Archive for 24 november 2017

De vulkaanramp in Pompei dreigt zich te herhalen

24 november 2017

Op zondag 10 december bezoeken we met zestig mensen de gloednieuwe tentoonstelling Pompeii – The Immortal City. De ruïnestad Pompei in Italië, ten zuidoosten van Napels, aan de zuidoostelijke voet van de vulkaan Vesuvius, is bekend bij vele mensen. Ook wie er nooit een voet heeft gezet, heeft de naam Pompei ongetwijfeld al eens horen vallen. De Romeinse stad die in de oudheid door lava werd bedolven en later weer gedeeltelijk werd opgegraven, spreekt dan ook al vele eeuwen tot de verbeelding.

In de omgeving van de plek die we vandaag kennen als Pompei, viel het verdringen van de inheems-Italische cultuur door de hellenistische beschaving samen met het begin (omstreeks 340 v. Chr.) van de Romeinse penetratie. Na de Bondgenotenoorlog werd Pompei in 80 v. Chr. een Romeins municipium. De romanisering zette snel door. In 63 na Chr. werd de stad door een aardbeving gedeeltelijk verwoest, maar snel weer herbouwd.

Op 24 augustus 79 was de toestand dramatischer en liep het slechter af. Toen werd de stad na een uitbarsting van de Vesuvius, die ook de naburige plaatsen Herculaneum, Stabiae, Oplontis en Boscoreale trof, door een vijf tot acht meter dikke laag as en vulkanische slakken bedolven.

Van de 15.000 tot 20.000 inwoners kwamen er naar schatting ongeveer 2.300 om, maar dat aantal ligt waarschijnlijk veel hoger, want vele lichamen werden nooit teruggevonden. Uit recent wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat mensen door de extreme temperaturen van de vulkaan op vele plaatsen levend werden gekookt en door de gloeiend hete aswolk vervolgens volledig werden vernietigd.

Bij een uitbarsting van een vulkaan zoals de Vesuvius worden in het eerste stadium grote hoeveelheden as, stof en stenen uitgebraakt gedurende de eerste vier tot acht uren. De hoeveelheden stenen en as kunnen enorm zijn en een meters dikke laag vormen. De meeste gebouwen in de omgeving worden hierdoor vernield. In de tweede fase van de eruptie is er de gloeiend hete zogenaamde pyroclastische golf die langs de flanken van de vulkaan naar beneden stroomt.

Deze golven kunnen temperaturen bereiken tot 850°C en, afhankelijk van de verhouding vaste stof/as en de hellingsgraad, snelheden bereiken tot circa 725 km per uur. Er is berekend dat het slechts vier minuten duurde voor deze zeer hete massa de stad Herculaneum bereikte, terwijl die stad op zeven kilometer van de krater ligt. De inwoners waren daar onder een grote overhangende rots gaan schuilen, in de verwachting dat ze veilig waren voor de regen van as en stenen, maar tegen de pyroclastische golf hadden ze geen schijn van kans.

In 79 na Chr. waren er zelfs vijf van dergelijke pyroclastische stromen die Herculaneum helemaal verwoestten. De eerste golf stopte net vóór Pompei, de volgende gingen er echter overheen. De kolkende hete massa raasde uiteindelijk tot 30 km verder en bereikte zelfs Misenum, het huidige Miseno.

Zo verdwenen Pompei en verschillende grote villa’s in de omgeving voor vele eeuwen onder een vulkanische laag. In 1748 begonnen de eerste opgravingen. De vele artefacten die werden ontdekt waren perfect bewaard en geven een uitstekende indruk van een welvarende Romeinse kleine stad. Archeologen hebben door de vondsten in Pompei enorm veel geleerd over het Romeinse leven en cultuur in de oudheid.

In de stadsplattegrond van Pompei zijn duidelijk drie kernen te onderscheiden: in het zuidwesten de oude Oskische stad – waarvan nog enkele bochtige straten getuigen – met als centrum het forum, dat pas in de loop der tijden zijn uiteindelijke monumentale vorm kreeg. Ten noorden van dit stadsdeel bevond zich een wijk met rechthoekig elkaar snijdende straten, die smalle insulae (huizenblokken) vormen, uit de Samnitische periode. In het oosten had je de agglomeratie uit de Romeinse tijd, ook met elkaar rechthoekig snijdende straten, die echter anders georiënteerd zijn.

