Archive for 11 januari 2018

De urnenkamer van de keizerlijke familie

11 januari 2018

We bevinden ons nu al enkele dagen in de Engelenburcht (het Castel Sant’Angelo, kwamen te weten hoe dit imposante gebouw aan zijn naam kwam en leerden gisteren dat hier zelfs pausen werden vermoord. In opdracht van een vrouw nog wel. Het diepste gedeelte van de Engelenburcht, bereikbaar via de dalende ingangsweg die men weleens de vestibule noemt, is nog steeds die van het complex uit de tweede eeuw: deze weg brengt ons diep in het hart van het ronde deel van het originele mausoleum van Hadrianus. Hierlangs kwam destijds ook de begrafenisstoet van de keizers. Op het einde van deze vestibule bevindt zich een nis waarin ooit het beeld van Hadrianus stond.

Op het einde van de vestibule, begint rechts de oorspronkelijke, schuin oplopende 125 m lange spiraalvormige opgang naar de grafkamer van Hadrianus. De wanden waren tijdens de oudheid bekleed met marmer, het plafond met stucwerk en de vloer geplaveid met zwart-wit mozaïek, waarvan enkele fragmenten bewaard bleven (te bekijken, maar met hekken afgezet). De ventilatie gebeurde door middel van de vier luchtkokers die je tijdens je wandeling zal zien. De vierde en laatste koker, aan het einde van de spiraal, is een bijzondere. Deze is afgezet met travertijn en bedekt met een rooster. Deze koker werd vanaf 1734 gebruikt voor de installatie van een zeer rudimentaire lift.

In verschillende gidsen en boeken over Rome wordt beweerd dat die lift er kwam ten behoeve van de gehandicapte en zeer zware paus Leo X (1513-1521), maar dat is niet correct. De lift was oorspronkelijk bedoeld voor de commandant van de burcht en bestond uit een soort zetel die met koorden omhoog getrokken werd. De primitieve lift werd bij latere gelegenheden natuurlijk ook gebruikt door verschillende opeenvolgende pausen die, als ze het konden vermijden, liever niet wandelden, maar zich lieten verplaatsen in draagstoelen en koetsen. Een lift die hen tot in hun residentie bracht, was uiteraard een bonus.

Op het einde van de stijgende spiraal vinden we links de rechte ‘rampa diametrale di Alessandro VI’ hier gekend als de cordonata, een oplopende trap die diametraal door het mausoleum loopt. Naar rechts (dus tegenover het begin van de trap) bevindt zich de huidige uitgang van de Engelenburcht. Deze uitgang vormde gedurende vele eeuwen de enige toegang tot de Engelenburcht omdat de antieke spiraalweg pas in 1823 werd ontdekt. Ook dit is een feit dat vele bezoekers niet beseffen.

Ongeveer halfweg de voormelde cordonata, stap je door een houten poort waarachter zich de oorspronkelijke urnenkamer bevindt. Op die plaats is de trap overgegaan in een licht stijgende loopbrug. Tot 1822 bevond zich hier een ophaalbrug zodat de paus en het garnizoen zich van de buitenwereld konden afschermen. Destijds bevond zich hier boven ons hoofd een reservoir dat gevuld kon worden met kokende olie (er was steeds een reserve van 22.000 liter olijfolie aanwezig in deze ‘oleria’).

De vierkante urnenkamer, 8 m bij 8 m, is de essentie van het mausoleum van Hadrianus. In drie van de vier wanden zien we de nissen waar de gouden urnen stonden. Hier bevond zich ook de as van Vibia Sabina (overleden in 136), de vrouw van Hadrianus en deze van hun geadopteerde zoon Lucius Ceionus Commodus (niet te verwarren met de latere keizer Commodus, de zoon van Marcus Aurelius).

De geadopteerde zoon van Hadrianus was bestemd als zijn opvolger en kreeg de naam Lucius Aelius Verus Caesar. Hij werd geboren rond 102 als telg van een oude eerbiedwaardige Etruskische familie. De man had echter een zwakke gezondheid en overleed in 138. Uiteindelijk zou Antoninus Pius de nieuwe keizer worden.

Sabina was een dochter van Matidia, een nicht van keizer Trajanus, die zelf geen kinderen had. Het politieke huwelijk met Hadrianus werd gearrangeerd door Pompeia Plotina, de echtgenote van Trajanus. Het huwelijk vond plaats in 100, waardoor Hadrianus’ positie als opvolger versterkt werd.

