Archief voor 13 oktober 2017

De basiliek van San Sebastiano

Posted in Romenieuws on 13 oktober 2017 by romenieuws

Keizer Constantijn besliste om op de plaats van de catacombe van San Sebastiano  een drieschepige basiliek te bouwen, de basilica Apostolorum, gewijd aan de apostels Petrus en Paulus. De basiliek met een totale lengte van 75 m had een inwendige narthex die de apsis omgaf zodat een kooromgang in U-vorm ontstond. De zijschepen waren volledig met graven bezet. De zaken veranderden grondig toen in de loop van de achtste eeuw werd vastgesteld dat de heilige Sebastiaan (Sebastianus, Sebastiano) in de hier gelegen catacombe begraven werd. Voortaan werd de kerk niet enkel gewijd aan de beide apostelen maar ook aan de populaire martelaar uit de oudheid. Ze is een bezoek zeker waard, ook al omdat je hier het laatste kunstwerk van Bernini aantreft.

Maar omdat Petrus en Paulus hier niet meer begraven waren en Sebastiaan wel, werd de naam van de catacombe en de basiliek in de loop der eeuwen beperkt tot de toen meest belangrijke en vooral aanwezige martelaar. Uiteindelijk sprak men enkel nog van de Basilica di San Sebastiano. Vanuit de linker zijbeuk van de kerk leidde een trap zelfs rechtstreeks naar het graf van Sebastiaan.

Nu was Sebastiaan niet de eerste, de beste. De man was afkomstig uit Narbonne (al heeft Ambrosius altijd beweerd uit Milaan). Hij diende onder keizer Carinus (250-285) als gewoon soldaat en onder keizer Diocletianus (244-311) als leider van de Praetoriaanse garde, de speciale militaire eenheid van elitesoldaten die de keizerlijke lijfwacht vormde. De ouders van Sebastiaan waren christenen en hijzelf bekeerde zich in het geheim omdat de christenen toen nog door de Romeinen (en vooral door zijn baas Diocletianus) vervolgd werden.

Door zijn belangrijke positie kon hij mensen helpen die leden onder de vervolgingen. Indien Sebastiaan zich niet te opvallend had gedragen, was hij waarschijnlijk verdwenen in de nevelen van de geschiedenis. Maar als soldaat zou hij wonderen hebben verricht en bovendien begon hij regelmatig in het openbaar lange redevoeringen te houden over de nieuwe god Christus. Hij zou de tweeling Marcus en Marcelianus overtuigd hebben om niet te vluchten voor de toorn van de keizer maar te kiezen voor de marteldood.

Door al die subversieve activiteiten viel Sebastiaan in ongenade bij keizer Diocletianus, zeker nadat die ontdekte dat de chef van zijn bodyguards eigenlijk een christen was. Soldaten arresteerden hem en de keizerlijke boogschutters gebruikten Sebastiaan op hun oefenterrein op het Marsveld als schietschijf en doorzeefden hem met pijlen. Volgens de overlevering werd hij naakt aan een boom of paal gebonden en daarna bestookt met pijlen.

Een christelijke vrouw, de latere heilige Irene, weduwe van de martelaar Castulus, wilde Sebastiaan begraven maar merkte dat hij nog leefde. Ze nam hem mee naar huis en verzorgde hem. We lezen: ‘Zoveel pijlen troffen hem dat hij wel een egel leek’. Een tijdje later stond Sebastiaan overmoedig op de trappen van de tempel van Sol Invictus om de twee keizers te wijzen op hun onrechtvaardige optreden tegen de christenen en de vervolging van zijn geloofsgenoten, Hij werd uiteraard onmiddellijk o pnieuw gearresteerd, waarna hij in het openbaar werd doodgeknuppeld.

Dat gebeurde in het stadion op de Palatijnse heuvel, al zou dit volgens andere bronnen tweehonderd meter verder gebeurd zijn, op de trappen van de zonnetempel van keizer Elagabalus of Heliogabalus. Om zeker te zijn dat hij ditmaal niet zou terugkeren en vooral ook om te verhinderen dat men hem als martelaar zou begraven, werd het lichaam van Sebastiaan in de Cloaca Maxima (de openbare riool van Rome) gegooid. Dit zou gebeurd zijn op 20 januari 288, de actuele naamdag van Sint-Sebastiaan.