Het forum heeft een typisch Italische, lange en smalle vorm; behalve aan de noordzijde is het door zuilengalerijen omgeven. Aan de noordkant staat de Jupitertempel, de hoofdtempel van de stad; daartegenover staan de voornaamste drie administratieve gebouwen, met de curia (raadszaal) in het midden. Aan de oostkant sluiten civiele en religieuze gebouwen aan.

Aan de westkant liggen een grote tempel van Apollo en, aan de zuidwesthoek dwars op de zuilengalerij waarbij zij aansluit, de basilica (rechtsgebouw), een drieschepige overdekte ruimte met verhoogd middenschip. Het forum kreeg deze oriëntatie in de tweede eeuw v. Chr. Toen werden ook de basilica gebouwd en de tempel, die aan het Capitolium voorafging.

Tot de andere belangrijke tempels behoort zeker die van Venus Pompeiana, de schutsgodin van de stad, gelegen aan de westzijde van de basilica. Ten zuidoosten van het oudste stadsgedeelte liggen, naast het zogenaamde Driehoekige Forum, een openluchttheater (tweede eeuw v. Chr.) en een kleiner overdekt theater (begin eerste eeuw v. Chr.). Uit deze tijd dateert ook het amfitheater in de zuidoostelijke hoek van de stad.

Voorts zijn er twee palaestrae (gebouwen voor sport- en atletiekbeoefening) uit de hellenistische en de vroege keizertijd en thermen (badinrichtingen). De straten waren geplaveid, hadden verhoogde trottoirs en oversteekstenen. De huizen zijn talrijk en in vrij behoorlijke staat te voorschijn gekomen. Bijzonder fraai zijn de Casa dei Vettii en de Casa del Fauno.

Aan de rand van de stad lagen grote villae, landhuizen met gecombineerde woon- en bedrijfsruimte, waaronder de Villa dei Misteri. De wandschilderingen in de huizen geven een fraai overzicht van de Romeinse schilderkunst van 200 v. Chr. tot 79 na Chr. Ook mozaïeken, speciaal op de vloeren, en stucwerk luisteren de woon- en slaapvertrekken op. Talrijke tuinbeelden en portretten van marmer en brons, kleine sculpturen, kunstig bewerkte meubelen, gebruiksvoorwerpen, enz. geven een beeld van het Romeinse interieur. Een belangrijk deel van de vondsten is te zien het archeologisch museum in Napels, waar ook de meeste topstukken voor de komende tentoonstelling in Brussel vandaan komen.

De Vesuvius heeft een doorsnede van ongeveer 8 km en is ongeveer 1.200 m hoog. Ook na het dramatische jaar 79 heeft de vulkaan nog verscheidene keren zijn macht getoond en nog vele mensen gedood en steden vernield. Dat gebeurde ondermeer in 1631 (deze was bijna even zwaar als de uitbarsting van 79), 1794, 1826, 1872, 1906, 1913, 1926, 1929 en voor het laatst in 1944. Bij deze jongste uitbarsting werd ondermeer het dorp San Sebastiano al Vesuvio grotendeels vernietigd. Toch waren deze uitbarstingen, hoewel verwoestend, minder spectaculair en eisten ze minder slachtoffers dan tijdens de uitbarsting in 79.

Bij de eruptie van 1944 is de lava niet via de bovenkant ontsnapt, maar via de zijkant van de vulkaan, waardoor een groot gat onder de oude korst ontstond. Dit gat is gevuld geraakt doordat de korst erboven instortte. De kraterbodem van vóór 1944 is als een donkere laag te zien vlak onder de huidige kraterrand. Tegenwoordig beweren verschillende wetenschappers dat de vulkaan ‘over tijd’ is en dat een nieuwe uitbarsting niet meer lang op zich kan laten wachten. In dat geval worden duizenden Napolitaanse gezinnen bedreigd. Heel wat Napolitanen wonen bovendien illegaal op de flanken van de vulkaan .

