Archief voor 8 oktober 2017

De vroege jaren van Picasso in de Scuderie del Quirinale

Posted in Romenieuws on 8 oktober 2017 by romenieuws

Recent is in de Scuderie del Quirinale de tentoonstelling Picasso. Tra Cubismo e Classicismo: 1915-1925 begonnen. De expo is te bezoeken tot 21 januari 2018. We schrijven februari 1917 en terwijl in Europa de Grote Oorlog woedt, komt Pablo Picasso op 36-jarige leeftijd voor de eerste keer naar Italië. Honderd jaar na zijn reis keren een aantal werken uit die tijd terug naar Rome. Het is een fascinerende blik op de leefwereld van de toen nog jonge kunstenaar.

De tentoonstelling toont werk van de Spaanse kunstschilder, tekenaar, beeldhouwer en grafisch kunstenaar Pablo Picasso (1881-1973) uit de periode tussen 1915 en 1925, de jaren tussen het kubisme en het classicisme. De expo in de Scuderie maakt deel uit van het project Picasso Méditerranée dat de komende twee jaar langs diverse locaties reist op initiatief van het nationale Picassomuseum in Parijs. Voor de kunstwerken, bestaande uit schilderijen, tekeningen, aquarellen en schetsen, maar ook kostuums, werd geput uit collecties van musea uit ondermeer Londen, Barcelona, New York en Berlijn. Aan de samenstelling van de expo werd drie jaar gewerkt.

Picasso werd op zijn eerste reis naar Rome vergezeld door zijn vriend Jean Cocteau (1889-1963), een Franse dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Met al deze hoedanigheden en door zijn opvallende persoonlijkheid mag Cocteau worden gerekend tot één der veelzijdigste en merkwaardigste figuren uit de Franse kunstwereld in de eerste helft van deze eeuw. Met een haast onbegrensde fantasie en een grote scherpzinnigheid verwerkte hij zijn briljante invallen tot artistieke creaties die steeds verrasten en fascineerden. Contacten met Marcel Proust, André Gide, Igor Strawinsky, Darius Milhaud en Charles Chaplin, werkten bevruchtend en inspirerend op deze veelzijdige kunstenaar.

Picasso ging voor Cocteau decors en kostuums ontwerpen voor Les Ballets Russes, een balletgezelschap dat werd geleid door de Russische impressario Sergre Diaghilev. Het ballet Parades, met muziek van de Franse componist Erik Satie, dat in 1917 in première ging mag een historische gebeurtenis in de geschiedenis van de danskunst worden genoemd. In Rome, ver weg van de conflicten in Noord-Italië en elders in de wereld, kwam Picasso letterlijk tot leven in een mooie, gelukkige sfeer vol kunstzinnige prikkels. Door de dagelijkse nauwe contacten met de oudheid en de renaissance begon hij zich te interesseren voor de klassieke kunst.

Zijn schilderstijl uit die periode is een wonderbaarlijke reflectie op het kubisme die regelmatig flirt met het klassieke. Picasso leeft volop, experimenteert met stijlen en genres en geniet van het leven. In de zomer van 1918 trouwt hij zelfs met een ballerina van het Russische balletgezelschap, Olga Khokhlova. Zijn nieuwe vrouw introduceerde hem in de hogere kringen en alle sociale geneugten die daar bijhoorden, zoals luxueuze diners. In deze periode maakte Picasso vooral schilderijen die doen denken aan de stijl van de renaissance en het neoclassicisme. Voorbeelden van klassieke werken van Picasso zijn De absintdrinker en Zelfportret. Het zijn wellicht de gelukkigste jaren van Picasso’s leven.

Picasso en Khokhlova kregen een zoon, Paulo, die zou uitgroeien tot een losbandige motorcoureur en de chauffeur van zijn vader werd. Khokhlova’s fatsoensnormen botsten echter met Picasso’s bohemien-leefstijl en het koppel had regelmatig conflicten. In dezelfde periode werkte Picasso nog steeds samen met Diaghilevs groep: hij en Igor Stravinsky werkten in 1920 aan het ballet Pulcinella. Picasso maakte van de gelegenheid gebruik om verschillende schetsen van de componist te maken.

In 1927 ontmoette Picasso de 17-jarige Marie-Thérèse Walter en begon een geheime affaire met haar. Picasso bleef wettelijk getrouwd tot Khokhlova’s dood in 1955. Hij had een langdurige affaire met Marie-Thérèse Walter en verwekte een dochter, Maya, bij haar. Marie-Thérèse leefde in de ijdele hoop dat Picasso op een dag met haar zou trouwen maar dat gebeurde nooit. Vier jaar na de dood van Picasso verhing ze zich. Gedurende zijn hele leven had Picasso naast zijn vrouw ook een aantal minnaressen. De kunstenaar was twee keer getrouwd en had vier kinderen bij drie vrouwen.

