Portico d’Ottavia na 14 jaar volledig gerestaureerd

De laatste restauratiefase van de Portico d’Ottavia is eind december afgerond. Alle steigers zijn nu verdwenen. Daarmee komt een einde aan een restauratieproject dat veertien jaar heeft geduurd. Het monument is recent officieel ingehuldigd door burgemeester Virginia Raggi, vice-burgemeester en wethouder/schepen van Cultuur Luca Bergamo en Claudio Parisi Presicce, de hoofdinspecteur van het Cultureel Erfgoed van Rome. De verschillende sprekers hadden het tijdens de plechtige inhuldiging over de complexiteit van de restauratie van de Portico d’Ottavia die werd uitgevoerd door een gemengd team bestaande uit archeologen, architecten en ingenieurs.

De overblijfselen van het complex dat door de eeuwen heen verschillende keren werd beschadigd en gewijzigd zijn met behulp van de meest recente technologieën opnieuw in ere hersteld. Tijdens de laatste restauratiefase werd tevens het omliggende archeologische gebied geconsolideerd en geïntegreerd. Vóór de bouw van deze porticus of zuilenhal bevond zich hier reeds de oudste quadriportico van Rome, gebouwd in 146 v. Chr. door censor Quintus Caecilius Metellus die in dat jaar de Macedoniërs overwon. Hier bevonden zich onder meer de tempels van Juno Regina en Jupiter Stator, de Curia en twee bibliotheken (Grieks en Latijn).

Het oorspronkelijke complex met uitzicht op Circo Flaminio, het gebied dat zowat overeenkomt met het oude getto, werd tussen 27 en 23 v. Chr. herbouwd door keizer Augustus die de nieuwe porticus opdroeg aan zijn zuster Octavia. Na een brand werd het herbouwd door keizer Septimius Severus. De meeste overblijfselen die momenteel zichtbaar zijn, dateren uit die tijd.

De restauratie van de Portico d’Ottavia is een langdurig en complex project geweest dat, gespreid in de tijd, in verschillende stadia werd gerealiseerd. Er werd vooral aandacht besteed aan het herstel van de aangetaste oppervlakken die met speciale materialen werden bewerkt om het monument in de toekomst te vrijwaren van aantasting door luchtvervuiling. Tevens werd de hele structuur versterkt en is het podium in zijn oorspronkelijke vorm gereconstrueerd, eveneens met aangepaste en speciaal voor dit doel ontworpen materialen. De gaten die achterbleven na de opgraving van een aantal middeleeuwse graven op de begraafplaats van de kerk Sant’Angelo in Pescheria zijn dichtgemaakt. De uitvoering van deze laatste restauratiefase duurde een jaar en heeft 456.242 euro gekost.

De Porticus van Octavia vind je vlakbij het Theater van Marcellus, in de Via del Portico d’Ottavia, die tot 1885 slechts een smalle straat was. Als je de straat inwandelt kijk dan even naar de huizen met de nummers 8-11 en 12-14. Deze dateren uit respectievelijk de vijftiende en de zestiende eeuw. Op nummer 21 bevindt zich het bekende restaurant Da Giggetto, waar je vanaf het terrasje vóór de zaak een mooi uitzicht hebt op de antieke zuilen. Buurtbewoners noemen het restaurant in het Romeinse dialect nog steeds ‘Giggetto er Cattolico’, omdat de stichter van de zaak destijds één van de weinige katholieken was die hier in het joodse getto woonde.

Na de dood van haar eerste man Gaius Claudius Marcellus werd Octavia (61-10 v. Chr.) door haar broer Octavianus (de latere keizer Augustus) verplicht te huwen met zijn rivaal Marcus Antonius, om in 40 v. Chr. het Verdrag van Brindisium (het huidige Brindisi) te bezegelen. Dat was een verdrag tussen de Romeinse legerbevelhebbers Octavianus, Marcus Antonius en Lepidus. De drie regeerden sinds 43 v. Chr. gezamenlijk over het Romeinse Rijk als het Tweede triumviraat. Het Romeinse Rijk werd in feite gedeeld, met Octavianus in het westen en Antonius in het oosten; Lepidus kreeg Africa.

