Archief voor 4 oktober 2017

De catacombe van San Callisto

Posted in Romenieuws on 4 oktober 2017 by romenieuws

Een tijdje geleden kon je lezen dat de catacombe van Domitilla na een lange restauratieperiode opnieuw open is voor het publiek en brachten we een bezoek aan deze indrukwekkende plek. Bij die gelegenheid beloofden we om spoedig eens iets te vertellen over de best bekende catacomben in Rome, namelijk deze van San Callisto en San Sebastiano. Rome telt voor zover bekend een zestigtal catacomben, waarvan de meeste niet toegankelijk zijn voor het publiek.

Nog steeds worden nu en dan nieuwe catacomben ontdekt en het duurt soms jaren vooraleer die enigszins in kaart kunnen worden gebracht. Eén van de meest bekende en tevens één van de grootste en belangrijkste van Rome is de catacombe van San Callisto (Calixtus, Callixtus of Calistus), gebouwd in het midden van de tweede eeuw. Hier werden behalve vele christenen ook tientallen martelaren en zestien pausen begraven.

De catacombe is vernoemd naar de diaken Callixtus die aan het begin van de derde eeuw door paus Zefyrinus (199-217) werd benoemd als beheerder van de begraafplaats. Callixtus zou Zefyrinus opvolgen en zelf de zestiende paus van Rome worden. Zo groeiden de catacomben van San Callisto in die tijd uit tot officiële begraafplaats, het was de eerste in zijn soort.

Je vindt deze catacombe aan de Via Appia Antica 110/126. Je kan er dagelijks, op woensdag uitgezonderd, terecht van 9 tot 12 uur en van 14 tot 17 uur. Van 25 januari tot 21 februari 2018 is de catacombe gesloten.

In zijn nog steeds informatieve ‘Gids voor Rome’ uit 1963 schrijft Leo van Egeraat in zijn bekende laconieke stijl het volgende toen hij de catacombe van San Callisto bezocht: “Een Nederlandse pater drukt u een kaars in de handen, leidt u 25 minuten rond en verklaart u alles. Voor het overige wil de pater of frater, als u geluk hebt in sappig Maastrichts, mijn taak overnemen”. De meertalige paters-gidsen zijn nog steeds laconiek, maar de kaars is verdwenen.

Callixtus, eigenlijk Kallistos (155-222) stamde uit een slavenfamilie. In het begin van de derde eeuw leefde hij mogelijk als slaaf van een christen die hem zijn geldzaken toevertrouwde. Na het faillissement van zijn broodheer werd Callixtus aangehouden en door de joden ervan beschuldigd dat hij christen was. De man werd naar de mijnen in Sardinië gestuurd. Nadat hij gratie kreeg keerde Callixtus terug naar Rome maar kreeg problemen met de toenmalige paus Victor (189-199) en werd uit Rome verbannen.

Bij de volgende paus Zephyrinus komt Callixtus echter weer op een goed blaadje te staan, vandaar zijn benoeming tot diaken en beheerder van de toen nog prille begraafplaats of catacombe die later naar hem zou genoemd worden. In 217 volgde hij bisschop Zephyrinus op, zeer tegen de zin van diens tegenstander, de geleerde Hippolytus van Rome. Deze beschuldigde Callixtus van laksheid in de boetediscipline en toegeeflijkheid in de zedenleer. Het zogenaamde Edict van Callixtus, waartegen Tertullianus ageerde, is waarschijnlijk niet van hem, maar van een bisschop uit Carthago.

In 217 volgt Callixtus Zephyrinus ook op als paus en hij maakt al gauw van zijn nieuwe functie gebruik om de catacombe aanzienlijk uit te breiden. Bij zijn dood in 222 wordt Callixtus vreemd genoeg niet op zijn eigen begraafplaats aan de Via Appia begraven, maar in de catacombe van Calepodio, aan Via del Casale di San Pio V, vlakbij de Via Aurelia Antica. Waarom dat gebeurde valt niet meer te achterhalen. Feit is wel dat deze begraafplaats tot in de vierde eeuw de catacombe van San Callisto werd genoemd, later raakte die naam in onbruik en werd de plek omschreven als de catacombe aan de (derde mijl van de) Via Aurelia.