De nacht na zijn dood verscheen Sebastiaan echter in een visioen aan een meisje. Sommige legendes melden dat het Irene was, maar een ander verhaal spreekt van de (latere heilige) Lucina. In ieder geval vertelde hij aan de vrouw waar ze zijn aangespoelde lichaam kon vinden zodat de christenen hem deftig konden begraven in de catacomben aan de Via Appia.

Voor hun rol in het leven van Sebastiaan werden alle betrokken door Diocletianus als medeplichtigen ter dood gebracht, al zou Irene omwille van haar fameuze schoonheid aan de beul ontsnappen en veroordeeld worden om haar dagen te slijten in een bordeel. Naar verluidt werd de knappe vrouw om onbekende redenen geen enkele keer door een klant uitgekozen. De opvolgers van Diocletianus beslisten uiteindelijk haar dan maar te verbannen naar het Griekse eiland Thera. Dat eiland is het huidige Santorini, waarvan de naam nog steeds verwijst naar Sancta Irena.

Sebastiaan zelf werd vermoedelijk in de negende eeuw heilig verklaard. In ieder geval werd hij toen de patroonheilige van de basiliek aan de huidige catacombe die zijn naam draagt. Sebastiaan werd de beschermheilige van de boogschutters, soldaten en jagers. Vele schuttersgilden dragen zijn naam. Als patroonheilige van de schutters vinden we hem voor het eerst terug in Brussel (1213), Merchtem (1300), Ieper (1305), Antwerpen (1306) en Gent (1314). Een eerste vermelding in Kortrijk en omstreken situeert zich in 1423.

Ook de steenhouwers, tuiniers, kleermakers, leerlooiers, atleten, de verkeerspolitie en brandweerlieden rekenen op zijn steun, net als de Zwitserse Garde in het Vaticaan. Omdat Sebastiaan sterker bleek dan de pijlen werd hij later een belangrijk wapen in de strijd tegen de pest, pijlen waren immers een oud symbool voor de pest. Al bij Homerus schoot Apollo met zijn pijlen de pest in het Griekse legerkamp, ‘de mannen stierven en stierven’. Zo werd hij één van de pestheiligen: kinderen kregen gedurende vele eeuwen zijn naam (Sebastien, Sebastiaan, Bas, …) om gespaard te blijven van de pest, lepra en akelige koortszweren.

Schilders en beeldhouwers beeldden Sebastiaan af als een krijger, ridder of half geklede knaap, doorboord door pijlen, vastgebonden aan een paal, zuil of boom. Vermelden we ook het merkwaardige ‘Le martyre de Saint Sébastien’, getoonzet toneel, een samenwerking van d’Annuncio en Claude Debussy.

Tijdens de dertiende eeuw werd de basiliek van Constantijn herbouwd. In 1575 besliste Gregorius XIII dat ze voortaan behoorde tot de zeven kerken die pelgrims tijdens hun bezoek aan Rome moesten bezoeken om de bijhorende aflaat te verdienen.

In 1609 was deze dertiende-eeuwse basiliek verworden tot een bouwval, daarom gaf kardinaal Scipione Borghese, neef van Paulus V, Flaminio Ponzio (1560-1613) de opdracht om een drastische renovatie uit te voeren. Ponzio was zeker een grote architect, als Lombard lag zijn werk in de lijn van de Longhi’s, Maderno en Fontana, en zweefde hij tussen het maniërisme en de vroege barok.

Bij het overlijden van Ponzio worden de werken voltooid door Giovanni Vasanzio, de naam waaronder de Nederlandse architect Jan van Santen (1550-1621) in Italië bekend was. Vasanzio tekende ook de barokgevel en het prachtige houten plafond waarvan hij een deel van het snijwerk zelf zou uitgevoerd hebben.

De nieuwe eenbeukige kerk werd boven het middenschip van de oorspronkelijke basiliek van Constantijn gebouwd, zodat we ons vandaag nog een idee kunnen vormen van de ambities van de keizer. Voor de porticus werden een zes zuilen hergebruikt van de basiliek van Constantijn.

