Archive for februari, 2018

De thermen van Agrippa, Nero, Titus en Trajanus in Rome

28 februari 2018

Voordat keizer Caracalla zijn beroemde thermen bouwde, waren hem menige keizers voorgegaan. De keizers bouwden deze badhuizen en thermen voor het volk, zij zouden er immers gebruik van maken. De eerste keizerlijke thermen, de thermen van Agrippa, werden onder keizer Augustus gebouwd. Deze werden echter voor privégebruik gerealiseerd. Dit complex had nog geen eigen sportfaciliteiten, maar er kon wel gesport worden op het naastgelegen Marsveld. De resten ervan zie je nog altijd in het Romeinse straatbeeld, onder meer in de Via dell’Arco della Ciambella.

De achterkleinzoon van Agrippa, Nero, bouwde later zijn badhuis aan de thermen van Agrippa, waardoor dit één groot complex werd. De thermen van Nero hebben de standaard gezet voor de latere klassieke keizerlijke thermen. Deze standaard werd bijvoorbeeld gekenmerkt door het symmetrische grondplan van de thermen. Deze standaard is ook toegepast bij de Thermen van Trajanus (Thermae Traiani). Tijdens de regering van de keizers Trajanus en Hadrianus werden de meeste badhuizen gebouwd. In deze periode was het Romeinse Rijk op zijn grootst en zeer welvarend. De thermen van Caracalla waren na de thermen van Trajanus de eerstvolgende keizerlijke thermen. Vanaf Hadrianus waren zoals eerder verteld gescheiden baden voor mannen en vrouwen voorgeschreven.

De meeste Romeinse burgers hadden geen eigen badkamer, het was te duur om het water te verwarmen, en de watertoevoer was problematisch. Tijdens de tweede eeuw v. Chr. ontstonden de eerste privé-initiatieven om beperkte openbare badhuizen op te richten. In 33 v. Chr. telde Rome reeds 170 van dergelijke instellingen. Je moest betalen voor het gebruik, al waren ze meestal ranzig of ronduit smerig. Het zal één van de redenen geweest zijn waarom de imposante keizerlijke badcomplexen die daarna werden gebouwd ongekend populair werden. Bovendien waren deze thermen van een geheel andere orde, ze waren niet alleen enorm en groots, je kon er ook terecht voor meer dan alleen maar een bad.

Het eerste grote complex dat werd gebouwd waren de voormelde Thermen van Agrippa (aangelegd tussen 25-19 v. Chr.) die vlakbij het Pantheon gelegen waren. Er was onder andere een laconium of droog zweetbad, dat rijkelijk versierd was met kunstwerken. De fontein op de Piazza della Rotonda levert vandaag nog altijd water van het oorspronkelijke aqua vergine dat Agrippa (61-12 v. Chr.), de schoonzoon maar ook de vriend en raadsman van keizer Augustus, liet aanleggen om zijn thermen van water te voorzien.

In 63 verrezen wat verderop, naast de huidige Piazza della Rotonda in de richting van de Campus Martius (tot aan de huidige Corso Rinascimento) de Thermen van Nero. Als je vanaf de Piazza della Rotonda kijkt in de richting van het Pantheon, vormen de huizen rechts van het plein ruwweg de oostelijke zijmuur van de verdwenen thermen van Nero. Deze thermen waren de eerste baden die werden gebouwd na deze van Agrippa, ze waren merkelijk groter (190 m bij 120 m) en hadden bij de bevolking meteen een enorm succes.

De dichter Marcus Valerius Martialis (40-102 na Chr.) schreef: ‘Wat was er erger dan Nero? Maar wat was er beter dan de thermen van Nero?’. Minder gelukkig was de filosoof Lucius Annaeus Seneca (5-65 na Chr.) die net tegenover het complex woonde. In één van de brieven aan zijn vriend Lucilius klaagt hij over het oorverdovende lawaai:  ‘Ik verdraag het niet meer. Door die drukte heb ik spijt oren te hebben’. In dezelfde brief schrijft hij nog:  ‘Degenen die de gewoontes aan het begin van onze geschiedenis hebben bestudeerd, zeggen dat de mensen toen dagelijks hun armen en benen wasten maar hun hele lichaam slechts driemaal in de maand’.

Hoewel de thermen van Agrippa bijzonder functioneel waren, had de architect van Nero toch enkele veranderingen aangebracht in het algemene oorspronkelijke ontwerp van wat een badplaats moest omvatten, waardoor het frigidarium zich in het midden aan de noordkant bevond en het tepidarium met lauw bad tussen het frigidarium en het caldarium. Er was een overdekt gymnasium, voor zover bekend de eerste en dus oudste permanente sportruimte in Rome.

Nadat de bliksem insloeg en er brand ontstond in de Thermen van Nero werden ze hersteld, net vóór de catastrofale stadsbrand van 64 na Chr. die een aanzienlijk deel van Rome verwoestte maar de baden ongemoeid liet. De laatste keizer van de Severi, Alexander Severus (222-235), herbouwde de thermen van Nero, waardoor ze ook weleens de Thermen van Alexander Severus worden genoemd.

Van dit thermencomplex is vandaag vrijwel alles verdwenen, behalve twee granieten zuilen die in de zeventiende eeuw door paus Alexander VII – Fabio Chigi (1599-1667) gebruikt werden om de linkerzijde van de porticus van het Pantheon te herstellen. Omstreeks 1950 ontdekte men nogmaals twee grote originele zuilen uit het door Alexander Severus gerenoveerde thermencomplex van Nero. Deze werden geplaatst in de Via di Sant’Eustachio, dat is de eerste straat links als je vanaf het Pantheon de Salita dei Crescenzi inwandelt. Deze zuilen staan tegen een lange muur, die de rechter zijmuur vormt van de Sant’ Eustachiokerk.

De thermen van Titus (gebouwd tussen 78-81) bevinden zich naast de resten van het Domus Aurea, het Gouden Huis van keizer Nero. Momenteel zijn er opgravingen aan de gang. De resultaten van die campagne worden tegen eind dit jaar of begin volgend jaar verwacht. Nero had immers niet lang kunnen genieten van zijn Domus Aurea, want al in 68 pleegde hij op dertigjarige leeftijd zelfmoord, bijgestaan door zijn vrijgemaakte slaaf Epafroditus.