De catacombe van Calepodio was al volop in gebruik bij de dood van Callixtus en behoort dus eveneens tot de oudste ondergrondse begraafplaatsen van Rome. Net als alle andere catacomben raakte de plek naarmate de eeuwen verstreken in de vergetelheid. Zelfs Antonio Bosio die in de zestiende eeuw verschillende catacomben herontdekte, heeft Calepodio niet in zijn geschriften vermeld.

De catacombe van Calepodio zou pas in de zeventiende eeuw opnieuw worden ontdekt door Marcantonio Boldetti, met in zijn kielzog de gebruikelijke grafrovers. Het zou duren tot de tweede helft van de twintigste eeuw dat de opgravingen en de studie van deze catacombe begon. Archeoloog Aldo Nestori ontdekte hier in april 1960 het graf van paus Callixtus. Zijn relieken werden overgebracht naar de Santa Maria in Trastevere waar ze tot vandaag rusten.

De catacombe die we vandaag kennen als die van San Callisto situeert zich binnen de driehoek gevormd door de Via Appia Antica in het oosten, de Via Ardeatina in het westen en de Via delle Sette Chiese in het zuiden. Oorspronkelijk waren er verschillende afzonderlijke begraafplaatsen, waaronder de crypten van Lucina, de eigenlijke begraafplaats van San Callisto, die van Santa Balbina en Basileus. Mettertijd zijn de verschillende complexen met elkaar vervloeid tot één grote catacombe.

Volgens G.B. de Rossi, zowat de vader van de christelijke archeologie die deze catacomben pas in 1849 ontdekte, is deze begraafplaats mogelijk ontstaan op de plaats waar zich oorspronkelijk de graftombe van de Caecilii bevond. In de derde eeuw werd het hele terrein eigendom van de Kerk. Samen zijn alle gangen haast twintig kilometer lang en strekken ze zich uit over vier onderaardse verdiepingen, een vijfde verdieping staat onder water. Er werden ongeveer 500.000 mensen begraven.

In de laatste regels van zijn historische roman ‘A tale of Christ’ uit 1880, verfilmd als ‘Ben Hur’, suggereert Lewis Wallace dat de catacombe van San Callisto voor een deel betaald werd met het fortuin van de joodse prins Judah Ben-Hur. Dat was natuurlijk fictie.

In 1854 meldde archeoloog de Rossi aan Pius IX dat hij in de pausencrypte van de catacombe van Callisto de graven van de eerste pausen had gevonden. De paus geloofde hem niet en antwoordde ‘U droomt.’ Toen de Rossi hem diezelfde middag echter de materiële bewijzen bracht, zeeg de paus in tranen op de knieën en sprak ontroerd ‘Dit zijn de grafstenen van mijn voorgangers’, waarop De Rossi laconiek repliceerde: ‘U droomt wellicht.’

Deze pausencrypte verleende de catacombe van San Callisto een grotere historische en religieuze betekenis dan alle andere catacomben in Rome. Toch is deze begraafplaats is niet alleen belangrijk omdat er vele pausen uit de derde eeuw begraven werden, maar ook vanwege de vele fresco’s.

In een volgende bijdrage brengen we een gedetailleerd bezoek aan de catacombe van San Callisto.

Advertenties

Een bezoek aan de Santa Balbina

Posted in Romenieuws on 4 oktober 2017 by romenieuws

De vroeg-christelijke Santa Balbina in de wijk San Saba (ook weleens de Kleine Aventijn genoemd) is gewijd aan de heilige Balbina, een martelares uit de tweede eeuw. Sinds 2006 is de kerk helaas vaak gesloten. In recente reisgidsen wordt deze kerk zelfs niet meer vermeld. Omdat in deze omgeving nauwelijks mensen wonen is er niet langer een parochie verbonden aan de kerk die tegenwoordig vooral wordt gebruikt als een plaats voor stil gebed en voor bijzondere vieringen zoals een huwelijk. Met een beetje geluk (lees: een aanwezige priester/buurtwerker, zie ook hierna) raak je er soms toch wel binnen. Als Romeliefhebber mag je die kans niet missen.

Het is inderdaad de moeite waard om even een poging te doen om binnen te raken in deze kerk, want in het gebouw bevinden zich een aantal opmerkelijke zaken. Het officiële adres van de basiliek is Piazza di Santa Balbina 8. De ingang bevindt zich aan de Viale Guido Baccelli. De normale procedure om binnen te geraken is rechts van de kerk door de poort van het rusthuis te gaan, en dan links de trapjes op, waarna je de zijingang bereikt. Volgens de meest recente informatie is de kerk enkel op zondag open van 10.30 tot 11.30 uur. Zoals iedereen weet kan dat in Rome altijd wijzigen. Mits een goed argument slaag je er wellicht ook in een afspraak te maken op het nummer 06 57 80 207.

