Archief voor december, 2017

Pantheon betalend vanaf 2 mei 2018 maar stadsbestuur ziet dat niet zitten

Posted in Romenieuws on 24 december 2017 by Eric

Dario Franceschini, de Italiaanse minister van Cultuur, Toerisme en Erfgoed, die reeds in januari 2016 bekendmaakte dat hij de toegang tot het Pantheon graag betalend zou maken, brengt dat voornemen nu in de praktijk. Het Vicariaat (de Kerk) en het Mibact (het Ministero dei beni e delle attività culturali e del turismo) tekenden zopas een overeenkomst waardoor je vanaf 2 mei 2018 een ticket van 2 euro zal moeten kopen om het Pantheon te bezoeken. Plaatsvervangend burgemeester en schepen/wethouder Luca Bergamo kondigde al aan dat hij namens het stadsbestuur zal proberen de maatregel te laten intrekken.

Franceschini beweert geruststellend dat de toegang tot het Pantheon voor religieuze activiteiten en om te bidden gratis zal blijven. Het Pantheon is officieel immers een kerk. Maar hoe je toeristen die komen bidden of bezoekers die alleen maar de koepel komen bewonderen van elkaar moet kunnen onderscheiden, vertelt hij er niet bij.

De overeenkomst tussen de Kerk en het Ministerie meldt evenmin iets over hoe de praktische organisatie moet gebeuren en wie opdraait voor de kosten van de ticketverkoop en de controle daarop. Het enige concrete is het bedrag (2 euro), de principiële startdatum (2 mei) en dat de inning normaal zal gebeuren door werknemers van het Ministerie. Het zijn overigens ook vandaag al ambtenaren die toezicht houden op het Pantheon. Die doen dat niet van ganser harte, voor hen is werken in het Pantheon gewoon een saaie job.

Enkele jaren geleden ontstond een klein schandaal toen ambtenaren om 18 uur (het einde van hun werkdag) een concert in het Pantheon stillegden dat om 18.15 uur zou afgelopen zijn. “Het Pantheon sluit, we doven de lichten, gelieve naar buiten te gaan”, klonk het. Er volgden talrijke boze en verontwaardigde reacties uit het publiek en toen de muzikanten alsnog een nummer wilden spelen liep het net niet uit de hand. De ambtenaren moesten zelfs even dreigen om de politie erbij te halen.

De zaak kreeg heel wat weerklank en zelfs in de nationale pers werden toen vragen gesteld over het stugge gedrag van de ambtenarij in een nationaal monument zoals het Pantheon en de gevolgen voor het imago van Rome en Italië. In het parlement werd geringschattend gevraagd of het toezicht dan niet evengoed door robots kon gebeuren in plaats van door mensen. Het incident werd toen ook gefilmd. Eén ambtenaar werd na de feiten overgeplaatst naar een andere dienst, de anderen doen nog altijd dienst in het Pantheon en worden naar aanleiding van dit filmpje nog regelmatig uitgelachen door bezoekers.

Op drukke dagen staan soms nu al lange rijen wachtenden voor het Pantheon. Daar bovenop nog eens een ticket- en controlebalie installeren is vragen om chaos in maar zeker ook rond het Pantheon, dat vergeleken met bv. het Colosseum veel kleiner is, maar jaarlijks wel bijna twee miljoen meer bezoekers lokt. Zelfs al zou het aantal bezoekers (7 tot bijna 8 miljoen per jaar) halveren, dan nog dreigen gigantische problemen, files en lange wachttijden te ontstaan als die allemaal een ticket moeten kopen of het moeten laten controleren.

Het Pantheon is al sinds de zesde eeuw door de Kerk in gebruik als basiliek en als dusdanig (net als de andere kerken en basilieken in Rome) gratis toegankelijk. De vicaris van het bisdom Rome, monseigneur Angelo De Donatis en minister Francheschini verzekeren dat de toegang tot de vele andere kerkelijke monumenten in Rome gratis blijft. In vele andere steden moet daarvoor betaald worden.

Maar zodra de geest uit de fles is en duidelijk wordt dat een kerkelijk monument (vooral in het druk bezochte Rome) heel wat geld kan opbrengen, zal het moeilijk worden die er opnieuw in te stoppen. Wetende dat je in Rome bv. gratis een heleboel schilderijen van Caravaggio of beeldhouwwerken van Bernini kan bewonderen (om slechts twee kunstenaars te vermelden), zal deze overheidsmaatregel ongetwijfeld heel wat kerkverantwoordelijken op ideeën brengen.

Indien ooit een einde komt aan het ‘gratis’ verhaal in de Romeinse kerken zullen ze ongetwijfeld ook fors inboeten aan populariteit en hun bezoekersaantallen zien dalen. Ook de meeste reisgidsen zouden moeten worden geactualiseerd. De aantrekkelijkheid van Rome als openluchtmuseum zou er in ieder geval op achteruitgaan. Dat is precies wat Luca Bergamo vreest, de verantwoordelijke wethouder/schepen voor Cultuur bij de stad Rome. Hij kwam al eerder in aanvaring met Franceschini en beschouwt Rome als een plek waar iedereen vrij moet kunnen rondwandelen en genieten.

Erfgoed beleven gaat voor Bergamo veel verder dan een paar uurtjes doorbrengen in sites zoals de Domus Aurea, het Colosseum, het Forum Romanum en de Palatijn en de Thermen van Caracalla. Dat zijn allemaal omheinde en afgesloten sites. Het Ministerie had volgens Bergamo al lang geleden de plannen moeten uitvoeren om al deze sites samen te brengen in één groot archeologisch park dat zich uitstrekt over de hele Celio en omgeving. Het Ministerie streeft volgens Luca Bergamo al jaren naar snel gewin. Wie de Romeinse bezienswaardigheden louter als geldmachines beschouwt, dreigt een ‘hit-and-run’-toerisme te creëren dat op termijn fataal zal zijn voor Rome. Toeristen zullen dat ticketje voor het Pantheon wel betalen, daar gaat het niet om.