Gezinnen kregen ooit zelfs een premie van de regering indien ze verhuisden want bij een nieuwe uitbarsting kunnen de autoriteiten onmogelijk iedereen in deze overbevolkte regio evacueren. De uitbarsting komt er ooit, daarover is zowat iedereen het eens. Maar haast niemand wilde vertrekken. Ook niet in Ercolano, dat in 79 na Chr., toen het nog Herculaneum heette, net als Pompei en andere dorpjes in de buurt helemaal werd verzwolgen door de vulkaan.

Ook de regio Campania stelde jaren geleden al een stimuleringsplan op voor mensen die bereid waren te verhuizen. Families in een huurhuis kregen zelfs tot 25.000 euro als ze vertrokken. Volgens het plan hadden tot 300.000 mensen moeten vertrekken, maar dat is niet gelukt. Velen zijn immers gehecht aan hun geboortegrond of wonen hier omdat hun dorp aan de zee ligt en het klimaat mild is. Of ze kunnen nergens anders heen.

Dicht in de buurt zijn er wel grote toeristische oorden zoals Sorrento, de Amalfitaanse kust en de eilanden Capri en Ischia, maar daar gaan wonen is uitgesloten wegens te duur. Er werk vinden is ook niet evident. Vlak bij de Vesuvius is wonen nu eenmaal veel goedkoper dan in het nabijgelegen Napels. Het risico van de dreigende vulkaan nemen de Napolitanen er maar bij. Sterker zelfs, men doet meestal alsof de gevaarlijke berg, die heel de omgeving domineert, er gewoon niet is. Ondertussen wonen vele honderdduizenden mensen op of vlakbij een slapende bom die ieder moment kan ontploffen.

Ongeveer 8 km diep onder de Vesuvius bevindt zich een reusachtige bel magma van maar liefst vierhonderd vierkante kilometer. Italiaanse en Franse vulkanologen die deze enorme hoeveelheid magma al een hele tijd geleden lokaliseerden, denken dat schokgolven in de ondergrondse bel voor een nakende eruptie kunnen waarschuwen en voerden daarvoor ook experimenten uit.

Toch kunnen ze ondanks alle wetenschappelijke metingen niet precies voorspellen wanneer de volgende grote uitbarsting van de Vesuvius eraan komt. Het is wel zeker dat in de Napolitaanse ondergrond meer dan genoeg kokende magma klaar zit voor een zeer forse uitbarsting. De wetenschappers zijn tijdens hun onderzoek erg geschrokken van de omvang en hadden nooit verwacht dat het reservoir zo uitgestrekt zou zijn. Hoewel de volgende uitbarsting van de Vesuvius dus waarschijnlijk behoorlijk explosief zal zijn, ook al gezien de lange periode van rust aan de baai van Napels, verwacht men toch niet dat het hele magmareservoir meteen leeg zal worden geblazen.

De meeste vulkanologen denken dat bij een gemiddelde eruptie hooguit een kwart van de hoeveelheid magma zal vrijkomen. Dat is natuurlijk nog altijd behoorlijk destructief en zal in principe duizenden slachtoffers eisen. Maar wat er in de omgeving zou gebeuren als het hele magma-reservoir van 400 km² zich helemaal zou leegspuiten, durft niemand zelfs maar aan denken. Het resultaat zou te vergelijken zijn met een kernramp.

De onderzoekers gebruikten voor hun peiling een techniek die seismische tomografie heet, een methode om de grond onder de Vesuvius af te tasten. Door zelf kleine explosies te veroorzaken, creëerden ze ‘aardbevingsgolven’ waarvan ze de koers doorheen de aardkorst op de voet volgen. Gegevens over snelheid en bewegingsrichting van de golven werden opgetekend door regionale ‘luisterbakens’. Zoals in de geneeskunde medische tomografie wordt gebruikt om driedimensionale beelden van het lichaam op te bouwen, leverde de seismische tomografie 3D-beelden van de aardkorst.