Korte tijd later liet Vespasianus, de eerste keizer der Flavii het Domus Aurea gedeeltelijk afbreken en op de plek van een van de vijvers het Colosseum oprichten. Zijn zoon Titus bouwde omstreeks het jaar 80 zijn thermen eveneens op het terrein en woonde in een gedeelte van het huis. Het is bekend dat Titus de thermen snel heeft laten bouwen, waardoor wordt vermoed dat hij de thermale faciliteiten van Nero’s Domus Aurea heeft getransformeerd en gemoderniseerd. De Flavische keizers voerden een politiek waarbij, te beginnen met de bouw van het Colosseum, het Romeinse volk de door Nero onteigende grond terugkreeg.

Er is weinig overgebleven van de Thermen van Titus hoewel het ontwerp aan de hand van verschillende tekeningen van de Italiaanse architect, theoreticus en publicist Andrea Palladio (1508-1580), gereconstrueerd kan worden. Palladio, die eigenlijk Andrea di Pietro heette, maakte me zijn ‘L’antichità di Roma raccolta brevemente dagli autori antichi e moderni’ (uitgegeven in 1554) een diepgaande studie van de klassieke architectuur, later deed hij hetzelfde met de werken uit de hoogrenaissance. Hij beïnvloedde zowel door zijn bouwwerken als door zijn geschriften de verdere ontwikkeling van de Europese bouwkunst. Enkele gebruiksvoorwerpen uit de Thermen van Titus bleven wel bewaard, zoals de mooie porfieren badkuip, die zich vandaag in de Vaticaanse Musea bevindt.

Nadat de rest van het Domus Aurea in 104 door een brand was verwoest, liet Trajanus op de resten van het complex door zijn architect Apollodorus van Damascus zijn thermen bouwen. Apollodorus was de officiële architect van keizer Trajanus. Van zijn civiele bouwwerken is het grootse complex van het Forum van Trajanus in Rome een bekend voorbeeld, van de militaire de (resten van de) brug over de Donau bij Debrecen (in Hongarije). Mogelijk had hij ook de hand in het ontwerp van de reliëfs van de Trajanuszuil in Rome.

Trajanus liet alles wat na de brand nog resteerde van Nero’s paleis met de grond gelijkmaken en de rest volstorten. Daarop werd het thermencomplex van Trajanus gebouwd (250 m bij 210 m) dat op 22 juni 109 werd ingewijd. Later heeft zijn opvolger Hadrianus in 121 alle nog zichtbare sporen van het Domus Aurea vernietigd toen hij op de plaats van de vestibule de tempel van Venus en Roma liet oprichten. Van de grandioze Domus Aurea is archeologisch eigenlijk alleen nog dat gedeelte bewaard gebleven waar de thermen van Trajanus overheen werden gebouwd.

De Thermen van Trajanus werden reeds op een andere manier gebouwd en waren gebaseerd op het vinden van een betere positie ten opzichte van de zon. Dezelfde oplossing werd later gebruikt in de thermen van Caracalla, Diocletianus en Decius. De thermen van Trajanus vormden het eerste voorbeeld van een thermaal complex dat werd gebouwd volgens een ontwerp dat kenmerkend zou worden voor alle latere grote thermale faciliteiten. Eromheen bevond een grote ommuring die het gebied afscheidde en een groot parkgebied creëerde. Binnen was een centraal gebouw met vertrekken die symmetrisch rond een as waren gelegen.

Van het waterreservoir voor de baden, dat 8 miljoen liter kon bevatten, blijven vandaag enkel nog schaarse resten in de Via delle Terme di Traiano. De ruïnes worden de ‘sette sale’ genoemd alhoewel ze uit negen vertrekken bestonden. Vandaag is het een soort monumentale gevel met ronde en rechte nissen. Deze ruimte kan bij bepaalde gelegenheden worden bezocht, je bereikt het monument langs een steile trap die een aanzienlijk stuk onder het straatniveau leidt. Alhoewel er behalve de ‘sette sale’ eigenlijk niets noemenswaardig te zien is, is de weergalm in de citernes een leuke ervaring. Tijdens de middeleeuwen was deze omgeving praktisch verlaten. In de resten van de citerne ontdekte men zelfs graven die dateerden van het jaar 1000. In 1257 werd het bovendeel van het reservoir grotendeels afgebroken.

Ruim een eeuw na Trajanus volgde de bouw van de Thermen van Caracalla (211-216) en nog enkele decennia later werden de gigantische Thermen van Diocletianus (298-306) gerealiseerd ter hoogte van het huidige spoorwegstation Termini. De naam ‘termini’ verwijst overigens niet naar ‘einde’ of ‘eindstation’, maar naar deze thermen die een oppervlakte besloegen van zowat 13 ha.

De thermencomplexen van de Romeinen

27 februari 2018

We brachten recent een nieuwsje over de Thermen van Caracalla. De soms reusachtige thermencomplexen van de Romeinen, in Rome maar ook elders in het rijk, wekken vandaag nog steeds bewondering op. Ook het technische vernuft dat voor het functioneren van een dergelijk badcomplex werd ingezet blijft verbazen.

We gaan de komende dagen een beetje dieper in op (de resten van) enkele bekende thermen die nog in Rome te vinden zijn, met natuurlijk bijzondere aandacht voor de Thermen van Caracalla. Over de Thermen van Diocletianus brachten we vorig jaar al een uitgebreide reeks. De vele kleinere thermen die in (de omgeving van) Rome en Ostia (Antica) werden teruggevonden laten we buiten beschouwing.

Het Latijnse ‘thermae’ is ontleend aan het Griekse ‘thermos’, warm. De eerste openbare baden of thermen in Rome werden gebouwd tussen het einde van de derde eeuw v. Chr. en het begin van de tweede eeuw v. Chr. Tot dan werden enkel in de rijkere woningen baden aangelegd, de lavatrina. Met de openbare thermen kreeg elke Romein de mogelijkheid om meestal gratis, goed uitgeruste faciliteiten te gebruiken, niet enkel voor de dagelijkse wasbeurt maar ook voor een volledige lichaamsverzorging.

Hoewel de badhuizen of ‘thermae’ en de gymnastiekvoorzieningen of ‘palaestrae’ Griekse namen droegen en van Griekse oorsprong waren, waren het de Romeinen die op het idee kwamen om beide samen te voegen en ze met bibliotheken en kunstgalerijen uit te breiden en het geheel open te stellen voor het publiek. De Romeinse thermen werden bezocht door mensen van alle leeftijden en klassen.