Volgens de Nederlandse auteur Leo Van Egeraat (1923-1991), zowat de vader van de hedendaagse verhalende reisgids, wiens boeken over Rome en Italië meer dan een halve eeuw geleden werden gepubliceerd, maar die ook vandaag nog altijd boeiend en leerrijk zijn, die we graag blijven citeren en waarvan we altijd fan zullen blijven is deze kerk ‘wonderschoon’.

In zijn ‘Gids voor Rome’, een boekje dat je met veel geluk nog wel ergens tweedehands kan bemachtigen, lezen we over de Santa Balbina: “Ze bevat de mooiste cosmatengraven van Rome. Een uitzonderlijk gebouw als dit moet men niet exact en intellectueel benaderen, men moet erin ‘wandelen’ van achter naar voren en dan weer van voren naar achter, zo ondergaat men een stille prelude tot de eeuwigheid”. Dixit Van Egeraat.

We kunnen het zelf niet beter of anders verwoorden. Nu moet je weten dat Van Egeraat een soort reislustige maniak was die Rome vele jaren doorkruiste en zo perfect mogelijk in woord en kaart probeerde te brengen, maar wel volgens zijn zeer persoonlijke visie. Als hij het woord ‘uitzonderlijk’ in de mond nam, dan was dat ook zo, want de man was wel iets gewoon wat de oudheid en monumenten betreft.

De Santa Balbina is inderdaad één van de oudste kerken van Rome, al wordt ze pas voor het eerst vermeld tijdens de synode van 595. Oorspronkelijk was het de particuliere woning van senator Lucius Fabius Cilo, de domus Cilonis. De basiliek werd in de vierde eeuw bovenop het woonhuis gebouwd. De Santa Balbina is één van de weinige kerken in Rome waaraan de renaissance- en barokpausen niets veranderd hebben. Ook dat is bijna een unicum in Rome. Aan de kerk grenst een kloostercomplex dat sinds 1884 in gebruik is als verpleeghuis.

De priors van het aangrenzende klooster hadden gedurende eeuwen de eervolle taak ieder jaar in het Sancta Sanctorum tijdens de mis van de Verrijzenis, het evangelie in het Grieks voor te lezen. Het klooster werd tussen 2009 en 2013 omgebouwd tot het verpleeg- en rusthuis Santa Margherita. In de kerk bevond zich het graf van Stefan Vancza (István Báncsa), de eerste Hongaarse kardinaal, die in 1270 overleed. De huidige gevel dateert uit de zestiende eeuw. In de jaren ’30 van de vorige eeuw werd de basiliek ingrijpend gerestaureerd.

Tijdens deze werken werd ook een zeer oude sarcofaag ontdekt met opmerkelijke letters. Die hebben de basis gevormd voor de ontwikkeling van een nieuw font of lettertype, vandaag nog steeds gekend als Balbina.

De patroonheilige Balbina was de dochter van Quirinus, de tribuun die Alexander I (105-115, de vijfde opvolger van Petrus) had gearresteerd, samen met de bekeerde Hermes. Terwijl Quirinus Hermes bewaakte, verscheen de ongeboeide Alexander in het gezelschap van een engel om zijn vriend Hermes in het geloof te sterken. Quirinus was van deze onverwachte verschijning wel onder de indruk, maar niet overtuigd.

Hij vroeg de paus zijn zieke dochter Balbina te genezen. Maar Alexander vroeg aan Quirinus om de ketens van Petrus te zoeken, dezelfde die in Jeruzalem waren gebruikt om de apostel Petrus te ketenen. Dat was een kostbaar relikwie dat de paus absoluut in handen wilde krijgen. Quirinus zocht en vond ketens, Balbina kuste ze en genas.

Zelfs al zou dit verhaal op enige waarheid berusten, zijn het zeker niet de originele ketens van Petrus die de paus overtuigden om Balbina te genezen. Volgens de overlevering kwamen de (vermoedelijk) originele ketens pas in de vijfde eeuw in Rome terecht. Al vele eeuwen vormen ze een onderwerp van discussie.