“Maar de vele Italiaanse jongeren, scholieren en andere landgenoten die hier in Rome één van onze topmonumenten komen bezoeken, zullen zich misschien wel even bedenken. Voor een groep van vijftig kinderen, betekent dat immers al gauw een hap van 100 euro uit het reisbudget”, stelt Bergamo.

Het argument dat het Mibact de toegangsgelden ook gebruikt om de Romeinse monumenten beter te onderhouden en te beschermen en om een grotere veiligheid te garanderen, maakt op Luca Bergamo geen indruk. “Slechts dertig procent van alle toegangsgelden gaat daar naar toe, inclusief het niet-archeologische erfgoed. De rest van het geld wordt voor andere dingen gebruikt, waarvan vele niets met Rome te maken hebben. Wat dat betreft fungeert Rome louter als een geldmachine. Wat het Pantheon aangaat, komt het erop neer dat we zelfs minder middelen zullen overhouden dan nu”, zegt Bergamo.

De cultuurverantwoordelijke is boos dat de regering beslissingen neemt die een impact hebben op het stedelijke leven zonder een akkoord te sluiten of te overleggen met degenen die het beheren. Hij vraagt zich ook af of Franceschini eraan gedacht heeft om extra middelen ter beschikking te stellen van Rome om de ongetwijfeld aanzienlijke kosten van het extra politietoezicht en de aanvullende maatregelen te compenseren. Bergamo laat het er niet bij zitten en kondigt aan de nodige stappen te zetten om het besluit van Franceschini en het Vicariaat te laten herroepen. Of hij een kans maakt, weten we zeker op 2 mei.

Het Pantheon is één van de mooiste monumenten van Rome en een absolute lieveling bij zowel inwoners als toeristen. Het is één van de meest bezochte monumenten van heel Italië en lokt jaarlijks meer dan 7 miljoen bezoekers. Die worden elektronisch geteld, men beschikt dus wat de aantallen betreft wel over correcte cijfers. Tijdens de drukkere periodes krijgt het Pantheon vlotjes 30.000 bezoekers per dag over de vloer. In 2016 noteerde men de tot nog toe grootste bezoekerspiek ooit: in dat jaar bezochten 7.994.505 mensen het Pantheon. Dat zijn er bijna twee miljoen meer dan het Colosseum binnen krijgt. Voor dit jaar zijn nog geen cijfers bekend.

Insiders bij de Italiaanse veiligheidsdiensten stellen dat het de overheid niet in de eerste plaats te doen is om de inkomsten, maar wel om de enorme stroom toeristen die dagelijks het Pantheon bezoeken enigszins te kunnen controleren. Wie komt binnen? Hoe lang blijven bepaalde mensen in het gebouw? Wat doen ze daar? Wat nemen ze mee naar binnen? Door wie zijn ze vergezeld? Met wie praten ze in het gebouw?

Het Pantheon beschikt nu al over een goed uitgerust cameranetwerk, maar de technologie is inmiddels zover gevorderd dat een systeem dat letterlijk alles en iedereen in het gebouw in de gaten kan houden, personen kan herkennen, smartphones kan afluisteren en persoonlijke data kan buitmaken geen science-fiction meer is. Integendeel: dit zijn slechts enkele van de vele mogelijkheden. Alleen: wereldwijd bestaan nog maar enkele van deze zeer gesofistikeerde systemen en ze zijn nog steeds zeer duur. Maar met pakweg 15 miljoen euro per jaar aan inkomgelden kom je natuurlijk al een heel eind.

Paus Paulus VI wordt op 14 oktober heilig verklaard

Posted in Romenieuws on 24 december 2017 by Eric

Volgens het Italiaanse bisdom Brescia wordt paus Paulus VI (pontificaat van 1963 tot 1978) op 14 oktober heilig verklaard. Een woordvoerder van het bisdom maakte bekend dat de theologische commissie van de Congregatie voor de Heiligverklaringen een mirakel, dat aan paus Paulus VI wordt toegeschreven, heeft erkend. Het gaat om de medisch onverklaarbare genezing van een baby die op kerstdag 2014 na een heel lastige en voortijdige bevalling werd geboren. De heiligverklaring gebeurt in de rand van de bisschoppensynode over  jongeren die plaats heeft van 3 tot 28 oktober.

Paus Paulus VI overleed op 6 augustus 1978 in de pauselijke zomerresidentie in Castel Gandolfo. Hij raakte vooral bekend door Vaticanum II (1962-1965), dat door zijn voorganger paus Johannes XXIII werd bijeengeroepen, maar grotendeels tijdens Paulus’ pontificaat plaatsvond. Hij maakte zich verdienstelijk met de hervorming van de liturgie, zijn inzet voor de vrede en zijn verdediging van het huwelijk en het gezin. Op 19 oktober 2014 werd hij zalig verklaard.

Giovanni Battista Montini (Brescia, 26 september 1897 – Castelgandolfo 6 augustus 1978), was paus van 1963 tot 1978. Hij was sinds 1922 verbonden aan het staatssecretariaat van het Vaticaan. Als substituut (sinds 1937) was hij de rechterhand van de staatssecretaris Eugenio Pacelli (de latere paus Pius XII). Deze benoemde hem in 1952 tot pro-staatssecretaris (samen met Domenico Tardini) en in 1954 tot aartsbisschop van Milaan. Daar gaf hij veel aandacht aan de sociale kwestie (grote volksmissie van 1957, herderlijke brief van 1963). Onder paus Johannes XXIII werd hij in 1958 kardinaal. Hij was lid van de centrale commissie die het Tweede Vaticaans Concilie voorbereidde. Na de dood van Johannes werd hij, in een conclaaf van nauwelijks twee dagen, tot paus gekozen op 21 juni 1963.