De rijken kwamen met hun gevolg en bedreven hier een deel van hun politieke activiteiten, ze ontvingen klanten en sloten contracten af. Er waren ook ruimtes waar men kon wandelen, muziek beluisteren, voorstellingen bijwonen, eten, lezen en kunstwerken bewonderen. In ‘Marvels of Ancient Rome’ uit 1955 omschrijft Margaret R. Scherer ze als ‘reusachtige Engelse clubs’.

Aanvankelijk maakten mannen en vrouwen gelijktijdig gebruik van de instelling. In enkele regeerperiodes werd die gewoonte door sommige keizers een tijdlang verboden. Ook de Romeinse redenaar en schrijver Marcus Fabius Quintiliaus (35-96 na Chr.) beklaagde zich in zijn tijd over dat gemengde baden. Vanaf Hadrianus waren gescheiden baden voor mannen en vrouwen de algemene norm. De vrouwen baadden dan vóór de mannen, wel kon men in de palaestrae samen aan lichaamsbeweging doen. Deze spelen en oefeningen, bestaande uit allerlei spelletjes met ballen en hoepels gingen gewoonlijk aan het baden vooraf.

De thermen kenden ook kwalijke bijverschijnselen zoals diefstal, seksuele uitspattingen en zelfs moord, maar de Romeinen vonden de baden in de thermen bijzonder fijn. Op de muren in Pompeï kraste iemand ‘balnea, vina, Venus corrumpunt corpora nostra, sed vitam faciunt balnea, vina, Venus’, de baden, de wijn en de liefde slopen ons lichaam, maar de baden, de wijn en de liefde maken het leven.

Volgens de overtuiging van de bekende Britse historicus Edward Gibbon (1737-1794) die beroemd werd door zijn vandaag nog altijd lezenswaardige epos ‘History of the decline and fall of the Roman Empire’ dat bovendien nog steeds in het Nederlands verkrijgbaar is, waren de thermen één van de oorzaken van de ‘neergang en de val van het Romeinse rijk’.

Maar de evenzeer bekende Franse historicus Jerôme Carcopino (1881-1970), die vooral naam maakte met zijn studie over het dagelijkse leven in Rome (La vie quotidienne à Rome, uitgegeven in 1939, in het Nederlands vertaald als Het dagelijks leven in het oude Rome), schrijft dan weer dat ‘de thermen in Rome sterk bijdroegen tot het welzijn van de bevolking’.

De Romeinse badinrichtingen, zowel particuliere als openbare, waren ontstaan uit hygiënische overwegingen. Hoewel het ontwerp, de functionaliteit en de algemene binnenhuisarchitectuur van de thermen in de loop der eeuwen zou worden aangepast, bestond een Romeinse badinrichting vanaf het begin uit een typische geleding in drieën: er waren opeenvolgende baden in koud, lauw en warm water. De respectievelijke namen van deze ruimtes waren het frigidarium, het tepidarium en het caldarium.

Soms werd er een zweetbad of laconicum aan toegevoegd, de voorloper van de hedendaagse sauna. De verwarming gebeurde met hete lucht onder de vloer (hypocaustum) of soms achter de wanden. Bij de openbare badinrichtingen werd deze kern uitgebreid met club- en vergaderlokalen, sportvelden (palaestra), een bibliotheek, enz. De grotere thermen in latere eeuwen hadden immers tevens de functie van sociëteit en cultureel centrum.

De grote openbare thermen met hun koepels en gewelven, hun mozaïekvloeren en -wanden behoren tot de belangrijkste creaties van de Romeinse architectuur. Het gebruik van thermen breidde zich overigens uit in het gehele westen van het Romeinse Rijk. In vele steden zijn vandaag nog altijd indrukwekkende restanten te zien van Romeinse thermencomplexen. Zo zijn er bv. de keizerthermen in Trier (vierde eeuw), de overblijfselen van de thermen van Bath (eerste eeuw) en Parijs (tweede eeuw). In Nederland zijn in Heerlen bescheidener thermen opgegraven (eerste/tweede eeuw), vandaag zijn deze geïntegreerd in het Thermenmuseum.

Rome wil alle dieselauto’s vanaf 2024 weg uit centrum

27 februari 2018

Virginia Raggi, de burgemeester van Rome, maakte vandaag bekend dat vanaf 2024 alle dieselwagens uit het stadscentrum worden gebannen. Raggi kreeg gisteren nog forse kritiek op haar afwezigheid terwijl zich in Rome door de zeldzame maar aanzienlijke sneeuwval chaotische taferelen afspeelden en de hulpdiensten niet opgewassen bleken tegen het noodweer.

Het feit dat Raggi zich tijdens de forse sneeuwbui die Rome een tijdlang liet stil vallen toevallig in Mexico bevond, notabene op een klimaatconferentie, vormde voor de oppositie en politieke tegenstanders een gedroomde kans om forse kritiek te spuien op de burgemeester. Raggi keerde onmiddellijk terug naar Rome. Ongetwijfeld als bliksemafleider lanceerde ze meteen het plan om binnen enkele jaren alle dieselauto’s te weren uit de binnenstad.

We moeten snel optreden tegen klimaatverandering en de moed hebben om lastige maatregelen te nemen, verklaarde de burgemeester. Het idee om dieselwagens stilaan af te voeren is uiteraard niet nieuw, een aantal andere grote steden hebben dezelfde plannen. Milieu-organisatie Greenpeace verklaarde eerder dat de uitstoot van stikstofdioxide in Italië meer dan 17.000 vroegtijdige overlijdens per jaar veroorzaakt.

Ook vandaag waren er in Rome door de gevolgen van de sneeuwbui nog heel wat problemen. Vooral het treinverkeer in de regio ondervond flinke hinder. Onder meer de Leonardo Express-trein, die de luchthaven van Fiumicino met het Terministation verbindt, werd afgeschaft.  De scholen gaan morgen weer open. Het Forum Romanum en de Palatijn blijven evenals de Thermen van Caracalla in principe nog een dag gesloten. In het Colosseum kunnen morgen wellicht de eerste twee ringen worden bezocht. De bovenste delen en de kelderverdieping blijven tot nader order dicht.

