legendes. Zo wordt al langer verteld dat de menora zich misschien wel in een nog niet ontdekte schatkamer op het Forum Pacis bevindt. Tijdens een nieuwe opgravingscampagne op het Forum Pacis enkele jaren geleden werd stiekem gehoopt op de ontdekking van een of andere verborgen ruimte, ondergrondse tempel of opslagplaats, waar de meest waardevolle stukken van de Romeinse buit afkomstig uit Jeruzalem zou kunnen opgeslagen zijn, inclusief de heiligste gebruiksvoorwerpen en meest legendarische schatten uit de tempel van koning Salomo. Het bleef bij wensdromen.

In de vijfde eeuw zouden Visigoten tijdens de plundering van Rome in 410 alle schatten meegenomen hebben naar hun toenmalige hoofdstad Carcassone. De menora zou, althans volgens sommigen, verborgen zijn op een geheime plaats, later geidentificeerd als het huidige Rennes-le-Château. Dit verhaal wordt kracht bijgezet door het gekende verhaal van de op het einde van de negentiende eeuw plots schatrijk geworden pastoor van dit kleine dorpje, l’abbé Saunière.

Volgens een ander verhaal zouden de Vandalen tijdens hun plundering van Rome in 455 de menora en de andere voorwerpen hebben meegenomen naar Carthago. Volgens de historicus Edward Gibbon zonk de boot met de tempelschatten op weg naar Afrika en zou de menora nu dus op de zeebodem liggen.

Maar volgens de zesde-eeuwse schrijver Procopius was de menora echter wel in Carthago aangekomen. Procopius schrijft over de verovering van de stad door de Byzantijnse generaal Belisarius. Deze nam volgens Procopius de menora en de andere tempelschatten mee terug naar Constantinopel, waar hij ze (net als zijn voorganger Titus) in triomftocht mee door de stad voerde.

Na deze gebeurtenis zou een joodse man keizer Justinianus I hebben gewezen op het feit dat ieder die de menora in zijn bezit heeft door ongelukken getroffen zal worden. De keizer zou kort daarna de menora terug naar Jeruzalem hebben gestuurd. Dit laatste deel van het verhaal lijkt vooral een mythe te zijn, er zijn totaal geen bronnen bekend die de in Jeruzalem teruggekeerde menora vermelden. Indien dit effectief zou gebeurd zijn, zouden we dit verhaal ongetwijfeld ook wel vanuit de Joodse gemeenschap hebben vernomen.

Weer andere bronnen melden dat de menora in Constantinopel achterbleef en dat een aantal andere schatten naar Jeruzalem werden teruggebracht. De menora zou dan bij de Val van Constantinopel in 1204 door de Venetiërs opnieuw naar Italië zijn gebracht.

In weer andere verhalen heeft de menora Rome nooit verlaten, maar werd de kandelaar al in de late oudheid door de paus in beslag genomen. Volgens een theorie ligt de menora begraven onder het hoofdaltaar van de pauselijke basiliek van Sint-Jan van Lateranen (San Giovanni in Laterano). Opgravingen die in het begin van de twintigste eeuw in de basiliek werden uitgevoerd leverden echter geen enkel spoor van de menora op. Het was de zoveelste mythe omtrent de menora.

De menora zou volgens hardnekkige geruchten tot op heden in het geheim worden bewaard in de kelders van het Vaticaan. Dit laatste verhaal lijkt echter evenzeer fantasie en is vermoedelijk ontstaan onder Joodse immigranten in Amerika. Een feit is wel dat dit verhaal door een aanzienlijk deel van de Israëlische bevolking wordt geloofd. Doorheen de eeuwen en zelfs tot in de moderne tijd bleven opeenvolgende joodse religieuze en Israëlische politieke delegaties aan pausen de teruggave vragen.

In 1997 stuurde de Israëlische regering een officiële vraag naar het Vaticaan om de menora terug te geven. En in 2004 vroeg ook de Israëlische president Moshe Katsav aan het Vaticaan om een lijst te maken met goederen en schatten afkomstig uit de Tweede Tempel, die het Vaticaan tegenwoordig in bezit zou hebben. Er is echter nooit een bewijs geleverd dat deze voorwerpen zich ook echt in het Vaticaan bevinden. De hardnekkigheid waarmee de legende blijft voortbestaan maakt duidelijk hoe belangrijk de menora is voor de joodse cultuur. De oudste afbeelding van een menora uit het Vaticaan dateert uit de tijd van paus Nicolaas IV (1227-1292).

De Nederlandse schrijvers Jan en Sanne Terlouw publiceerden in 2013 een roman met als titel ‘De verdwenen menora’. Zij schreven een brief naar het Vaticaan met een vraag om uitleg. De schrijvers ontvingen naar eigen zeggen van het Vaticaan een briefje met de tekst: ‘We are happy to inform you that the menora has been destroyed’. Maar waarom het Vaticaan dat opeens zou meedelen aan onbekende buitenlandse schrijvers terwijl over het lot van de menora al eeuwen in alle talen wordt gezwegen tegenover de Israëlische regering, is een raadsel.

De boog van Titus is door zijn reliëfs voor de joden een pijnlijke herinnering aan het begin van de diaspora. Daarom wilden joden nooit onder deze boog door wandelen. Vandaag is dat om veiligheidsredenen verboden voor iedereen. Het was pas onder Pius IX (1846-1878) dat een einde werd gemaakt aan het gebruik waarbij de pas verkozen paus op deze plaats de joodse gemeenschap ontmoette tijdens de processie van de nieuwe paus richting Sint-Jan van Lateranen.

Daarbij stond de opperrabijn naast de boog om de paus een exemplaar aan te bieden van de Pentateuch (de vijf boeken van Mozes of de vijf Thoraboeken, die samen het eerste deel van het Oude Testament vormen, bestaande uit Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium) en om de eed van trouw af te leggen.

www.lamenora.it

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s