Als zijn voornaamste taken zag hij de voltooiing van het concilie en de doorvoering van het ‘aggiornamento’ (het ‘bij de tijd brengen’ van het kerkelijke leven). In beide taken kreeg hij, als opvolger van Johannes XXIII en geestverwant van Pius XII, te maken met conflicten naar ‘rechts’ en naar ‘links’. Reeds tijdens het concilie bleek zijn streven erop gericht te zijn desnoods tot het uiterste te gaan om standpunten te verzoenen. De doorvoering en realisering van de conciliebesluiten riepen moeilijkheden op, vooral in de Curie. In de constitutie Regimini ecclesiae universae kondigde Paulus VI op 15 augustus 1967 een (gematigde) curiehervorming af.

Zijn eerste encyclieken stonden in het teken van de concilieproblematiek (Ecclesiam suam, over de kerk, 6 augustus 1964; Mysterium fidei, over de eucharistie, 3 september 1965). In twee sterk omstreden kwesties, het priestercelibaat en de geboorteregeling, handhaafde hij in de encyclieken Sacerdotalis caelibatus (24 juni 1967) en Humanae vitae (25 juli 1968) onverkort het standpunt van zijn voorgangers. Beide encyclieken brachten binnen de kerk heftige discussies op gang. Op het vlak van de geloofsleer demonstreerde Paulus een overgrote bezorgdheid voor het pauselijke gezag. Daarbuiten toonde hij een open en vooruitstrevende houding op sociaal gebied, alsmede daar waar het kwesties van de wereldvrede betreft, getuige o.a. zijn encycliek Populorum progressio (26 maart 1967) over het ontwikkelingsvraagstuk, die algemene bijval vond.

De reizen van Paulus VI kregen veel publiciteit, zoals onder meer zijn uitstap naar Israël (1964), de VN (1965), de Wereldraad van Kerken (1969) en naar het Verre Oosten (1970). Voor de oecumenische beweging verwierf hij grote verdiensten door zijn toenadering tot de orthodoxe patriarch Athenagoras (1964, 1967) en de anglicaanse aartsbisschop Ramsey (1966).

In de Nederlandse kerkprovincie werd het oordeel over zijn pontificaat vertroebeld door zijn persoonlijke steun aan twee omstreden bisschopsbenoemingen (in 1970 – Adrianus Simonis voor Rotterdam, en in 1972 – Joannes Gijsen voor Roermond). Daartegenover bezorgden de zogenaamde Ostpolitik van het Vaticaan (de voorzichtige toenadering tot communistische regeringen) en de doorvoering van het nieuwe Romeins Missaal (1970) hem de naam van ‘rode’ respectievelijk ‘modernistische’ paus. Zeker is dat de verscherpte polarisatie binnen de katholieke kerk het kruis is geweest voor deze veelzijdige, ‘verscheurde’, paus.

Kardinaal Jozef De Kesel hoort nu bij de Romeinse Curie

Posted in Romenieuws on 24 december 2017 by Eric

Paus Franciscus heeft de Belgische kardinaal Jozef De Kesel (70), de aartsbisschop van Mechelen-Brussel, zaterdag benoemd tot lid van het Dicasterie voor de Leken, het Gezin en het Leven. Daarmee maakt hij deel uit van de directe omgeving van de paus. Het dicasterie werd op 15 augustus 2016 opgericht na de fusie van de Pauselijke Raden voor het Gezin en voor de Leken. Het moet de pastorale zorg van de katholieke Kerk voor de leken en de gezinnen bevorderen. Met de benoeming behoort kardinaal De Kesel nu tot de Romeinse Curie. Die wordt gevormd door de dicasteries en andere Vaticaanse instellingen die de paus bijstaan. In november 2016 werd de De Kesel tot kardinaal gecreëerd.

De naam van het Vaticaan

Posted in Romenieuws on 23 december 2017 by Eric

Recent vroeg een lezer ons waar de naam Vaticaan eigenlijk vandaan komt. Dat is niet eens zo’n vreemde vraag, want het ministaatje van 44 ha dat ingekapseld zit in de stad Rome, had evengoed de oudere naam Pauselijke Staat, Kerkelijke Staat kunnen behouden of Santa Sede (Heilige Stoel) kunnen heten. De naam Vaticaan is afgeleid van de heuvel Vaticanus en die benaming zou op zijn beurt afkomstig zijn van een Etruskisch orakel ‘Vates’ geheten, dat hier destijds zou gezeteld hebben.

Het gebied rond de Vaticaanse heuvel strekte zich in de oudheid uit van de Milvische brug in het noorden van Rome tot aan de Janiculum (Gianicolo) in het zuiden. Plinius heeft het over een moerassig en zompig gebied vol slangennesten. Tacitus meldt dat soldaten in hun tentenkamp op de Vaticaanse heuvel ziek werden wegens de malaria, een probleem waarmee ook de pausen later moesten afrekenen. Op de hellingen van de Vaticaanse heuvel werd wijn van inferieure kwaliteit verbouwd. Martialis (40-104) noemt de vreselijk smakende Vaticaanse wijn ronduit vergif. Hij schreef vaticano bibas, si delectaris aceto, drink Vaticaanse wijn als je azijn wil proeven.

In de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. legde Agrippina maior, de kleindochter van Augustus, de vrouw van Germanicus, de moeder van Caligula (37-41) en de grootmoeder van Nero, tussen de Janiculum en de huidige Sint-Pietersbasiliek, grote tuinen aan. Hiervan werden nog resten teruggevonden onder het ziekenhuis San Spirito.