 

Archeologische sites dicht door sneeuwval in Rome

26 februari 2018

Het heeft vannacht gesneeuwd in Rome. Vanochtend lag er in de Romeinse straten en op de pleinen een sneeuwlaagje van 5 tot 10 cm. Dat is uitzonderlijk in Rome: het is van 2012 geleden dat het nog zo fel sneeuwde.  De ergste sneeuwval waarmee Rome de voorbije decennia te maken kreeg was in 1986, maar die bleef toen amper een dag liggen. Voor toeristen vormen dergelijke gebeurtenissen een unieke kans om zichzelf te fotograferen met wereldberoemde maar ditmaal besneeuwde monumenten.

De actuele sneeuwval werd werd verwacht en gisteren reeds aangekondigd. Er werd een speciale verordening uitgestuurd, waardoor onder meer de scholen, parken en begraafplaatsen vandaag dicht bleven. Uit veiligheidsoverwegingen werden vandaag ook het Colosseum, de Palatijn en het Forum Romanum gesloten. Of de scholen en de voormelde archeologische sites ook morgen dichtblijven is nog niet bekend.

Ook het openbaar vervoer in Rome ondervindt hinder van het winterweer. Bussen rijden met vertraging en heel wat voertuigen reden zelfs niet uit. Vervoersmaatschappij ATAC meldt dat ongeveer 480 bussen uitreden, anders rijden er gemiddeld 1.300 rond in Rome. Het spoorverkeer in Rome en de omliggende gebieden kampt met heel wat vertragingen. Een aantal vluchten op de luchthaven Leonardo da Vinci in Fiumicino liepen vertraging op. Start- en landingsbanen moesten sneeuwvrij worden gemaakt. Enkele vluchten werden geannuleerd.

Ook het autoverkeer verloopt ongemakkelijk, op sommige plaatsen werden omgevallen bomen gemeld. Rome beschikt niet over sneeuwruimmachines of zoutstrooiers en is dus amper voorbereid op sneeuwval. Militairen en de civiele bescherming werden ingezet om waar nodig te helpen met het opruimen van de sneeuw. Burgemeester Virginia Raggi is niet in Rome. Zij bevindt zich momenteel in Mexico op een… klimaatconferentie.

Virtuele realiteit in de Thermen van Caracalla

25 februari 2018

De introductie van multimedia- en 3D-technologie in verschillende Romeinse musea en archeologische sites gaat onverminderd voort. Nu kan je ook de Thermen van Caracalla bezoeken zoals de Romeinen deze destijds hebben gezien. Bezoekers keren als het ware terug in de tijd en zien door het gebruik van een speciale viewer voor hun ogen de (vandaag nog altijd indrukwekkende) ruïnes veranderen in het reusachtige Romeinse badhuis van weleer, compleet met alle pracht en praal van de oudheid. Het is niet de eerste maar tot nog toe wel de grootste archeologische site in Italië die volledig in 3D werd gereconstrueerd.

Om precies te zijn komen bezoekers terecht in de situatie zoals ze was in het jaar 216, toen de Thermen van Caracalla pas in gebruik waren genomen. Je wandelt door de fraaie en kostbaar aangeklede badruimtes, bedekt met glanzende marmeren vloeren. Fonteinen zorgen voor de bevoorrading van het immense frigidarium (het koudwaterbad), een ruimte waar het plafond tot vijftig meter hoog reikt. Ook de spectaculaire decoratie, met standbeelden, balustrades, mozaïeken en fraaie pilaren worden nauwgezet weergegeven.

De thermen van Caracalla waren rijk gedecoreerd. Veel muren waren bekleed met marmer, mozaïeken of geschilderde stucco. Twee derde van de vloer was bedekt met vloermozaïeken. Er zouden zeer veel sculpturen geweest zijn, want naast heel wat vrijstaande beelden waren de 108 nissen vermoedelijk gevuld met sculpturen. De vloeren van de vier hoofdruimtes, die op de centrale as van het gebouw liggen, waren bedekt met marmer. De mozaïeken (uitgevoerd in zwart-wit of in kleur) waren voornamelijk geometrisch.

Met een oppervlakte van ongeveer 11 ha was dit het grootste thermencomplex dat tot dan toe was gebouwd. Het bood plaats aan ongeveer 2.500 gasten waarvan er zo’n 1.600 tegelijk konden baden. Door het gebruik van de virtuele beelden krijgt het publiek sinds kort de unieke kans om de verschillende ruimtes veel beter te interpreteren en te begrijpen. Wie niets van de structuur van de thermen kent of geen verklarend boekje bij de hand heeft, loopt meestal zomaar wat door de ruïnes en steekt daar relatief weinig van op.

Daar komt nu verandering in omdat de viewer op een tiental locaties de boeiende vergelijking tussen de echte of fysieke en de virtuele realiteit kan maken. De gereconstrueerde beelden die worden getoond zijn gemaakt door wetenschappers en gebaseerd op de resultaten van intense studies van de afgelopen dertig jaar. De duik in het verleden treedt echter ook het heden tegemoet: heel wat standbeelden, badkuipen en decoraties die zich destijds in de thermen bevonden, kan je vandaag nog steeds in het echt bewonderen.

Tot de beroemdste teruggevonden sculpturen horen de Hercules van Farnese en de Stier van Farnese. Beide staan in de hal van de Thermae van Caracalla in het Nationaal Archeologisch Museum in Napels. De twee genoemde sculpturen kwamen in het bezit van Alessandro Farnese (1468-1549) toen hij paus was (Paulus III, vanaf 1534). Hij was de eerste die systematisch kunstvoorwerpen uit de Thermen van Caracalla begon te verzamelen.

In 1546 vond hij de ‘Hercules zonder benen’. De benen werden gerestaureerd en pas in de negentiende eeuw werden ze vervangen door de ondertussen ontdekte originelen. De sculptuur was een Romeinse kopie naar een bronzen origineel van Lysippus. In de thermen van Caracalla bevond het Herculesbeeld zich tussen de pilaren van het frigidarium. Het gaat om een marmeren sculptuur van 3,17 m hoog, Hercules is afgebeeld als de held van het mythologische verhaal de Dodekathlos, waarin hij twaalf onmenselijk zware werken moet verrichten.