“Het interieur is niet bijzonder mooi, ook op de zonnigste dagen hangt er iets van doffe moeheid, iets van een Goede Vrijdag-stemming”, schrijft Leo van Egeraat in zijn ‘Gids voor Rome’ uit 1963. Al is dan ook elk spoor van de oude basiliek verdwenen, de witte wanden en de ruime verhoudingen verlenen het gebouw, althans volgens Georgina Masson (1912–1980) in ‘The Companion Guide to Rome’, toch “een waardig en sereen karakter”.

Direct bij het binnenkomen zien we links naast de biechtstoel een marmeren plaat waarop paus Damasus (366-384) de standvastigheid prijst van paus-martelaar Eutychianus (275-289, de 26ste opvolger van Petrus). Hij werd onder het hoogaltaar begraven, maar belangrijke relieken bevinden zich in de kathedraal van Sarzana bij La Spezia. Over deze paus is niets geweten omdat de betreffende archieven vernield zijn.

De apsis van de eerste kapel rechts, de ‘cappella delle reliquie’ dringt door in het vroegere rechter zijschip van de oude basilica. De kapel bevat de prachtige buste van de Salvator Mundi (busto del Salvatore), een werk van Bernini, dat pas in 2001 in het naast de kerk gelegen klooster teruggevonden werd. Het werd één jaar voor zijn dood gerealiseerd en is het allerlaatste werk van Bernini. Let op de luchtige krullen en de elegantie van de ‘stof’.

In deze kapel wordt ook de ‘originele’ voetafdruk van Christus in marmer bewaard waarvan zich een kopie bevindt in het kerkje Domine Quo Vadis hier niet ver vandaan. Volgens de christelijke overlevering is het de steen waarop Christus stond toen hij aan Petrus verscheen, maar dergelijke stenen werden door de Romeinen niet als straatstenen gebruikt. Waarschijnlijk is het een oude heidense offersteen als dank aan de goden gewijd na een voorspoedige reis.

Boven het altaar, eerste rij rechts, is de kleine zuil te zien waaraan de Sebastiaan was vastgebonden toen hij voor de boogschutters stond, een dergelijke zuil vinden we ook in Sant’ Alessio op de Aventijn. Dit is niet onlogisch omdat Sebastiaan niet aan een grote zuil gebonden werd, maar met de polsen aan twee kleine ‘paaltjes’. De tweede kapel rechts is een werk van Carlo Fontana met versieringen door Carlo Maratta.

Het beeld van de liggende Sebastiaan in de eerste kapel links werd gemodelleerd (of getekend) door Bernini, maar uiteindelijk gemaakt door Antonio Giorgetti (gestorven 1670), in zijn soort is het een meesterwerk. Deze Giorgetti maakte ook de mooie ‘Engel met de spons’ op de Engelenbrug. Sebastiaan wordt weergegeven zoals hij neerzonk na met pijlen te zijn doorboord. Naast deze kapel leidt een deur naar een ruimte met een fraai houten Christusbeeld uit de veertiende eeuw.

Erachter vindt men links het trapje (meestal afgesloten) dat naar de crypte leidt. De plaats van het oorspronkelijke graf wordt gemarkeerd door een borstbeeld van Sebastiaan, ook een werk van Bernini. De relieken van de martelaar bevinden zich nog op dezelfde plaats waar zij in 288 werden bijgezet. Ze werden wegens de onbeschutte ligging buiten de muren van Rome wel een paar keer weggehaald, waarna ze telkens onvollediger terugkwamen. Onderweg verdween altijd wel een stukje van de heilige martelaar. De urne werd uitgevoerd in lapis lazuli.

Advertenties

Een bezoek aan de catacombe van San Sebastiano

Posted in Romenieuws on 13 oktober 2017 by romenieuws

Nadat je al eerder kon kennismaken met de catacombe van San Callisto, staan we vandaag even stil bij een andere erg bekende catacombe die zich hier vlakbij bevindt, namelijk de catacombe van San Sebastiano (Sint-Sebastiaan) aan de Via Appia Antica 136. Deze catacombe is de enige in Rome die altijd toegankelijk is gebleven en waarvan het bestaan nooit is vergeten. Omdat deze catacombe gedurende vele eeuwen kon worden bezocht zijn volgens sommigen de archeologische artefacten en wandschilderingen van iets mindere kwaliteit dan deze in andere catacomben, maar dat is niet helemaal terecht.