In die tuinen bouwde Caligula een ‘circus’ dat sterk leek op het latere sportstadion van Domitianus (de huidige Piazza Navona), het was 590 m lang en 95 m breed. Het circus van Caligula werd door Nero voltooid zodat het bekend raakte als het ‘circo di Caligula e di Nerone’. De carceres of startboxen voor de paardenrennen lagen ongeveer op de plaats van de huidige obelisk op het Sint-Pietersplein. Caligula plaatste op de spina deze 25 m hoge Egyptische obelisk, het is dezelfde die in 1586 door paus Sixtus V over een afstand van 200 m verplaatst werd naar het midden van het Sint Pietersplein, waar hij vandaag nog altijd staat. Een steen links naast de huidige Sint-Pietersbasiliek markeert de oorspronkelijke standplaats van de obelisk.

Tacitus (54-117) vertelt dat toen in 64 na Chr. een enorme brand grote delen van Rome in de as legde en de Romeinen wantrouwend naar de keizer keken, Nero de christenen als schuldigen aanwees. Als executieplaats koos hij zijn tuinen en het circus op de Vaticanus. We lezen: ‘Zo vonden ze de dood. Met huiden van wilde beesten bedekt werden sommigen door honden verscheurd. Anderen werden aan het kruis genageld en moesten wanneer het daglicht was afgenomen, branden bij wijze van nachtverlichting’.

De eerste verwijzing naar de aanwezigheid van Petrus in Rome dateert uit 96 na Chr. Het boek ‘Handelingen’ zwijgt erover, het enige dat we vernemen is dat Petrus na zijn bevrijding door een engel uit zijn gevangenschap in Jeruzalem ‘ergens anders heenging’ (Hand. 12,17). Of dat naar Rome was is niet zeker maar in de kerkelijke traditie (Eusebius, Hiëronymus, Tertullianus, Augustinus, Ambrosius, …) wordt wel aangenomen dat dit het geval was.

Men beroept zich daarbij onder andere op de eerste brief van Petrus aan de Hebreeën ‘de zustergemeenschap in Babylon groet u’ (1 Petr. 5,13). Dit ‘Babylon’ wordt in overdrachtelijke zin opgevat voor Rome als centrum van de wereldheerschappij en de afgoderij. Ook opvallend: nooit heeft een andere stad dan Rome de dood van Petrus binnen zijn muren opgeëist. Maar echt bewijsmateriaal is dat natuurlijk niet.

Volgens de oudste bekende teksten werd Petrus in 64 (of 67) in het circus van Caligula en Nero op de Vaticanus gekruisigd ‘inter duas metas’. Deze verwijzing leidde later tot twijfel; de ‘meta’ was het keerpunt voor de paardenstellen op het einde van de spina in het circus, het midden duidt dus op de plaats van de obelisk die in het midden van de spina tussen beide metas stond.

In een andere interpretatie verwijst men naar twee andere metas die zich in de stad Rome bevonden, waarbij de eerste meta verwees naar een piramidaal monument, gekend als de ‘meta van Romulus’, een kleine piramide vlakbij de Engelenburcht, en de tweede meta de ‘meta van Remus’ was, de nog bestaande piramide van Cestius bij de Porta San Paolo en die eeuwenlang verkeerdelijk werd beschouwd als het graf van Remus.

Halfweg de metas zou in deze twee interpretatie dan verwijzen naar de plaats van de San Pietro in Montorio. De Kerk opteerde uiteindelijk voor de eerste interpretatie en ‘liet Petrus officieel sterven op de Vaticanus”. Van hieruit zou nu ook het pausdom en de latere Kerkelijke Staat worden uitgebouwd en groeien.

Na zijn kruisdood werd Petrus bijgezet op de lokale begraafplaats, de necropolis Vaticana, die zich net naast het circus van Caligula en Nero uitstrekte over de hellingen van de Vaticaanse heuvel. De bekendste graftombe op deze necropolis was het praalgraf van keizer Hadrianus, tegenwoordig bekend als de Engelenburcht of het Castel Sant’Angelo.

De ondergrondse necropolis Vaticana werd bij opgravingen in de loop van de twintigste eeuw gedeeltelijk teruggevonden onder de vloer van de oude Sint Pietersbasiliek. Een tweede gedeelte van dezelfde necropolis werd recenter ontdekt bij de aanleg van een ondergrondse parking om de bezoekers voor het Heilig Jaar 2000 te kunnen opvangen. Beide sites zijn op aanvraag te bezoeken, vooral de necropolis van de Via Triumphalis is zeker de moeite waard.

Paus Pius XI (1857-1939) wilde graag zo dicht mogelijk bij het graf van Petrus begraven worden. In de nasleep van een grote opgravingscampagne die al in de jaren ’30 van vorige eeuw begon, werd tussen 1940 en 1949 onder de vloer van de Sint-Pietersbasiliek een deel van de antieke necropolis blootgelegd. Ook de mogelijke tombe van Petrus werd opgegraven. Hierin vond men het redelijk goed bewaard gebleven skelet van een stevig gebouwde man die bij zijn overlijden ongeveer 60 tot 70 jaar oud was.

Hoewel er geen enkel wetenschappelijk bewijs voor bestaat, maakte paus Paulus VI (1897-1978) in 1968 bekend dat het daadwerkelijk ging om de stoffelijke resten van Petrus. Het opgegraven deel van de necropolis, de zogenaamde Scavi, ligt op een diepte van 5 tot 12 m onder de vloer van de basiliek. Een aantal graven zijn gerestaureerd, waaronder de Tombe van de Julii uit de derde of vierde eeuw.

Het was keizer Constantijn (omstreeks 280-337) die het plan opvatte om rond het graf van Petrus een grote vijfschepige basilica te bouwen met in het midden de ‘memoria’, het graf van de apostel. Oorspronkelijk was er geen permanent altaar in de middenbeuk, enkel een marmeren kubus die het graf van Petrus omvatte. Volgens de Liber Pontificalis, het levende geheugen van de christelijke Kerk, waarvan de oudste teksten teruggaan tot omstreeks 540, werd de bouw aangevat in 319.