Marcus Antonius en Octavia hadden twee dochters, Antonia Major (de grootmoeder van Nero) en Antonia Minor die met Drusus trouwde, de tweede zoon van Livia en broer van Tiberius. Octavia offerde daarna haar persoonlijke belangen op om een vergelijk tussen haar broer Octavianus en haar man Marcus Antonius mogelijk te maken, maar tevergeefs. Na de dood van Antonius ontfermde Octavia zich ondanks alles over de beide kinderen die haar wettelijke maar ontrouwe man Antonius bij de Egyptische koningin Cleopatra had.

Nadat Antonius zich van haar had laten scheiden leefde Octavia teruggetrokken. Zij had uit haar eerste huwelijk drie kinderen, onder wie de jong gestorven Marcus Claudius Marcellus, die door keizer Augustus werd geadopteerd en als opvolger was voorbestemd, maar die op 23-jarige leeftijd al zou overlijden. Hij gaf zijn naam aan het vandaag nog steeds indrukwekkende Theater van Marcellus (Teatro di Marcello), vlakbij de Portico d’Ottavia.

De oorspronkelijke porticus van censor Quintus Caecilius Metellus was een rechthoekige binnentuin omgeven door zuilengalerijen. De porticus werd om de oudere tempel van Juno Regina gebouwd, die daarna in de binnentuin stond. Enkele jaren later bouwde Metellus hier ook de tempel van Jupiter Stator. In de porticus stonden vele kunstwerken, o.a. de belangrijke Griekse oorlogsbuit die Metellus uit Macedonië had meegebracht en die de 34 bronzen beelden bevatte die Lysippus had gemaakt van Alexander de Grote en zijn ambtenaren.

Ook bevond zich hier de Medici-Venus die werd teruggevonden onder hopen afval van de hier gehouden vismarkt. Het beeld is nu een pronkstuk van het Palazzo degli Uffizi in Firenze. Ook andere Griekse kunstwerken werden hier tentoongesteld. Die grote hoeveelheid Griekse kunst was geen toeval.Quintus Caecilius Metellus (190-115 v. Chr.) had als bijnaam Macedonicus. Hij versloeg als praetor in 148 v. Chr. Andriskos, die in Macedonië een opstand had uitgelokt, en streed daarna tegen de Achaeërs (Grieken), een oorlog die hij echter aan consul Mummius moest overlaten. In 143 werd hij zelf consul.

In 142 versloeg Metellus de Keltiberiërs, dat was de naam waaronder de klassieke schrijvers enkele van de Keltische volken samenvatten, die tussen 900 en 600 v. Chr. in Spanje waren doorgedrongen en zich daar sinds de derde eeuw v. Chr. met de Iberiërs habben vermengd. Het gebruik van de term is wisselend, maar gewoonlijk verstonden zij daaronder de krijgshaftige volken op de hoogvlakte aan de Boven-Taag, zoals de Arevaci, de Belli, de Titti en de Lusones. Na hun onderwerping in 195 v. Chr. bleven zij vanaf 154 v. Chr. hardnekkig tegenstand bieden aan de Romeinen.

De porticus van Octavia werd verwoest tijdens de grote brand van 80 n. Chr. die ook het Marsveld teisterde, maar keizer Domitianus liet hem herbouwen. Na een nieuwe brand in 203 werd de porticus grondig gerestaureerd door Septimius Severus en Caracalla. Na de val van het West-Romeinse Rijk werden de antieke monumenten in Rome niet meer onderhouden en raakte de porticus van Octavia in verval.

De zuidelijke toegangspoort is het enige deel dat nog overblijft van de Porticus van Octavia. Het zijn de resten die gerestaureerd werden door Septimius Severus. In de achtste eeuw werden op de restanten van de porticus de kerken Santa Maria in Campitelli en de Sant’Angelo in Pescheria gebouwd. De naam van deze laatste kerk verwijst naar de vismarkt die eeuwenlang op het plein ten zuiden van de porticus werd gehouden. De rest van het complex werd overbouwd met woonhuizen.

De porticus was bedoeld als foyer voor het aangrenzende theater van Marcellus, een gebouw dat zoals verteld de naam kreeg van de jong overleden zoon van Octavia uit haar eerste huwelijk. De resten van dat theater zien we in het verlengde van de zuilenrij. Het grondplan van de Porticus van Octavia is bekend, doordat het gebouw staat afgebeeld op een bewaard gebleven fragment van de Forma Urbis Romae, de marmeren stadskaart uit het begin van de derde eeuw.