De catacombe van San Sebastiano is vernoemd naar de gelijknamige heilige die tijdens de christenvervolging omstreeks 300 na Chr. onder keizer Diocletianus (244-311) de marteldood stierf en hier later begraven werd. De catacomben zijn echter veel ouder en ontstonden toen enkele hypogea uit de oudheid, enkelvoudige uitgehakte graven, via ondergrondse gangen met elkaar verbonden werden. Pas vanaf de tweede eeuw groeide dit alles uit tot een enorm gangenstelsel dat zich op vier niveaus uitstrekt. Vandaag kan enkel het tweede niveau worden bezocht, al volgen niet alle gidsen hetzelfde parcours.

In de nissen lagen de graven van duizenden overleden christenen. Toen het christendom in de vierde eeuw steeds meer geaccepteerd werd en aan het einde van dezelfde eeuw zelfs was uitgegroeid tot de staatsgodsdienst, zijn alle stoffelijke resten, uit respect herbegraven in een aantal kerken in en rond Rome. In tegenstelling tot wat sommige mensen nog altijd denken of vermoeden, bevinden zich dus geen stoffelijke resten meer in de catacomben.

Dat de catacombe van San Sebastiano altijd toegankelijk bleef komt omdat ze gedurende vele eeuwen een reisdoel was voor pelgrimstochten en bedevaarten omdat hier, na de vervolgingen in 258 onder Valerianus, volgens de overlevering de lichamen van de apostelen Petrus en Paulus gedurende veertig jaar verborgen werden.

Tussen 1915 en 1925 werden in de catacombe van San Sebastiano opgravingen verricht met de bedoeling een wetenschappelijke en archeologische bevestiging te krijgen van het feit dat de resten van de apostelen Petrus en Paulus hier een tijdje zouden ondergebracht zijn. Tot dan waren de aanwijzingen beperkt gebleven tot bronnen uit de vierde en de vijfde eeuw, waaronder een poëtische, ietwat vaag opgestelde inscriptie door paus Damasus (366-383), een martyrologium en pelgrimgidsen uit de zevende eeuw, zoals het ‘Itinerarium van Salzburg’. Daaruit viel op te maken dat de lichamen van de apostelen hier werden geplaatst in het jaar waarin Bassus en Tuscus consuls waren, dus in 258.

Onder de kerk troffen de archeologen in 1925 resten van een triclinium aan, een soort afdakje in open lucht van het type waarin de christenen bij begrafenissen een agape of refrigerium hielden, een maaltijd ten behoeve van de armen. De muren van dit bouwwerk waren bedekt met graffiti waarin o.a. Petrus en Paulus werden aangeroepen, alsook de tekst ‘ter ere van Petrus en Paulus, ik, Tomius Caelius, hier een refrigerium heb gehouden’. Deze inscripties die van een type zijn die archeologen goed kennen uit vele andere heiligdommen en pelgrimsoorden, dateren uit de derde eeuw. In zoverre bevestigen ze dus het verhaal.

Het was keizer Constantijn, deemoedig gevolgd door Silvester I (314-335), die uiteindelijk beide apostelen een waardiger begraafplaats zou hebben bezorgd: in de Sint Pietersbasiliek en de Sint Paulus-buiten-de-muren. Naar verluidt waren Petrus en Paulus hier in één graf bijgezet, waarbij de paus later de resten op grootte zou hebben gesorteerd, waarbij hij de kleinere aan Petrus toeschreef en de grotere aan Paulus.

Het is een bizar verhaal waarvan we niet kunnen nagaan of het op enige waarheid berust, maar wetende hoe gedurende vele eeuwen met relikwieën en overblijfselen van heiligen werd omgegaan, lijkt het ons niet helemaal onwaarschijnlijk. De recente ontdekking van relikwiëën van Petrus in een vrijwel onbekend kerkje in Trastevere lijkt dat alleen maar te bevestigen.

In de tijd van keizer Constantijn de Grote werd boven de catacomben een basiliek gebouwd ter ere van deze apostelen, de Basilica Apostolorum. Later werd deze kerk eveneens naar de martelaar Sebastiaan genoemd, de Basilica di San Sebastiano. In een niet voor het publiek toegankelijke crypte onder de kerk ligt deze heilige ook begraven.