Keizerin Licinia Eudoxia (422-462), de dochter van de Oost-Romeinse keizer Theodosius II en de vrouw van de West-Romeinse keizers Valentinianus III (419-455) kreeg de ketens toegestuurd die haar moeder van bisschop Juvenalis in Jeruzalem had gekregen. Ze liet speciaal voor de ketens (vincoli) van Petrus een kerk bouwen binnen de muren van een antiek paleis. Dat is vandaag de San Pietro in Vincoli, waar de ketens zich nog altijd onder het hoofdaltaar bevinden.

Zowel vader als dochter, door Alexander I bekeerd en gedoopt, ondergingen later de marteldood door onthoofding. Of Balbina net als haar vader werd onthoofd is niet duidelijk. Er zijn ook meldingen dat ze werd verdronken of levend begraven. Nog een andere versie is dat haar leven werd gespaard, maar tot haar dood in eenzame opsluiting moest blijven.

Volgens de overlevering werd Balbina begraven naast haar vader in de catacomben van Praetextatus. Niet ver van de Domine Quo Vadis-kerk bevond zich ook de catacombe Balbinae. Of het om dezelfde catacombe gaat, of om nog een andere begraafplek die later naar Balbina werd genoemd, is niet helemaal duidelijk. In ieder geval werden zowat drie eeuwen later de botten en de overblijfselen van Quirinus en Balbina naar de Sant Balbina gebracht, een kerk die toen ter ere van haar op hun oorspronkelijke woning werd gebouwd.

De door cipressen omzoomde kerk heeft een statige renaissanceportiek met drie arcaden met een brede trap ervoor, maar de middeleeuwse campanile verraadt de ouderdom van het gebouw. We komen eerst rechts van de kerk in een cortile of binnenplaats die omgeven is door middeleeuwse bouwsels (nu het rusthuis) op fundamenten uit de tijd van keizer Hadrianus (117-138). Deze zijn nog gedeeltelijk zichtbaar rechts in de doorgang tussen kerk en klooster. Dit zijn wellicht nog resten van het oorspronkelijke domus Cilonis. Aan het klooster bevindt zich nog een middeleeuwse verdedigingstoren. In het tuintje zien we verschillende oude amforen. Links betreden we de kerk langs een zijingang via een trapje.

Het stemmige interieur is een typisch staaltje van antieke zaalbouw. Het enige schip, met een open houten kapconstructie, heeft kapellen in de vorm van zes afwisselend rechthoekige en halfronde nissen. Daarin zijn resten zichtbaar van fresco’s uit de negende tot de veertiende eeuw. Aan de kant van het hoogaltaar heeft men destijds de muur uitgebroken voor het aanbrengen van een apsis. Het licht valt naar binnen door hoge ramen met traliewerk. Rechts van de hoofdingang (dus links van de door ons gebruikte zijingang) staat de grote graftombe van kardinaal Stefano Surdi of di Surdis, in 1295 of 1303 gemaakt (de bronnen spreken elkaar tegen over het juiste jaartal) en gesigneerd door Giovanni di Cosma.

Leo Van Egeraat had overschot van gelijk: dit is zonder meer het mooiste cosmatengraf in Rome. Oorspronkelijk stond het in de oude Sint-Pietersbasiliek, alleen al daarom is het een zeer memorabel stukje geschiedenis.

Na de dood van paus Honorius IV in 1287, nam kardinaal Surdi deel aan de verkiezing van Nicolaas IV. Dat conclaaf duurde elf maanden waarbij ondertussen zes van de ongeveer twintig deelnemende kardinalen stierven. Nadat Nicolaas IV in 1292 op zijn beurt stierf, stond de Heilige Stoel 27 maanden leeg tot Celestinus V werd gekozen en toen deze op 13 december 1294 na vijf maanden zijn waardigheid neerlegde (hij was ziek en zou sterven op 19 mei 1296), nam Surdi ook nog deel aan een derde conclaaf dat na tien dagen Bonifatius VIII tot paus koos.

In de derde nis links staat een opmerkelijk altaar gevormd door een cippus, een vierhoekige spitse zuil die als grenspaal gebruikt werd, met een mozaïekkruis uit de veertiende eeuw. Er boven zien we nog sporen van een fresco, deels bedekt door een recenter fresco, dat de ‘Verlosser, Maria en vier apostelen’ toont. Het wordt toegeschreven aan de school van Pietro Cavallini (omstreeks 1240/1250 – 1330/1340).