Archeologisch is het echter niet bewezen dat Constantijn de werken zelf vóór 330 na Chr. liet starten. Vandaag wordt gesteld, zij het met enige aarzeling, dat de opdracht tot de bouw zou gegeven zijn door een van zijn keizerlijke zonen, Constantijn II (337-340) of Constans I (337-350). De werken waren alleszins voltooid vóór 360, dus tijdens het bewind van de derde zoon van Constantijn, Constantinus II (337-361).

Opgravingen brachten in de vorige eeuw ook een aedicula of tempeltje aan het licht dat omstreeks het jaar 160 werd gebouwd. Dit zou een monument ter herinnering aan Petrus kunnen geweest zijn. Bij de bouw van de eerste Sint-Pietersbasiliek vanaf het begin van de vierde eeuw is men er alleszins van uitgegaan dat zich onder deze aedicula nog een graf bevond. Archeologisch onderzoek heeft echter uitgewezen dat dit niet het geval geweest kan zijn.

Tot 1940 dacht men dat de eerste basiliek gebouwd werd bovenop het circus van Nero, archeologisch onderzoek toonde echter aan dat ze zich deels op maagdelijke grond bevond. Zoals bij de vele andere Romeinse basilieken die boven een begraafplaats uit de oudheid werden gebouwd, was het bouwterrein erg ongelijk.

Constantijn (of zijn zoon), die de basiliek wilde centreren op het graf van Petrus, liet daarom het noordelijk deel van de bestaande necropolis afgraven en de mausolea in het zuiden dichtgooien. Daartoe liet hij ruim 350.000 m³ aarde verplaatsen, dat is een enorme kubus met een zijde van 70 m. Zo ontstond een breed platform waarvan de ondergrond verstevigd werd door nu nog bestaande funderingen.

Volgens de overlevering zou de keizer persoonlijk mee hebben geholpen bij het aanslepen van bouwmaterialen. Of dat klopt is niet meer te achterhalen. Het is historisch wel zeker dat Constantijn opdracht gaf tot de bouw van verschillende Romeinse basilieken die merendeels buiten de stadsmuren lagen, ver van de oude Romeinse tempels en buiten de jurisdictie van de Senaat en de lokale administratie.

Het zijn de San Sebastiano aan de Via Appia, de Sant’ Agnese aan de Via Nomentana, de San Lorenzo aan de Piazzale del Verano, de Santi Marcellino e Pietro aan de Via Labicana en de Sint-Paulus aan de Piazzale San Paolo. Slechts twee basilieken werden opgericht binnen de muren van Rome, al bevonden ze zich wel vlak tegen de stadsmuur en ver buiten het centrum, namelijk de Sint-Jan van Lateranen aan de Piazza di San Giovanni in Laterano en daar vlakbij, de Santa Croce aan de Piazza di Santa Croce in Gerusalemme.

De pausen hadden reeds in de vierde eeuw aanzienlijke grondgebieden rond Rome verworven, het Patrimonium Petri. Ze wisten dit in de vijfde eeuw uit te breiden door in de nadagen van het instortende West-Romeinse Rijk bescherming tegen invallende barbaren te bieden. Deze bezittingen maakten de bisschop van Rome in de zesde eeuw tot een van de grootste grondbezitters in Italië. Door de hervormingen van paus Gregorius I en het overstappen op een centraal bestuur kreeg dit gebied sterker het karakter van een eenheidsstaat, waarop de pausen met een beroep op een door Constantijn de Grote uitgevaardigde oorkonde (de later als vervalsing ontmaskerde Donatio Constantini) aanspraak maakten.

Deze Donatio Constantini (Schenking van Constantijn) is een vervalste Latijnse oorkonde uit de achtste eeuw. Dit stuk wordt ook wel Constitutum Constantini (Besluit van Constantijn) genoemd. Volgens deze oorkonde zou keizer Constantijn de Grote het wereldlijke oppergezag van het Westen hebben overgedragen aan paus Silvester I, als dank voor zijn genezing van lepra. Volgens dezelfde oorkonde zou Constantijn de bisschop van Rome boven de andere bisschoppen hebben gesteld wat betreft het wereldlijk gezag. De Donatio Constantini speelde gedurende de hele middeleeuwen lang een grote rol in de strijd tussen de paus en de vorsten.

Pas in de vijftiende eeuw toonden de Duitse humanist Nicolaas van Cusa (1433) en de Italiaanse humanist Lorenzo Valla (1440) aan, dat het om een vervalsing ging. Desondanks werd dit document door opeenvolgende pausen, onder meer door paus Julius II, ook later nog steeds gebruikt om hun verloren macht op te eisen. De invloedrijke katholieke kerkhistoricus Caesar Baronius erkende begin zeventiende eeuw dat het effectief om een vervalsing ging. Wie destijds opdracht heeft gegeven om dit document te maken, zal waarschijnlijk nooit bekend raken. Het gaat wel om een stukje papier dat vele eeuwen lang zorgde voor heel wat strijd en nijd. Liefhebbers kunnen de tekst van het document hier nalezen.

Rome trekt ballingschap van dichter Ovidius na meer dan 2000 jaar in

Posted in Romenieuws on 22 december 2017 by Eric

De stad Rome heeft na meer dan 2000 jaar de verbanning van de dichter-schrijver Publius Ovidius Naso (43 v. Chr. – 17/18 na Chr.) ingetrokken. Het voorstel om de verbanning van Ovidius ongedaan te maken werd ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorgelegd door M5S, de partij van burgemeester Virginia Raggi en kreeg steun van de andere fracties. Ovidius werd vermoedelijk in 8 na Chr. door keizer Augustus verbannen naar Tomi, de huidige stad Constanta in Roemenië aan de Zwarte Zee, waar hij in 17 of 18 na Chr. ook zou sterven. Ovidius zou op beschuldiging van onzedelijke geschriften uit Rome verjaagd zijn.