De poort heeft de vorm van een dubbele pronaos met zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde vier marmeren zuilen in de Korinthische orde. Van deze acht zuilen zijn er nog vijf bewaard gebleven. Twee zuilen aan de voorzijde zijn in de middeleeuwen vervangen door een bakstenen arcade, de kerk is gebouwd tegen de achterzijde van de poort, waar nog twee zuilen en een deel van een derde bewaard zijn gebleven.

Op de 8,6 m hoge zuilen rust een hoofdgestel met driehoekig fronton. De architraaf is gemaakt van Grieks Pentelisch marmer, in tegenstelling tot de zuilen die uit Italiaans Luna-marmer zijn gebouwd. De nog gedeeltelijk leesbare inscriptie op de fries aan de buitenzijde maakt melding van de voormelde restauratie door de keizers Septimius Severus en Caracalla in 203.

Een aantal opgegraven zuilen van de colonnade werden naast het poortgebouw weer opgericht om een idee te geven van de omvang van het oorspronkelijke bouwwerk. Andere zuilen van de zuidelijke colonnade zijn in de middeleeuwen ingebouwd in de muren van woonhuizen. Deze immense porticus was één van de rijkste monumenten van het oude Rome, hij omvatte een rechthoekig gebied van 119 m bij 132 m en bestond uit een omliggende dubbele zuilengalerij met meer dan 300 zuilen ondersteund door een stylobaat (verhoogde vloer of podium die een reeks zuilen draagt).

Binnen de zuilengalerij stonden zoals vermeld twee tempels, de tempel van Jupiter Stator en de tempel van Juno Regina. Achteraan de porticus die reikte tot aan Piazza di Campitelli en de Santa Caterina dei Funari, stond de Curia van Octavia waar de Senaat soms vergaderde, evenals een Griekse en een Latijnse bibliotheek. Van de tempel van Juno bestaat nog één pijler, vandaag verscholen in een garage in de Via di Sant’Angelo di Pescheria. Plinius schrijft dat in de tweelingtempels verkeerde beelden stonden. Het beeld van Juno stond in de tempel van haar man Jupiter en omgekeerd. De priesters die niet in toeval geloofden, zagen daarin een goddelijk opzet en hebben de fout nooit hersteld.

De tempel van Jupiter Stator werd gebouwd door de beroemde Griekse architect Hermodorus van Salamis. De tempel van Juno Regina was mogelijk een peripteros in Griekse stijl, dus omgeven door een zuilengang (Vitruvius III 2,5). Naast de vier zuilen zien we de vooruitspringende resten van de zuidelijke monumentale propylaeum die toegang gaf tot de porticus van Octavia. De resten vormen nu het voorportaal van de tijdens de zesde eeuw gestichte Sant’Angelo di Pescheria.

Deze ingang tot de porticus bevond zich dus aan de korte zijde van het complex. Ook aan de noordelijke zijde was er een propylaeum maar daarvan bleef niets behouden. De keizers Vespasianus en Titus vertrokken vanuit de porticus van Octavia toen zij hun triomftocht hielden na de verovering van Jeruzalem en de vernieling van de joodse tempel. De door Titus gevangen genomen joodse historicus Flavius Josephus (37-95 na Chr.) beschreef deze gebeurtenis waarvan hij getuige was en geeft een gedetailleerd verslag van de daarop volgende triomftocht in Rome. Hij stierf in de Mamertijnse gevangenis.

De monumentale zuidelijke ingang, waarvan we nu de resten zien, had tweemaal vier zuilen en tweemaal twee pilaren, daarvan bestaan er vandaag vooraan nog twee en achteraan drie. De Korintische zuilen met een deel van het hoofdgestel behoren tot de vermelde nieuwbouw in 203 na Chr. De inscriptie bovenaan vermeldt deze restauratie door Septimus Severus ‘Imp. Caesar L. Septimus’ en door zijn zoon Caracalla ‘Imp. Caesar M.’. Let op de arend op één van de kapitelen, hij is verbonden aan de cultus van Apollo. De bakstenen bogen links en rechts zijn toevoegingen uit de vroege middeleeuwen.

Aan de voet van de weinig aantrekkelijke resten van het propylaeum zien we een warboel van nutteloze (resten van) opgravingen. Voorbij het propylaeum, richting Capitool, loopt het vervolg van de zuilenrij die behoorde tot de porticus van Octavia. Merk op dat deze zuilen glad zijn, ze behoorden tot de omgang van de porticus, terwijl de zuilen van het propylaeum gegroefd waren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s