In de vierde nis rechts zien we de ‘Gekruisigde tussen Maria en Johannes’, een bas-reliëf dat destijds behoorde tot het graf van paus Paulus II (1464-1471), de bouwer van palazzo Venezia. Het reliëf komt eveneens uit de oude Sint-Pietersbasiliek. Het wordt toegewezen aan Mino di Fiesole en Giovanni Dalmata (1440-1509). De rest van het graf bevindt zich nog steeds in de ‘grotten’ onder de Sint-Pietersbasiliek.

De transenna is niet meer origineel maar een reconstructie uit 1931, weliswaar gemaakt volgens het antieke grondplan. Een transenna is een stenen, marmeren of metalen plaat met openingen erin, vaak gebeeldhouwd, die samen een decoratief geheel vormen. Ze werden verticaal opgesteld om plaatsen of objecten af te schermen, bijvoorbeeld als koorhek of rondom het graf of de relieken van een heilige.

In vroegchristelijke kerken werden ze ook gebruikt om vensteropeningen af te sluiten. In die functie hadden ze naast het decoratieve aspect ook de bedoeling voor licht en verluchting in het gebouw te zorgen. Achter of in de transenna werd soms een fijn houten maaswerk geplaatst om te verhinderen dat vogels via de openingen in het gebouw zouden vliegen. Soms werden de openingen gevuld met een doorschijnend materiaal zoals albast en werd de transenna dus eigenlijk een venster. Transenne als venster werden vanaf de romaanse periode vervangen door vensters in glas.

Op de vloer liggen verscheidene mooie fragmenten van wit-zwart mozaïeken die in 1939 ontdekt werden in een necropolis uit de eerste eeuw. Weinig mensen weten het, maar de rest van de vloer is een creatie van de restaurateurs die gebruik maakten van materiaal dat overgebleven was na de aanleg van de Via dei Fori Imperiali, de brede straat die dwars doorheen het Forum Romanum de verbinding maakt van Piazza Venezia naar het Colosseum. Mussolini liet deze imposante maar archeologisch verwoestende weg aanleggen om zijn troepen te laten paraderen. Bij die ingreep is veel archeologisch materiaal voorgoed verloren gegaan, in deze kerkvloer vind je er dus een klein stukje van terug.

Het hoogaltaar staat geïsoleerd, de grafkist in jaspis bevat de resten van de heiligen Balbina en Felicissimus, volgens sommige bronnen zou dat de nieuwe naam van haar (bekeerde) vader Quirinus zijn. Jaspis is een variëteit van kwarts; in de oudheid werden aan deze halfedelsteen magische krachten toegeschreven. De Egyptenaren en Grieken gebruikten jaspis om de seksualiteit te versterken en om een spoedige zwangerschap te bereiken. Aan jaspis worden ook een aantal geneeskrachtige werkingen toegekend, zoals stressvermindering, gewichtsverlies, de bestrijding van maagklachten en het verhelpen van leverproblemen.

In de late vijftiende eeuw werd de schedel van Balbina verwijderd en in een sierlijke reliekschrijn geplaatst. Na allerlei omzwervingen kwam het reliekschrijn terecht in het Metropolitan Museum of Art in New York City. Het is niet duidelijk of de schedel van Balbina er nog steeds in zit.

De cathedra achter het altaar is eveneens fraai cosmatenwerk en dateert uit de dertiende eeuw. Hij is nog in perfecte staat. De apsis is versierd met fresco’s die de ‘Glorie van Christus’ voorstellen, ze werden uitgevoerd door Anastasio Fontebuoni (1571-1626) die ook de mooie fresco’s in de Santa Prisca maakte. Hij was een navolger van de gebroeders Zuccari. Het houten plafond uit 1489 vermeldt de naam van kardinaal Marco Barbo, de neef van Paulus II.

Volgens de overlevering heeft keizer Constantijn in deze kerk bij zijn vertrek naar Constantinopel afscheid genomen van de paus. De kerk is al sinds de vijfde eeuw een titelkerk. De huidige titulus van de kerk is de Hongaarse kardinaal Péter Erdo, die tot 2003 aartsbisschop was van Esztergom, niet ver van Boedapest.