Picasso was een enorm productieve kunstenaar. Typerend voor hem is dat hij steeds weigerde zich op één stijl – zelfs al was die zijn eigen vinding – vast te leggen en dat hij beweeglijkheid verkoos boven eenheid van stijl of volmaaktheid. De grootste verzamelingen van zijn werk bevinden zich in het Musée National d’Art Moderne, Centre Pompidou, in Parijs, het Museum of Modern Art in New York, het Poesjkinmuseum in Moskou en het Picassomuseum in Barcelona. Ook in Antibes bevindt zich een Picassomuseum. Zijn enorme verzameling eigen werken liet Picasso na aan zijn erfgenamen; een selectie daaruit is nu in het bezit van de Franse staat; deze wordt getoond in het voormelde Picassomuseum in Parijs. Zijn collectie werken van anderen schonk hij zelf aan de Franse staat.

Picasso. Tussen kubisme en classicisme 1915-1925
Tot 21 januari 2018
Scuderie del Quirinale
Via XXIV Maggio 16
www.scuderiequirinale.it


* KUBISME – ACHTERGROND

Deze stijl is door Picasso, samen met Georges Braque en met de voortdurende geestelijke en materiële steun van Daniel Henry Kahnweiler, de kunsthandelaar met wie hij in 1907 kennismaakte, in de periode 1907-1914 ontwikkeld: het kubisme gaat uit van het onderzoek naar ruimtelijke hoedanigheden van de voorwerpen, door de vormen van de dingen en van de omgevende ruimte tot hun samenstellende elementen te ontleden en ze volgens de beginselen van de stereometrie te behandelen.

In 1909 ontstonden Picasso’s eerste kubistische landschappen, waarin de vormen stelselmatig als kubussen en andere geometrische lichamen zijn behandeld, in 1910 de portretten van Kahnweiler (Chicago Art Institute), Fritz Uhde (Collectie Sir R. Penrose) en Vollard (Poesjkinmuseum, Moskou), die de vormen van de geportretteerden in vlakjes ( ‘plans superposés’) ontleden.

In 1911 zette deze ontwikkeling zich voort tot een vormentaal waarin figuren en voorwerpen in stillevens tot facetten worden ontleed en waarbij de verschillende aanzichten van één voorwerp – van voren, van opzij, van boven – in de schildering worden samengevoegd. Het kubisme wil niet de optische indruk van de voorwerpen uitbeelden, maar hun begripsmatige voorstelling. De vorm krijgt de volle aandacht, de kleur wordt beperkt tot tinten van oker, grijs en groen. In de overgang van 1912 tot 1913 kwam in deze werkwijze een verandering, en wel door de uitvinding van een nieuwe techniek: de zogenaamde papiers collés.

Picasso, en met hem Braque en Juan Gris, gingen nu niet meer uit van de analyse van een voorwerp, maar van hun voorstelling ervan: uitgeknipte stukken papier van zeer karakteristieke vorm vertegenwoordigen op deze werken de voorwerpen: een samenvoeging van twee lange rechthoeken stelt bijvoorbeeld een fles voor.

Door deze nieuwe werkwijze, het synthetisch kubisme, kreeg de kleur weer een nieuwe waarde in deze werken. De verdere ontwikkeling van het kubisme werd echter door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog onderbroken.


* NEOCLASSICISME – ACHTERGROND

In 1915 verbaasde Picasso zijn bewonderaars door realistische portrettekeningen van zijn vrienden Vollard en Max Jacob, gehouden in strakke contourlijnen. In 1917 ging hij zoals verteld met Jean Cocteau naar Rome. Hij ontdekte er de kunst van de oudheid en de renaissance.

In de ontwerpen voor balletdecors van de volgende jaren en in zijn schilderijen komen nadien klassieke motieven naar voren, naast andere werken die in een consequent kubistische stijl zijn gehouden: zo staat in 1921 zijn klassieke compositie Drie vrouwen bij de bron naast het kubistische werk Drie muzikanten (beide in het MoMa, New York).

Picasso beschikte vanaf die tijd vrijelijk over zijn stijlmiddelen: in de klassieke trant vooral werken over het thema moederschap – ingegeven door de geboorte van zijn zoon Paulo, in kubistische stijl de reeks grote stillevens. Naast deze werken kwam, als een andere vernieuwing, in 1925 zijn werk De dans (Tate Gallery, Londen) te staan, waarin de ontketende driften en verhevigde hartstochten, die tot nu toe buiten zijn oeuvre stonden, het thema vormen.

Van dit werk leidt een rechte lijn naar zijn zogenaamde monsterperiode van het einde van de jaren twintig, waarin agressieve, wanstaltige figuren een levensgevoel van dreiging en onlust vertolken.

Advertenties