De Stier van Farnese, de andere teruggevonden sculptuur, beeldt één van deze twaalf werken uit. Hercules heeft de opdracht gekregen een door Poseidon razend gemaakte stier van het eiland Kreta te halen. Het vangen van de stier is afgebeeld in de 5 m hoge marmeren sculptuur. Deze is vervaardigd naar een origineel van Apollònios en Taurìscos. De Stier bevond zich destijds in het oostelijke palaestrum van de Thermen van Caracalla.

In verschillende Romeinse musea en de Vaticaanse musea bevinden zich archeologische artefacten en kunstvoorwerpen uit de Thermen van Caracalla. In Rome bevinden sommige gebruiksvoorwerpen uit deze thermen zich zelfs in openlucht. De twee enorme granieten bassins rond de fonteinen op de Piazza Farnese zijn bijvoorbeeld originele badkuipen die afkomstig zijn uit deze thermen. In de bekende Boboli-tuinen in Firenze bevindt zich een granieten bekken dat eveneens uit de Thermen van Caracalla werd gehaald.

Rome blijft de introductie van nieuwe technologieën voortzetten voor een bredere benutting een beter begrip van culturele en archeologische plekken. Het actuele multimedia- en verlichtingsprogramma startte in 2015 met videoprojecties ter gelegenheid van de heropening van de Santa Maria Antiqua op het Forum Romanum. Ze werden voortgezet in 2016 met de nieuwe 3D-installaties van de Domus Aurea en in 2017 met de gloednieuwe verlichting van het graf van Julius II, met de Mozes van Michelangelo in de San Pietro in Vincoli en projecten op onder meer de Palatijn en het Forum Romanum. Nu is er dus het project ‘Caracalla 4D – Video Virtual Guide’.

Vorige zomer opende in de Thermen van Caracalla ook tijdelijk het diepere (en normaal niet te bezoeken) ondergrondse gedeelte. Het publiek kon gedurende enige tijd de labyrintische gangen, de tunnels die werden gebruikt door slaven die tonnen hout moesten verbranden in grote ovens om het water te verwarmen dat naar het calidarium moest vloeien en het Mithreum van Caracalla (het grootste van Rome) bezoeken. Het feit dat dit ’s avonds gebeurde, met aangepaste verlichting, maakte het bezoek des te spannender.

Dit ondergrondse gedeelte vormde in feite het ingenieuze en technologische hart van de Thermen van Caracalla en is vele eeuwen lang ongezien gebleven. Ook de Mithrastempel was tot dan alleen maar beschikbaar en toegankelijk geweest voor geleerden. De ruimte doet denken aan een grot, weliswaar duidelijk door mensen vervaardigd en uitgegraven. Sporen van fresco’s versieren de nissen in de wanden. Er is nog niets definitief beslist, maar komende zomer zal dit ondergrondse gedeelte van de Thermen van Caracalla volgens de geruchten vermoedelijk opnieuw tijdelijk worden opengesteld.

https://www.coopculture.it/en/events.cfm?id=801

https://www.coopculture.it/en/heritage.cfm?id=6

Nieuwe tramverbinding in centrum Rome op komst

24 februari 2018

Er komt een nieuwe tramverbinding tussen Largo Corrado Ricci, vlakbij het Forum Romanum en Piazza Vittorio Emanuele II. Burgemeester Virginia Raggi wil uiterlijk in 2019 beginnen met de aanleg van de nieuwe tramlijn. De bouwtijd wordt geschat op 12 tot 16 maanden, waardoor de eerste trams reeds in de loop van 2020 zouden moeten kunnen rijden.

De tramlijn is volgens Raggi een zeer belangrijke scharnierverbinding tussen de Esquilijn, het Colosseum, Piazza Venezia en het Forum Romanum. De totale kostprijs voor de aanleg wordt geraamd op ongeveer 20 miljoen euro. Van dat bedrag heeft Rome voor de periode 2019-2020 reeds 5 miljoen euro gereserveerd, waardoor de aanbesteding van het project relatief snel kan volgen. De stad kan ook rekenen op subsidies.

De nieuwe lijn moet tijdens piekmomenten meer dan 2.600 passagiers per uur kunnen vervoeren. De dagelijkse stroom is berekend op 30.000 mensen. De volledige reistijd op de route wordt geschat op 20 minuten.

Op het nieuwe traject dat grotendeels over de Via Cavour en de Via Giovanni Lanza loopt, zal de tram, komende van Largo Corrado Ricci, stoppen aan metro B Cavour, op Piazza San Martino a Monti en eindigen aan Piazza Vittorio Emanuele II, niet ver van het spoorwegstation Termini. In een volgende fase kan wellicht de verbinding worden gemaakt met Piazza Venezia, waarbij het tramspoor langs de Via dei Fori Imperiali tot aan Piazza di San Marco kan worden doorgetrokken. Vanaf die plek kan je nu al snel met tram nr. 8 naar Trastevere.

In Rome werden in de loop der jaren vele trams vervangen door bussen. De jongste jaren gebeurt een (lichte) omgekeerde beweging. Zo werd enkele jaren geleden beslist de voormelde drukke tramlijn nr. 8, die vertrekt in Casaletto en via het spoowegstation in Trastevere en Piazza Sonnino Rome binnenrijdt, niet meer te laten halt houden op Largo di Torre Argentina (foto van de oude toestand hieronder), maar deze af te buigen naar Piazza Venezia.

Daardoor werd een belangrijk nieuw knooppunt voor het openbaar vervoer gerealiseerd. Op Piazza Venezia heb je een groot knooppunt van diverse stadsbussen en binnen enkele jaren krijgt in principe ook de nieuwe metrolijn C hier een halte. Al valt het nog steeds af te wachten of die plannen nog doorgaan en valt daar zeker nog geen datum op te plakken. De aanleg van de derde Romeinse metrolijn kampt immers met zeer veel moeilijkheden. We komen daar binnenkort nog uitgebreid op terug.

Etihad Airways neemt Rome-route over van failliet Alitalia

24 februari 2018

Etihad Airways voert het aantal vluchten tussen Abu Dhabi en Rome op naar twee per dag. Dat schrijft de gespecialiseerde website Luchtvaartnieuws.nl. De luchtvaartmaatschappij springt daarmee in het gat dat ontstaat, doordat het failliete Alitalia de vluchten op die route staakt. Rome is, naast Milaan, de tweede Italiaanse bestemming van Etihad Airways. De verbinding met Abu Dhabi is vooral essentieel om vanuit Rome op een vlotte manier een aantal bestemmingen in het Midden-Oosten, Noord-Amerika, Australië en het Indiase subcontinent te kunnen bereiken. Rome wordt vanaf deze zomer aangevlogen met zowel de Airbus A330-200 als de Boeing 777-300ER.