De onderzoekers volgden op die manier de schokgolven van 1.800 schoten met een luchtkanon, die werden afgevuurd vanop een schip in de baai van Napels. De luisterbakens, die tot 90 kilometer verderop in de Apennijnen lagen, hoorden hoe de golven zich een weg doorheen het gesteente van de aardkorst baanden en op acht kilometer diepte onder de Vesuvius en verspreid over een gebied van zowat 400 km², plots vertraagden en omgezet werden in golven van een ander type. Dat wijst op een enorme bel magma. Golven reizen trager in een vloeistof dan in een vaste stof, en op de overgang van vaste naar vloeibare aardlagen veranderen ze van aard.

In tegenstelling tot de Etna en de Stromboli is de Vesuvius momenteel de meest rustige van de Italiaanse vulkanen. Zo nu en dan rommelt er weleens iets in zijn onderbuik, wat aan de oppervlakte resulteert in lichte aardbevinkjes en wat vulkanische gaspluimen en rokerige zwavellucht. Hoewel de Vesuvius een zeer kwalijke reputatie heeft, maken weinige omwonenden zich daar echt druk om. Zij hebben andere dingen aan hun hoofd zoals het vinden van werk of hun problemen met de Camorra, de Napolitaanse maffia.

Omdat het zo lang geleden is, lijken de mensen het risico van een uitbarsting schijnbaar te negeren. Maar bij acuut gevaar, een plotse uitbarsting dus, is het onmogelijk om iedereen tijdig te evacueren. Er is slechts een vluchtmogelijkheid met treinen, boten en andere middelen voor 300.000 tot 400.000 mensen. In de Napolitaanse agglomeratie wonen 4,4 miljoen mensen plus een onbekend aantal illegalen.

Wie de bedolven steden uit Romeinse oudheid rond de Vesuvius al eens heeft bezocht krijgt zeer veel respect voor de macht van de vulkaan. Die vulkaan was er ook veel eerder dan de Napolitanen. Die laatsten zullen vroeg of laat moeten buigen voor de oeroude krachten die de Vesuvius kan oproepen. De Napolitanen weten dat ook wel en hebben die informatie zeker ergens in het achterhoofd opgeslagen.Zelfs de Italiaanse regering beseft het probleem. Maar het staat vast dat er niets zal gebeuren vooraleer er slachtoffers vallen.

DE UITBARSTING IN POMPEI IN 79 – ACHTERGROND

De ramp in Pompei is van nabij meegemaakt door de achttienjarige Plinius uit Como, bekend als Plinius de Jongere. Op het moment van de uitbarsting bevond hij zich samen met zijn moeder in het landhuis van zijn oom, Plinius de Oudere, in Misenum. In twee brieven aan de geschiedschrijver Tacitus doet Plinius de Jongere verslag van deze gebeurtenis.

Hij (Plinius de Oudere) was in Misenum, waar hij persoonlijk het commando voerde over de vloot. Op de 24ste augustus, ongeveer om één uur ’s middags, maakte mijn moeder hem opmerkzaam op een wolk van ongewone grootte en aanblik. Mijn oom had zijn zonnebad genomen en daarna zijn koudwaterbad, hij had ontbeten op zijn rustbank en lag daar nu te werken. Dadelijk vroeg hij om zijn schoenen en hij beklom een heuvel, vanwaar men dat vreemde schouwspel het best kon waarnemen.

Een wolk steeg op (men kon van uit de verte niet duidelijk zien, uit welke berg; later bleek het de Vesuvius te zijn) waarvan het voorkomen en de gedaante zich het best laten vergelijken met een pijnboom. Hoog oprijzend als met een lange stam verbreidde hij zich later met een soort van takken, vermoedelijk omdat hij, door een eerste aanblazing omhoog gestoten, bij het verzwakken daarvan aan zichzelf werd overgelaten of door zijn eigen gewicht gedwongen in de breedte uitvloeide. Nu eens was hij wit, dan weer vuil en gevlekt, naar gelang hij as of aarde meevoerde.