Het proces om Ovidius in ere te herstellen werd enkele jaren geleden in gang gezet in zijn geboorteplaats Sulmona. Dit stadje in de Abruzzen op ongeveer 120 km van Rome heette in de oudheid Sulmo en ligt op het punt waar de rivieren Vella en Gizio samenvloeien. Het was één van de belangrijkste steden van de Samnieten die de streek ongeveer 2500 jaar geleden bevolkten. Zes jaar geleden kwam een lokale rechtbank in Sulmona tot de conclusie dat in de zaak-Ovidius alleen de stad Rome, als historische erfgenaam van ‘de Senaat en het Volk van Rome’ bevoegd is om het proces rond de ballingschap te herzien en eventueel in te trekken.

De oude Griekse handelsnederzetting Tomi of Tomis was sinds 29 v. Chr. in Romeinse handen gevallen en bevond zich in de provincie Moesia inferior. De stad genoot vooral bekendheid als de verste uithoek van het Romeinse rijk en werd door vele Romeinen beschouwd als het einde van (hun) wereld. Een verbanning naar Tomi werd in het algemeen nog erger beschouwd dan de doodstraf omdat je niet verder van Rome kon zijn, terwijl je je toch nog altijd in het Rijk bevond.

Eeuwen later herverdeelde keizer Diocletianus de provincie Moesia, met als gevolg dat Tomi nu in Scythia Minor kwam te liggen, waarvan het veruit de grootste stad was. Daarna bezetten de Byzantijnen de stad, vervolgens de Bulgaren, dan de Turken en sinds 1878 de Roemenen. De stad Constanta is vandaag de voornaamste havenstad van Roemenië en werd genoemd naar de zuster van keizer Constantijn I (de Grote) die Constantia heette. De keizer liet de stad naast en gedeeltelijk bouwen op de oude Griekse nederzetting Tomi.

In zijn gedichten spreekt ook Ovidius maar met weinig lof over de stad. Sommigen beweren echter dat hij nooit verbannen is en dat zijn geschriften over en van Tomi enkel zijn fictieve literaire dood verbeelden. Er bestaat inderdaad geen absolute zekerheid dat Ovidius ooit effectief verbannen is. Behalve in zijn eigen geschriften is hierover nooit enige documentatie teruggevonden. Hoewel Ovidius in zijn tijd een beroemdheid was, heeft geen enkele andere tijdgenoot ooi melding gemaakt van zijn verbanning.

Vreemd is ook dat Ovidius als vertrouweling van de keizer een dergelijke zware straf opgelegd kreeg voor een relatief licht vergrijp en dat hij nooit vergiffenis kreeg. Bovendien werd zijn werk nooit gecensureerd of verboden en werden zijn geschriften ook na zijn verbanning nog in Rome uitgegeven. Deze en andere elementen doen sommige geleerden vermoeden dat Ovidius zijn ‘verbanning’ ensceneerde en opzettelijk uit Rome wilde verdwijnen om bij de bevolking belangstelling voor zichzelf en zijn geschriften op te wekken. Zeker is dit allemaal niet.

Volgens het stadsbestuur van Rome wordt met de gratieverlening in ieder geval een vermoedelijk onrecht uit het verleden rechtgezet. Artiesten hebben in alle tijden het fundamentale recht om zich vrij uit te drukken in de maatschappij, zeker nu de artistieke vrijheden wereldzijd steeds meer beperkt worden, motiveert het stadsbestuur de intrekking van de verbanning.

De Romeins dichter Ovidius stamde uit een vermogend riddergeslacht, studeerde retorica in Rome en maakte reizen naar Athene, Sicilië en Klein-Azië. Hij was korte tijd in staatsdienst, maar gaf al spoedig zijn politieke loopbaan op om zich helemaal aan de dichtkunst te wijden. Hij verkeerde in de kringen van Propertius, Macer en Tibullus, maar viel volgens het verhaal in 8 na Chr. in ongenade bij keizer Augustus. Dat stond misschien in verband met de in moreel opzicht slecht geachte invloed van zijn gedichten en/of met een schandaal waarbij ook Augustus’ kleindochter Julia betrokken was. De dichter zou uitgewezen worden naar Tomi, echter met het behoud van zijn burgerrechten en zijn bezittingen.

Ovidius, na Vergilius en Horatius de grootste Latijnse dichter, was een zeer productieve schrijver en een meester in de poëtische techniek. Uit zijn eerste (jeugd)periode komen vooral speelse verzen, waarin de liefde het onderwerp is, zoals in de uit 50 liefdes-elegieën bestaande (gedeeltelijk aan een waarschijnlijk fictieve geliefde, Corinna, gerichte) Amores (omstreeks 16 v. Chr.), en voorts de Ars Amatoria (rond 1 v. Chr.), een handleiding voor de kunst van de vrijage, beide in disticha, een gedicht of een strofe van een gedicht van twee regels.

Het hoogtepunt van zijn dichterschap bereikte hij met de Metamorfosen, die vrijwel voltooid waren in 8 na Chr. De Metamorfosen zijn een episch-mythologisch gedicht dat de geschiedenis van de wereld doorloopt vanaf het begin tot het tijdperk van Julius Caesar. In navolging van Nicander werden in liefst vijftien boeken vanaf de Chaos, het begin der wereld, tot aan de komst van Caesar en Augustus alle sagen opgetekend die een metamorfose tot slot hebben. Dit werk heeft grote invloed gehad in de oudheid en zeker ook na die tijd, vooral in de renaissance. De verhalende stijl, de vindingrijkheid en de levendigheid die zijn poëzie kenmerken, hebben vele generaties schrijvers en dichters beïnvloed en geïnspireerd.

Uit dezelfde periode als de Metamorfosen dateren de Fasti (zes boeken, niet voltooid), een dichterlijke beschrijving van alle feesten van de Romeinse kalender en hun oorsprong, die afgezien van hun poëtische waarde van zeer groot belang zijn voor de kennis van de Romeinse godsdienstgeschiedenis.