Etihad Airways, de nationale luchtvaartmaatschappij van de Verenigde Arabische Emiraten met als basis Abu Dhabi, was enkele jaren mede-eigenaar (49%) van Alitalia. Dit jaar moet een nieuwe eigenaar voor de Italiaanse nationale luchtvaartmaatschappij worden gevonden. Passagiers die reeds een vlucht hadden geboekt op een Abu Dhabi-vlucht van Alitalia in de periode na 25 maart worden omgeboekt naar een Etihad-vlucht. Etihad Airways vliegt op bestemmingen in het Midden-Oosten, Europa, Noord-Amerika, Australië en het Indiase subcontinent.

Tentoonstelling over 80 jaar Italiaanse (film)geschiedenis in Cinecittà

23 februari 2018

In de Cinecittà filmstudio’s in Rome kan je tot 7 mei een fototentoonstelling bezoeken die het verhaal toont van tachtig jaar Italiaanse geschiedenis, waarbij de rode draad natuurlijk ‘film’ is. In liefst 150 schitterende en vaak erg intense beelden, wordt een indrukwekkend Italiaans verhaal verteld. Teatro 1 in Cinecittà is omgevormd tot tijdelijke tentoonstellingsruimte. De toegang tot de expo kost 10 euro (informatie: tel. 06 722 932 69). Heerlijke nostalgie verzekerd terwijl je een tijdreis maakt doorheen de Italiaanse geschiedenis van de voorbije decennia. De komende drie jaar investeert Cinecittà 60 miljoen euro in onder meer nieuwe opnamestudio’s en een opleidingscentrum. Er is ook een nieuw museum (het MIAC) in aanbouw. Dat zou in de loop van dit jaar deuren al openen.

De foto’s van de tentoonstelling visualiseren niet enkel gebeurtenissen uit de filmwereld of uit het verleden van Cinecittà (al mocht een beeld van de eerste steenlegging van de filmstudio’s uiteraard niet ontbreken), er worden ook momentopnames getoond uit de bioscoopjournaals van weleer. De expo combineert snapshots van doodgewone onbekende mensen met die van erg bekende (film)gezichten, heel vaak in ongewone omstandigheden. Vele foto’s werden nooit eerder getoond of gepubliceerd.

De tentoonstelling is ontstaan uit de samenwerking tussen het Istituto Luce, Cinecittà en het bureau Ansa (Agenzia Nazionale Stampa Associata), het algemeen persbureau van Italië dat in 1945 in Rome werd opgericht. H et agentschap is een coöperatieve samenwerking van 36 van de meest prominente dagbladuitgevers van Italië. Dat levert beelden op van zowel Mussolini die de eerste steen van Cinecittà metselt, van de omhelzing tussen de pausen Benedictus XVI en paus Franciscus, maar evenzeer van de aanslag op Johannes-Paulus II, van Italianen in onbezorgde vakantiestemming, van een gewelddadige betoging of van de verwoestende aardbeving van 23 november 1980 in Irpinia (ongeveer 50 km ten oosten van Napels). Daarbij vielen toen minstens 2.483 doden en 7.700 gewonden; 250.000 mensen verloren hun woning.

De Cinecittà-studio’s bevinden zich op een tiental kilometers van het historische stadshart van Rome. Metrolijn A heeft een halte vrijwel voor de deur. Cinecittà is een indrukwekkend complex met onder andere pleinen en tuinen, drie restaurants, verscheidene woongebouwen voor leidinggevenden en werknemers, zestien opnamestudio’s en kleedkamers voorzien van alle comfort. Er worden nog altijd films, reclamespotjes en televisieseries opgenomen.

Cinecittà richt zich dus nog steeds op filmproductie, maar stelde een gedeelte van het bedrijfsterrein enkele jaren geleden ook open voor toeristen en filmliefhebbers. Er is onder meer een permanente tentoonstelling te bezoeken, vaak ook een tijdelijke thema-expo en mits extra betaling krijg je de kans om onder begeleiding een tijdje rond te wandelen op een gedeelte van het bedrijfsterrein, waarbij je onder meer langs de overgebleven decors van Gangs of New York (Martin Scorsese), de televisieserie The Borgia’s en de HBO-serie Rome kan wandelen.

In Cinecittà kwamen heel wat beroemde films tot stand. Federico Fellini maakte er onder andere La Dolce Vita, Otto e Mezzo en Amarcord. De decors van die films zijn daar nog altijd opgeslagen. De filmstudio’s zelf vormden ook meermaals het decor voor een film, zoals voor Bellissima van Luchino Visconti en Intervista van Fellini. In de jaren ’50 kreeg Cinecittà zelfs de bijnaam ‘Hollywood aan de Tiber’, omdat de studio’s gretig werden gebruikt door Amerikaanse filmmaatschappijen, vooral voor de zogenaamde peplumdrama’s, films over het klassieke Rome en de oudheid. Mervyn LeRoy maakte in Cinecittà zijn Quo Vadis (1951) en Wiliam Wyler realiseerde Ben Hur (1959), Joseph L. Mankiewicz nam hier de film Cleopatra op, met Elisabeth Taylor en Richard Burton. Maar ook vele andere bekende films, zoals Once Upon a Time in the West en The Godfather III, werden in Cinecittà opgenomen.

Cinecittà werd op 27 april 1937 opgericht door de Italiaanse leider Benito Mussolini. De filmstudio moest ingaan tegen de sterke opkomst van de Hollywoodfilms. Een groot distributienetwerk voor Italiaanse films en de zogenaamde Wet Alfieri, een wet die aan de Italiaanse film een aanzienlijke staatssubsidie gaf, moesten hiervoor zorgen. Bovendien werden de toenmalige Italiaanse filmsterren met behulp van tientallen tijdschriften, fors gepromoot.

Door deze maatregelen steeg de productie van Italiaanse films naar zo’n tachtig per jaar. Dat was toen gigantisch veel. Vreemd genoeg gebruikte het fascistische bewind de cinema nauwelijks voor de productie van propagandafilms. De filmindustrie werd door Mussolini vooral ingezet voor economische doeleinden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de filmstudio gebombardeerd.