Het werd echter een ongelukkig huwelijk. Zij begeleidde haar man wel op zijn zeer talrijke reizen door de Romeinse provincies, maar Hadrianus besteedde weinig aandacht aan haar en toonde zelfs openlijk meer belangstelling voor andere getrouwde vrouwen en jonge mannen zoals de knappe jongeling Antinoüs. Het huwelijk van Hadrianus met Sabina bleef ook kinderloos.

Als gevolg van Hadrianus’ gebrek aan belangstelling begon Sabina aan een reeks overspelige avonturen, die echter niet werden geduld door de keizerlijke entourage. Zo werd Septicius Clarus, de baas van de Praetoriaanse garde, als gevolg van te intieme relaties met de keizerin de laan uitgestuurd. Ook de historicus Suetonius zou de gunsten van Sabina wel hebben gewaardeerd. Hem werd uiteindelijk de toegang tot de keizerlijke archieven verboden, een relatief milde straf, maar eentje waar hij als geschiedkundige vorser niet mee kon lachen.

De dood van Sabina in 136 werd vanaf het begin in twijfel getrokken en het is mogelijk dat Hadrianus haar heeft vergiftigd (of laten vergiftigen), zoals de geruchten in die tijd gingen, of dat zij zelfmoord heeft gepleegd. Dat zou in dit laatste geval een schande geweest zijn, en een feit dat in deze periode zeker niet publiek zou worden gemaakt.

In deze grafkamer stonden in de oudheid de urnen van acht keizers: Hadrianus (117-138), Antoninus Pius (138-161), Marcus Aurelius (161-180), Lucius Verus (161-169), Commodus (180-192), Pertifax (193), Didius Julianus (193) en Septimus Severus (193-211).

Julia Domna, de Syrische vrouw van Septimus Severus, die zelfmoord pleegde na de moord op haar zoon Caracalla, werd om onduidelijke redenen eerst bijgezet in het mausoleum van Augustus, later werd haar urne overgebracht naar het mausoleum van Hadrianus. Toen de Goten in augustus 410 Rome plunderden, zouden ze uit het mausoleum alle urnen geroofd hebben. Ze zijn in ieder geval nooit meer teruggevonden.

De urnenkamer toont enkel nog de naakte travertijnblokken met enkele resten van de verdwenen marmeren bekleding (let op de hechtingsgaten). En waar stond de urne, bijgezet in een grote sarcofaag, van de bouwheer Hadrianus? Dat weten we niet met zekerheid, maar wellicht bevond die zich in het cilindervormige tempeltje bovenop het mausoleum. Hadrianus stierf in zijn villa in Baiae, en werd eerst in Pozzuoli begraven, maar later herbegraven in zijn toen nog onvoltooide mausoleum.

Na voltooiing van zijn grafmonument werd hij door zijn opvolger, Antoninus Pius, gecremeerd en bijgezet, samen met de urne van Sabina en zijn adoptiefzoon Lucinus. De porfieren sarcofaag waarin zich de urne van Hadrianus bevond bleef lange tijd bewaard maar werd weggehaald door paus Innocentius II (1130-1143) om in de Sint-Jan van Lateranen (San Giovanni in Laterano) als zijn tombe dienst te doen. Helaas werd deze grafkist bij een brand in 1360 vernield.

De Latijnse tekst die in de linker nis aangebracht is, werd door Hadrianus op zijn sterfbed geschreven. De keizer richtte zich als volgt tot zijn ziel ‘kleine ziel, tere en zwevende ziel, gezel van mijn lichaam dat je gastheer was, je gaat nederdalen in bleke, harde en naakte oorden, waar je moet afzien van de spelen van weleer’.

Oorspronkelijk had de muur tegenover de ingang van de urnenkamer geen doorgang, de cordonata eindigde dus op deze plaats. Het was Bonifacius IX (1389-1404) die de muur openbrak om de hogere delen van het complex te kunnen bereiken en uit te bouwen. Je kan tegenwoordig verder klimmen tot aan een overloop met een rond venster. Hier draaide de trap van Bonifacius naar rechts.

De Farnesepaus Paulus III (1534-1549) sloot dit deel echter af en liet een doorsteek naar links maken, die na nog twee reeksen trappen toegang geeft tot de pittoreske cortile dell’ Angelo (of cortile d’Onore), zo genoemd naar de eerste marmeren engel uitgevoerd door Raffaello da Montelupo (1505-1566) die zich hier bevindt.