Vanuit zijn ballingsoord schreef Ovidius een groot aantal brieven (Epistulae ex Ponto, 12-13 na Chr.) en treurzangen (Tristia, 8-12 na Chr.) met herhaalde verzoeken om terugkeer naar Rome. In deze tijd schreef hij ook nog Helieutica (postuum verschenen), een gedicht over de vissen in de Zwarte Zee, en het schimpdicht Ibis (omstreeks 15 na Chr.). Verloren gingen Ovidius’ tragedie Medea, een Gigantomachia en het gedicht Nux. De werken van Ovidius werden eeuwenlang en tot vandaag regelmatig herdrukt en heruitgegeven, ook in het Nederlands.

Engelse vertaling van de Ars Amatoria

De Latijnse tekst van Boek I, Boek II en Boek III.

De Metamorfosen (Latijn / Nederlands)

Tien jaar Domus Romane in Palazzo Valentini

Posted in Romenieuws on 21 december 2017 by Eric

Precies tien jaar geleden kon Rome voor het eerst kennismaken met een volledig nieuw museumconcept: het publiek kon toen op een verbluffende manier een bezoek brengen aan de Domus Romane, de resten van twee Romeinse villa’s die tijdens werkzaamheden waren ontdekt onder Palazzo Valentini, het administratieve hoofdkwartier van de provincie Rome, vlakbij de Piazza Venezia. Na een lange restauratieperiode besliste men de ondergrondse villa’s te tonen op een manier zoals dit tot dan in Rome nog nooit was gebeurd.

Vandaag tref je in vele musea steeds vaker allerlei multimediatools en technologische snufjes aan, maar toen was het nieuw. De technische adviseurs van het concept, Paco Lanciano en Piero Angela kwamen recent bij elkaar om dat feit even te herdenken. Ook de promotors van het project, de vroegere voorzitters van de provincie Rome, Enrico Gasbarra en Nicola Zingaretti, kwamen even meevieren.

De samenkomst gebeurde bij Welcome to Rome, het jongste digitale project in Rome dat twee maanden geleden werd gelanceerd en waarover we al eerder hebben bericht. Ook deze multimedia-tijdreis door de Romeinse geschiedenis en het verleden van de stad is een initiatief van Paco Lanciano en Piero Angela. Het duo is ook verantwoordelijk voor de avondlijke multimediashows Viaggio nei Fori die van april tot november op het Forum van Julius Caesar en het Forum van Augustus worden opgevoerd.

Enrico Gasbarra haalde herinneringen op aan de ontdekking van de Domus Romane onder Palazzo Valentini. Hij raakte in 2004 tijdens renovatiewerken aan het provinciehuis geïntrigeerd door de kelder van het provinciehuis, die tot dan enkel dienst had gedaan als opslagplaats voor documenten.

Hij stuurde er een paar archeologen op af die na de eerste graafwerken al gauw een dichtgegooide schuilkelder uit de Tweede Wereldoorlog ontdekten. Nog dieper vonden ze de resten van een paar behoorlijk goed bewaarde huizen uit de oudheid. Gasbarra wordt nog steeds lyrisch wanneer hij spreekt over het ongelooflijke gevoel toen de ontdekking voor het eerst aan de Italiaanse pers werd gepresenteerd.

Nochtans bestaan er verslagen uit 1902 die melding maken van sporen uit de oudheid die onder Palazzo Valentini werden aangetroffen. Dat is in Rome natuurlijk eerder regel dan uitzondering en de documenten raakten dan ook, al dan niet gewild, in de vergetelheid. De vondst van de ondergrondse ruïnes was dus puur toeval. De archeologische opgravingen brachten gaandeweg steeds mooiere kamers uit de oudheid aan het licht.

Tijdens de opgravingen ontdekten archeologen onder meer een grote paleiszaal, versierd met marmer en een fantastische kleurrijke mozaïek, die bestaat uit minstens een half miljoen steentjes, afkomstig uit alle hoeken van het Romeinse Rijk. De Romeinse huizen, verspreid over een oppervlakte van zowat 1.800 m², dateren uit de tweede tot de vierde eeuw na Christus en bevatten naast zeer goed bewaarde mozaïeken, ook fraaie marmeren vloeren en portico’s.

Ook werd een frigidarium aangetroffen, een koudwaterbad, dat wellicht een private aftakking was of zelfs deel uitmaakte van het thermencomplex van Trajanus. Andere onderdelen van een Romeins badhuis waren het caldarium (het warme bad) en het tepidarium (bad met lauw water). De recente ontdekkingen onder Palazzo Valentini gaven onderzoekers nieuwe inzichten in hoe dergelijke baden functioneerden.

In de eerste eeuw liet keizer Nero zijn Domus Aurea gedeeltelijk op de Colle Oppio bouwen. Jaren later bouwde keizer Titus een openbaar thermencomplex op de restanten van het paleis, dat reeds eerder door een brand was verwoest. Deze brand vernielde de bovenste verdiepingen, alleen de gewelfde zalen op de begane grond bleven gespaard. Aan het begin van de tweede eeuw bouwde de beroemde architect Apollodorus van Damascus nog iets noordelijker de grote Thermen van Trajanus. De bouw begon in 104 en het complex werd op 22 juni 109 ingewijd.

De restanten van de Domus Aurea werden gedeeltelijk gebruikt als fundering voor de thermen. Om een egaal bouwterrein te verkrijgen, werd dit deel van de heuvel op gelijke hoogte gebracht met de onderste verdiepingen van de Domus Aurea. Zo ontstond een groot kunstmatig platform van 330 bij 340 meter waarop de thermen gebouwd werden. De Thermen van Trajanus werden van water voorzien door twee bronnen. De Aqua Traiana is door Trajanus in 109 gebouwd en bracht water van het Meer van Bracciano naar Rome. De tweede bron was het reservoir dat tegenwoordig bekend staat als de Cisterna delle Sette Sale. Dit bouwwerk is bewaard gebleven en werd oorspronkelijk gevoed door een van de aquaducten die bij de Porta Maggiore de stad binnenkwamen.