Mijn oom, een man van wetenschap, vond het merkwaardig en de moeite waard om van dichterbij te onderzoeken. Hij liet een jacht zeilklaar maken; hij vroeg mij of ik hem wilde vergezellen; ik antwoordde dat ik liever aan mijn werk wilde blijven; toevallig had hij mij zelf een onderwerp opgegeven. Juist toen hij de deur uitging, kreeg hij een briefje uit Retina, van Bassus, die verschrikt was door het van dichtbij dreigende gevaar, want zijn landhuis lag aan de voet van de berg en vlucht was alleen mogelijk met een schip. Hij smeekte hem uit zijn hachelijke toestand te redden. Terstond verandert mijn oom van plan; wat hij uit weetgierigheid was begonnen, volvoert hij met heldhaftigheid.

Hij brengt vierriemers in zee en gaat zelf aan boord om hulp te brengen niet alleen aan Bassus, maar aan velen, want die bekoorlijke kust had veel vreemdelingen getrokken. Hij spoedt zich dáárheen, vanwaar anderen vluchten; recht de steven, recht het roer gericht naar gevaar, zo onbevreesd, dat hij alle verschijnselen, alle wisselingen van die natuurramp, naarmate hij ze voor ogen kreeg, liet optekenen of zelf optekende.

Reeds viel er as op de schepen, heter en dichter naarmate wij naderden. Toen vielen ook puimstenen en zwarte stenen, door het vuur geblakerd en gebarsten. Een door bergstorting veroorzaakte ondiepte maakte het onmogelijk daar te landen. Een ogenblik aarzelde mijn oom of hij zou omkeren, maar toen de stuurman hem dat voorstelde, riep hij uit: ‘Die waagt, die wint; zet dan koers naar Pomponianus.’ Deze was in Stabiae, aan de andere kant van de golf, want de kust maakt een geleidelijke, maar diepe bocht.

Hoewel het gevaar daar nog verder af was, maar toch duidelijk te zien, en steeds groter werd en naderkwam, had Pomponianus zijn huisraad in bootjes geladen, vastbesloten om te vluchten als de wind, die op de kust stond, was gaan liggen. Diezelfde wind dreef mijn oom met snelle vaart daarheen; hij omarmde zijn angstige vriend, troostte hem, sprak hem moed in en om diens vrees door eigen kalmte te bedaren, liet hij zich naar de badkamer brengen. Na het bad ging hij aanliggen aan tafel en at hij, opgewekt gestemd of, wat even moedig was, opgewektheid voorwendend.

Intussen laaiden uit de Vesuvius hier en daar brede vlammen en hoge branden op, waarvan de gloed en helderheid werden verhoogd door de duisternis van de nacht. (…) Samen overlegden zij, of ze in huis zouden blijven of buiten rondlopen. Want het huis stond te wankelen door herhaalde hevige aardbevingen; het leek wel of het was losgeraakt van zijn fundament en heen en weer schoof. Daar stond tegenover dat men onder de blote hemel te vrezen had voor de vallende puimstenen, al waren die licht en poreus. Toch gaf men na vergelijking van de gevaren aan het laatste de voorkeur. (…) Zij bonden kussens met lakens vast op hun hoofd, tot bescherming tegen al wat er viel.

Reeds was het overal dag, maar daar nacht, zwarter en dichter dan er ooit een nacht was geweest, enigszins verhelderd door tal van fakkels en allerlei lichten. Men besloot naar het strand te gaan en van dichtbij te zien, of de zee al enige kans op vertrekken bood. Maar de zee bleef even woest en vijandig. Men spreidde een laken uit, waarop mijn oom ging liggen; hij vroeg een paar maal om koud water en dronk. Toen naderden vlammen en zwaveldamp, de voorbode van vlammen, die hem wakker maakten en anderen op de vlucht dreven. Steunend op twee slaafjes stond hij op en zakte dadelijk weer ineen; ik vermoed dat door de dichte damp de adem hem werd benomen en de luchtpijp gesloten, die van nature zwak en nauw was en dikwijls ontstoken.

Toen het daglicht terugkeerde (de derde dag na zijn laatste) vond men zijn lichaam, ongeschonden en ongedeerd, geheel gekleed. Hij geleek meer op een slapende man dan op een dode.