Na de oorlog begon een nieuwe bloeiperiode toen in de Romeinse filmstudio verschillende grote Amerikaanse filmproducties werden opgenomen. Na een periode waarin het faillissement zeer dichtbij was, werd Cinecittà in de jaren ’80 van de vorige eeuw geprivatiseerd. Vanaf toen begon men er ook televisieprogramma’s te maken. Toen geen evidente keuze, maar het bedrijf zou er wel bovenop geraken.

Binnenkort zal trouwens opnieuw flink worden geïnvesteerd in Cinecittà. Er komt geld beschikbaar voor de bouw van nieuwe opnamestudio’s en er wordt een nieuw cultureel bedrijf gecreëerd dat zowel een museum als een creatief centrum zal omvatten. Het nieuwe bedrijf onder de vleugels van Cinecittà zal ook fungeren als creatief centrum, als incubator voor het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe (digitale) filmtechnieken en als opleidingscentrum annex filmschool. Dit alles wordt de komende drie jaar gerealiseerd. Het gaat om een investering van 60 miljoen euro.

Concreet zal Cinecittà kunnen rekenen op twee nieuwe theater- en opnamestudio’s die groter zijn dan het legendarische en nog altijd bestaande Teatro 5, destijds de lievelingsstudio van regisseur Federico Fellini. Ook Teatro 7, dat tijdens Wereldoorlog II grotendeels werd verwoest maar nooit werd heropgebouwd, zal herrijzen. Hier wordt een enorm waterbad ingericht, waar onderwateropnames kunnen gebeuren.

In principe opent dit jaar ook reeds het Museo Italiano dell’Audiovisivo e del Cinema (MIAC), het nieuwe Italiaanse film- en audiovisuele museum van Cinecittà zijn deuren: hier wordt een permanente tentoonstelling opgezet over de verbeeldingskracht van Italianen in de 20ste en de 21ste eeuw. E zal echter ook ruimte zijn voor tijdelijke tentoonstellingen, een bibliotheek, een videotheek, lokalen voor educatieve workshops over ambachten in de cinema, seminarie- en congresruimte en een laboratorium voor conservatie en restauratie van oude films. Het MIAC wordt momenteel uitgebouwd op de terreinen van Cinecittà en de aangrenzende gebouwen van het Istituto Luce.

De publieke bezoeken aan de filmsets krijgen eveneens een restyling. Nu kan je er nog rondwandelen in oude decors zoals dit van de HBO-serie Rome, Gangs of New York en de Borgia’s. Tijdens een bezoek met een aantal S.P.Q.R.-leden konden we deze sets enkele jaren geleden nog tot in detail bekijken. Deze en wellicht nog andere locaties worden opgefrist. Voor de liefhebbers: van 4 tot 6 mei presenteert Romevideogamelab in Cinecittà het eerste Festival dell’industria Videoludica, een filmfestival voor de game-industrie.

Cinecittasimostra.it

Cinecittastudios.it

Italiaanse prins wil familie ook bijzetten in Pantheon

23 februari 2018

Eind vorig jaar werden de lichamen van koning Vittorio Emanuele III en dat van zijn echtgenote koningin Elena naar Italië overgebracht. President Sergio Mattarella had daar op voorspraak van premier Paolo Gentiloni toestemming voor gegeven. Volgens de premier ging het om een humanitair gebaar, precies zeventig jaar na het overlijden in Egyptische ballingschap van de tijdens de oorlogsjaren regerende Vittorio Emanuele III. Van bijzetting in het Pantheon kan volgens de excellenties echter geen sprake zijn. Vittorio Emanuele III had zich onmogelijk gemaakt als koning door zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in te laten met Mussolini. Als gevolg daarvan trad hij in 1946 af ten gunste van zijn zoon Umberto II. Maar amper een maand later  werd in een referendum de monarchie Italië afgeschaft.

Prins Emanuele Filiberto, de kleinzoon van de laatste Italiaanse koning Umberto II en diens vrouw Marie José (dochter van Albert I van België)  is nu bezig met een lobbycampagne bij het Vaticaan om de stoffelijke resten van zowel de koningen Vittorio Emanuele III en Umberto II en hun echtgenotes alsnog een laatste rustplaats te geven bij de andere Italiaanse vorsten in het Pantheon. Volgens Emanuele Filiberto heeft de Italiaanse premier Gentiloni niets te zeggen over wie in het Pantheon kan of mag worden bijgezet, dat is een zaak van het Vaticaan. De kans dat het ministaatje ingaat tegen de wensen van de Italiaanse Republiek wordt echter bijzonder klein geacht.

Vittorio Emanuele III had met zijn samenwerking met Mussolini de ondergang van de Italiaanse monarchie bewerkstelligd, ook al had hij Italië van de verwoesting van de totale nederlaag gered door Il Duce tijdig uit te schakelen. De goed bewapende linkse partizanen in het noorden van Italië zagen hun kans echter schoon om zich niet alleen van de koning, maar van de hele constitutionele monarchie te ontdoen. Op 9 mei 1946 trad Vittorio Emanuele III aan de vooravond van een referendum over de toekomst van de monarchie af ten gunste van zijn zoon Umberto II die wel een behoorlijke populariteit had opgebouwd.

In het niet zonder intimidatie van gewapende groepen verlopen referendum stemde het noorden in meerderheid tegen en het zuiden vóór de monarchie (in totaal ongeveer 12 miljoen stemmen vóór de republiek tegenover 10 miljoen voor de monarchie). Meer dan drie miljoen stemmen raakten zoek, terwijl anderzijds ook overledenen gestemd bleken te hebben. Bovendien waren miljoenen inwoners nog niet naar hun plaats van herkomst teruggekeerd om te kunnen stemmen en daarnaast was de status van de Italiaanse grensgebieden en daarmee ook het stemrecht van de bewoners daarvan,  onduidelijk. Vittorio Emanuele III stierf in 1947. Zijn laatste levensdagen bracht hij door in Alexandrië waar hij zich bezighield met vissen, postzegels verzamelen en wandelen in de tuin.