De Thermen van Trajanus zijn de oudste waarvan het grondplan nog bekend is. Het waren ook de eerste grote keizerlijke thermen en stonden model voor vier later gebouwde complexen: de Thermen van Caracalla (bijna aan het begin van de Via Appia), de Thermen van Decius (Aventijn), de Thermen van Diocletianus (Viminaal) en de Thermen van Constantijn (Quirinaal). Archeologen vermoeden dat het complex toebehoorde aan een rijke en nobele Romeinse familie, wellicht een rechter of een senator. In de woningen bevonden zich ook bibliotheken, keukens en stallen. Er zijn tevens stukken basalt van een Romeinse weg te zien. Eén van de villa’s werd abrupt verlaten na een brand in de vijfde eeuw.

Nadat het opgravings- en restauratiewerk werd afgerond, opende hier een permanente tentoonstelling die in de fraaie archeologische zone zelf werd opgebouwd.Een driedimensionale reconstructie, grafische effecten en filmpjes, samengesteld en ontworpen door kunsthistorici, architecten en archeologen, gecoördineerd door Paco Lanciani en Piero Angela, laten de bezoekers van het ondergrondse complex onder meer zien hoe Romeins metselwerk ontstond en toveren de verdwenen colonnades, badzalen, de woonkamers, het decor, de keukens en de meubels opnieuw tevoorschijn.

De bezoekers maken als het ware een virtuele reis doorheen de voormalige luxueuze Romeinse residenties in het hart van het historische centrum. Doorheen glazen vloeren waarop je kan wandelen zie je de ruïnes van de vroegere huizen, die in semi-duisternis gehuld blijven en waarvan sommige details door opvallende kleuren worden belicht.

Palazzo Valentini biedt sinds 1870 onderdak aan de provinciale administratie van Rome. Het gebouw dateert uit de zestiende eeuw en werd in 1585 opgericht in opdracht van kardinaal Michele Bonelli. Het gebouw bleef lange tijd in handen van de familie Bonelli maar werd in de zeventiende eeuw gedeeltelijk afgebroken en heropgebouwd door Francesco Peparelli in opdracht van de nieuwe eigenaar, kardinaal Renato Imperiali.

In die tijd werd ook de basis gelegd van een grote bibliotheek die uiteindelijk ruim 24.000 boeken zou tellen. Vanaf het begin van de achttiende eeuw werd het pand regelmatig voor korte of langere periodes verhuurd, meestal aan prominente figuren zoals markies Francesco Maria Ruspoli, die hier verbleef van 1705 tot 1713. Ook bekende muzikanten zoals Georg Friedrich Händel, Alessandro Scarlatti en Arcangelo Corelli vonden hier gastvrijheid.

Het gebouw werd in 1752 gekocht door kardinaal Giuseppe Spinelli, die de bibliotheek op de begane grond openstelde voor het publiek. Onder meer de bekende Duitse archeoloog en kunstcriticus Johann Joachim Winckelmann (1717-1768) heeft vaak dankbaar gebruik gemaakt van de enorme informatiebronnen van deze bibliotheek. In 1827 kocht de Pruisische bankier en consul-generaal Vincenzo Valentini het gebouw, vestigde er zijn woning en gaf het zijn naam.

De toegang tot de archeologische site Domus Romane in Palazzo Valentini kon je vroeger via de hoofdingang aan de Via IV Novembre 119/A bereiken, maar bevindt zich tegenwoordig aan de Via Foro Traiano 85, vlak tegenover de zuil van Trajanus. Het bezoek aan de ondergrondse Romeinse woningen duurt een uur en eindigt met een grote 3D-reconstructie van de Romeinse periode en de verschillende stadia die Palazzo Valentini doormaakte, waardoor de bezoeker de diverse historische lagen kan plaatsen in de huidige stedelijke context. De ondergrondse site vormt een mooi voorbeeld van hoe een uniek en waardevol stukje erfgoed uit de oudheid, na zorgvuldige restauratie, een meerwaarde krijgt door het gebruik van nieuwe technologie.

Na je bezoek is het zeker een aanrader een streekwijntje of een streekproduct uit Lazio te proeven in Terre e Domus, de enoteca en het restaurant die zich hier vlakbij in hetzelfde gebouw bevindt, aan de Via Foro Traiano 82. Het is een mooie manier om je vanuit de oudheid meteen weer onder te dompelen in de realiteit van het hedendaagse en lekkere Rome.

Reserveren voor een bezoek aan de Domus Romane is niet verplicht maar wordt sterk aangeraden omdat het aantal mensen dat tegelijk naar binnen mag om veiligheidsredenen behoorlijk beperkt is. Best koop je ook je tickets vooraf. Je kan dat ter plaatse doen (met het risico dat de door jou gewenste dag of het uur niet meer beschikbaar zijn), maar ook online.

Domus Romane di Palazzo Valentini
Via Foro Traiano 85, Rome
www.palazzovalentini.it

Praktische informatie en tickets online

Romeinse glasbakken worden kunstobjecten

Posted in Romenieuws on 21 december 2017 by Eric

De glasbollen in de wijk Centocelle in Rome zien er sinds kort een heel stuk fleuriger uit. Je kan je glasafval nu kwijt in de buik van Darth Vader of Spider-Man. Meer dan twintig streetart-kunstenaars die in Rome actief zijn kregen de vraag om in de wijk een veertigtal glasbollen te verfraaien. Dat leverde allerlei grappige en soms bizarre taferelen op, gaande van bekende filmfiguren tot een gigantische slang of andere visuele grapjes. Kinderen zijn alvast dol op dit kunstproject in openlucht. Het project wordt binnenkort geëvalueerd en krijgt wellicht navolging in andere stadswijken.