Rechts van de sacristie voert een trap naar een ruimte midden onder de basiliek. Het bovengedeelte is afgebroken om de vloer van de basiliek op een lager niveau te kunnen leggen. Archeoloog P. Styger die in 1918 het fantastische werk ‘Il monumento apostolico della Via Appia’ publiceerde, noemde in dit boek deze ruimte als eerste ‘triclia’. Ze is tegenwoordig ook gekend als ‘memoria apostolorum’. Het was een soort eetzaal of triclinium met een rode achterwand, een afdakje en pilaren.

De gelovigen hielden hier hun begrafenismaaltijden, de zitbanken zijn nog steeds zichtbaar. Aan de wanden zien we, een beetje oneerbiedig uitgedrukt, zeshonderd Latijnse graffiti uit het begin van de vierde eeuw, het zijn aanroepingen tot Petrus en Paulus. Zo lezen we ‘Paule Petre in mentem habete Sozemenum’, Paulus en Petrus, gedenk Sozemenus; ‘Petro et Paulo Tomius Coelius refrigerium fecit’ ter ere van Petrus en Paulus heb ik, Tamius Coelius, een verkwikkingsmaal aangericht. Naast het Latijn vinden we hier als taal echter ook het Grieks en zelfs het Aramees. Het zegt iets over hoe oud deze catacomben wel zijn.

Het gangenstelsel dat vanaf de vierde eeuw rond het graf van Sebastiaan werd gegraven, leed veel schade tijdens de middeleeuwen toen pelgrims zich hier verdrongen om de hulp van de heilige in te roepen tegen de gevreesde pest. Twee cubicoli zijn interessant, de ene bezit een opschrift uit de vijfde eeuw ter ere van de heilige Massimo. In de andere zien we slecht geconserveerde fresco’s met de gebruikelijke thema’s: Mozes slaat water uit de rots en een orante. De voor ons klassieke afbeelding van het kindje Jezus in de kribbe tussen de os en de ezel treffen we alleen hier aan. Het is vermoedelijk de oudste dergelijke afbeelding in Rome.

Wij dalen dieper af en komen weldra 13 meter onder de vloer van de basilica uit bij drie mausolea of hypogea uit de eerste of het begin van de tweede eeuw na Chr. Ze hebben een bakstenen voorgevel, fronton en een in travertijn gevatte poort. Let op de grandioze gewelven. Aanvankelijk dienden zij als columbaria. Op basis van de aangetroffen decoraties en inscripties zouden ze oorspronkelijk hebben toebehoord aan één van de heidense sekten die tegelijkertijd met het christendom opkwamen.

Het middelste mausoleum en dit aan de linkerzijde hebben fraai stucwerk. De eigenaar van het rechts gelegen hypogeum heette volgens een inscriptie M. Clodius Hermes, 75 jaar oud. In zijn dodenhuis zijn prachtige fresco’s aangebracht. De schilderingen aan de buitenkant stellen een dodenmaal voor en het wonder van de bezetene van Gerash in Jordanië. Het gewelf is bedekt met de kop van een Gorgo. De Gorgonen waren drie monsters met slangenhaar en ijzeren klauwen, de bekendste van hen was Medusa; wie haar aankeek, versteende.

Prachtig is de fruitschaal met een patrijs. Het thema van patrijzen rond een vaas of ‘compotier’ is heidens (lees: voorchristelijk) maar de druiven kunnen misschien wel verwijzen naar ‘ik ben de wijnstok en jullie zijn wijnranken’. Of dit oorspronkelijk de bedoeling was is onduidelijk en twijfelachtig, maar het zou kunnen verklaren waarom deze erg oude tekeningen bewaard bleven. Tot de pronkstukken van het middelste hypogeum behoren het goed bewaarde stucwerk en de vaak aanwezige pauw, het symbool van de onsterfelijkheid. Iemand zou eens een boek moeten samenstellen met alle bestaande afbeeldingen van pauwen uit de oudheid. De inscripties hebben Griekse letters, maar de tekst is Latijns.

Aan één van de wanden is het geheime wachtwoord van de christenen ingekrast, namelijk een vis (Christus) met een kruis, een symbool dat je in de catacomben wel vaker aantreft. Het hypogeum links valt op door zijn stucdecoratie die nauwelijks geleden heeft van de tand des tijds. Wingerdranken schieten omhoog uit vazen die op namaak-pilasters staan.

De aandachtige lezer heeft het begrepen: deze catacombe is een bezoek wel degelijk waard.