Zijn zoon Umberto II was van 9 mei tot 12 juni 1946 de laatste koning van Italië.  Als gevolg van de uitslag van het referendum werd hij dus al na 33 dagen afgezet (waardoor hij de naam meikoning kreeg) en moest hij de rest van zijn leven in ballingschap doorbrengen. Umberto verliet Italië voorgoed en zo kwam  een einde aan de heerschappij van de Savoyes die 899 jaar eerder met Humbert Withand was begonnen. De flirt van Umberto’s vader met het fascisme had de monarchie definitief ondermijnd. In de Italiaanse grondwet van 1947 werd bepaald dat het alle mannelijke troonopvolgers uit het Huis Savoye verboden was om Italiaans grondgebied te betreden. Vrouwelijke leden van de familie mochten Italië wel betreden, maar deden dit uit respect voor Umberto niet. Het verdwijnen van Umberto betekende ook het einde van de politieke stabiliteit in Italië.

Umberto II trad op 8 januari 1930 in het huwelijk met prinses Marie José van België, een dochter van koning Albert I. Het was een gearrangeerd huwelijk. Zij was de enige Europese katholieke koningsdochter en hij de enige katholieke koningszoon. Marie José was al op negenjarige leeftijd aan de Italiaanse Umberto beloofd. Het werd een ongelukkig huwelijk. Al meteen na haar huwelijk begon zij zich in te zetten voor allerlei goede doelen, zoals het Rode Kruis, daarbij het voorbeeld volgend van haar moeder Elisabeth, die daarmee in België zeer geliefd was geworden. In Italië, dat sowieso niet werd overmand door koningsgezinde gevoelens, had ze daar weinig succes mee. Het paar ging gescheiden in ballingschap. Umberto vestigde zich in Portugal, Marie José trok met haar kinderen naar Zwitserland. Omstreeks 1937 had Marie José een verhouding met Benito Mussolini. Dit werd ontdekt in de memoires van diens zoon, Romano Mussolini.

Een ontmoeting tussen twee hoogstaande beschavingen

21 februari 2018

In de nieuwe tentoonstellingsruimte van de Centrale Montemartini (Via Ostiense 106) kan je nog tot 30 juni de expo Egizi Etruschi. Da Eugene Berman allo Scarabeo Dorato bezoeken, die opgebouwd is rond twee grote beschavingen van het Middellandse Zeegebied: de Etrusken en de Egyptenaren. De tentoonstelling was vorige zomer reeds te zien in het Complesso Monumentale di San Sisto in Montalto di Castro (Vulci) en verhuisde nu naar Rome. De catalogus van 128 bladzijden is uitgegeven door Gangemi.

De tentoonstelling bevat artefacten uit de twee oude culturen, waaronder recente Etruskische vondsten uit Vulci en Egyptische schatten uit de collectie van Eugene Berman (1899-1972), de in Rusland geboren Amerikaanse schilder, grafisch artiest, illustrator en decorontwerper die ook kunstverzamelaar was en die tijdens reizen naar Egypte heel wat artefacten kon verwerven. Toen hij in 1972 in Rome stierf had hij eerder zijn kunstcollectie al geschonken aan de Italiaanse staat.

De bezoekers van de tentoonstelling krijgen de mogelijkheid om twee belangrijke culturen en grote mediterrane beschavingen uit de oudheid tegenover elkaar te zien, te ontmoeten en te vergelijken. De kostbare objecten die worden getoond zijn afkomstig uit de periode tussen de achtste en derde eeuw v. Chr. en werden ontdekt tijdens recente opgravingscampagnes in Vulci, destijds één van de belangrijkste en rijkste steden in Zuid-Etrurië. Veel van de tentoongestelde werken zijn van uitzonderlijke waarde, vooral de belangrijke archeologische vondsten uit Vulci en de Egyptische werken uit de Berman-collectie. Andere voorwerpen werden in bruikleen gegeven door de Egyptische afdeling van het archeologisch museum van Firenze.

Met deze tentoonstelling wordt meteen de nieuwe ruimte van 250 m² ingewijd die de Centrale Montemartini vanaf nu reserveert voor tijdelijke tentoonstellingen. De ingebruikname van deze extra locatie valt samen met de twintigste verjaardag van het museum. Toen de Capitolijnse Musea vanaf 1997 verbouwd en gerenoveerd werden, bracht de museumdirectie honderden beeldhouwwerken voorlopig onder in de voormalige elektriciteitscentrale Montemartini aan de Via Ostiense. Op die manier wilde men de kunstwerken toch voor het publiek toegankelijk houden. De bedoeling was om met een gedeelte van de kunst uit de Capitolijnse Musea in de oude centrale enkele tentoonstellingen te houden, in afwachting van de voltooiing van de verbouwing.

De eerste tentoonstelling heette niet toevallig ‘Goden en machines’. Dat was heel toepasselijk, want klassieke beeldhouwwerken en industriële archeologie in de vorm van de oude elektrische turbines en werktuigen werden er naast elkaar geplaatst, met parallellen tussen twee werelden, die waarin de goden overheersten en die waarin de machines god zijn. Het gedurfde samengaan van zeer oud en recente technologie was een zodanig groot succes dat uiteindelijk werd beslist de Centrale Montemartini uit te bouwen tot een heus museum, dat een gedeelte van de collectie uit de Capitolijnse Musea in een permanente opstelling zou tonen aan het publiek.

Na de verbouwingen in de Capitolijnse Musea keerde in 2005 een deel van de kunstwerken terug naar het hoofdmuseum, de rest bleef in Montemartini. Het resultaat is een museum met een erg bijzondere sfeer en waarin erg prachtige artefacten uit de oudheid te zien zijn. De Centrale Montemartini toont onder andere de resultaten van de opgravingen uitgevoerd tussen het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, waarbij het vaak om bijzonder mooie, maar grotendeels onbekende stukken gaat, gaande van de tijd van de Republiek tot de Keizertijd.

De Centrale Montemartini is genoemd naar de ingenieur die het gebouw in art nouveaustijl ontwierp. Hier opende in 1912 de allereerste elektriciteitscentrale van Italië de deuren, wat op zich al een stukje geschiedenis is. De elektriciteitscentrale bleef tot 1950 in gebruik. Begin 1990 werd begonnen met restauratiewerkzaamheden, waarbij niet enkel het gebouw, maar ook de machines, twee generatoren en een verwarmingsketel, behouden bleven.

Egizi Etruschi. Da Eugene Berman allo Scarabeo Dorato
Centrale Montemartini, Via Ostiense 106
Tot 30 juni 2018
www.centralemontemartini.org