Archief voor 9 februari 2018

De start van de Capitolijnse Musea

Posted in Romenieuws on 9 februari 2018 by romenieuws

De tentoonstelling Il Tesoro di Antichità. Winckelmann e il Museo Capitolino nella Roma del Settecento in Palazzo Caffarelli (Capitolijnse Musea) ter ere van de de man die wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne archeologie, namelijk Johann Joachim Winckelmann (1717-1768 brengt tevens het verhaal van de Capitolijnse Musea. De bezoekers krijgen inderdaad ook het verhaal te zien en te horen van die eerste belangrijke jaren na december 1733, toen de kunstcollectie die de basis vormde voor de huidige Capitolijnse Musea, ook daadwerkelijk in een museale opstelling werden getoond.

Het was niet alleen het eerste openbare museum in Europa, maar het maakte bovendien meteen duidelijk dat het er niet alleen om ging de kunstwerken te bewaren, maar ze ook zoveel mogelijk op hun best te tonen, dit ter promotie van ‘de pracht en praal van Rome’. Het waren vooral de intuïtieve en vaak briljante inzichten van Winckelmann die de aanzet gaven om de vele sculpturen in het museum op een speciale manier te presenteren of ze in een aparte opstelling te tonen aan het publiek. In dat opzicht heeft Winckelmann baanbrekend werk geleverd.

Het Palazzo dei Conservatori of Conservatorenpaleis en het tegenoverliggende Palazzo Nuovo herbergen het oudste publiek toegankelijk museum ter wereld. Beide paleizen vormen samen de Capitolijnse musea en zijn door een ondergrondse tunnel met mekaar verbonden. De geschiedenis van de Capitolijnse Musea begint eigenlijk al in 1471 toen paus Sixtus IV vier beroemde bronzen sculpturen van het Paleis van Lateranen naar de Capitolijn liet overbrengen en ze daarmee teruggaf aan de burgers van de stad. Het ging om de Capitolijnse wolvin (de Lupa Capitolina), de Spinario of de Doorntrekker (het beeld van een jongen die een doorn uit zijn voet trekt), de Camillus (het standbeeld van een jongeman verantwoordelijk voor een cultus) en het bronzen hoofd van Constantijn, samen met de hand en globe.

Het Conservatorenpaleis (rechts) bestond reeds tijdens de veertiende eeuw en werd omstreeks 1450 door paus Nicolaas V herbouwd voor de bijeenkomsten van de magistraten of conservatoren die de stad samen met de senatoren bestuurden. Deze vergaderingen vonden plaats op de eerste verdieping. Op de benedenverdieping hadden de università of gilden hun bestuurs- en gerechtszalen, hun namen lezen we nog boven de toegangsdeuren: macellari, carpentariori, …

Het gebouw van Nicolaas V, dus vóór de interventie van Michelangelo, had ook een porticus zoals nu, maar met bogen in plaats van de rechte architraaf die we vandaag zien. De werkzaamheden voor de nieuwe gevel naar het ontwerp van Michelangelo begonnen in 1562 en duurden tot 1572. Ze werden vanaf 1564 geleid door Giacomo della Porta (1539-1602), die ook de cordonata aanlegde. Slechts op één punt week hij af van de oorspronkelijke plannen: hij benadrukte de door Michelangelo kleiner bedoelde middenas door één enkel groter venster.

De objecten werden aanvankelijk opgesteld vóór het Palazzo dei Conservatori. Er werden gaandeweg nieuwe artefacten verworven, waaronder nog tijdens het pontificaat van Sixtus IV, de bronzen Hercules die was ontdekt op het Forum Boarium. Toen de collectie geleidelijk groeide, werden de voorwerpen verplaatst naar de binnenhof en de verschillende zalen van het Palazzo dei Conservatori.

De bouw van het Palazzo Nuovo (links, aan de andere kant van de Piazza del Campidoglio) naar een ontwerp van Michelangelo, begon in 1603, een jaar na de dood van Giacomo della Porta. Het werd pas tussen 1644 en 1654 onder Innocentius X voltooid door Girolamo Rainaldi en zijn zoon Carlo. Daarbij namen ze van della Porta de sterkere accentuering van de middenpartij over die, zoals gezegd afweek van het ontwerp van Michelangelo.

De gevel maakt vooral indruk door zijn Korinthische orde, die hier voor het eerst in Rome bij een wereldlijk gebouw werd toegepast. Deze zuilen verenigen optisch de twee verdiepingen van de gevel, dit idee vond later navolging in heel Europa. Op de begane grond is er een portiek met rechte architraaf die op Ionische zuilen rust, deze corresponderen met de halve zuilen tegen de achterwand. De bovenverdieping wordt onderbroken door vensters die door zuilen worden omlijst en door een segmentboog bekroond. Op het hoofdgestel of het horizontale lijstwerk staat een later toegevoegde balustrade, waarop in één lijn met de zuilen, matig uitgevoerde ‘antieke’ beelden staan. De verhoudingen kloppen niet echt goed.

Pas in 1733 werd het gebouw in gebruik genomen als museum. Dat gebeurde toen paus Clemens XII de Albani-collectie verwierf, die voornamelijk bestond uit een grote verzameling portretten van beroemde personen, keizers en filosofen. Al gauw weren heel wat beroemde antieke beelden hiernaartoe overgebracht, waaronder in 1750 de befaamde Venus Capitolina.

Het Palazzo dei Conservatori en het Palazzo Nuovo zijn verbonden door een ondergrondse gang, waarin een collectie inscripties is te zien en die daarom de Galleria Lapidaria (‘Stenengalerij’) heet. Er is een zijgang die door het Tabularium loopt, waarvandaan men uit kan kijken over het Forum Romanum. Over dit Tabularium binnenkort meer.

Paus Benedictus XIV legde in 1748 de basis voor de Capitolijnse Pinacotheek, de schilderijenverzameling van het museum. Deze is ondergebracht in de bovenverdieping van het Palazzo dei Conservatori en behoort tot de belangrijkste schilderijencollecties van Italië. Van de talrijke vondsten die gedaan werden bij opgravingen tijdens de stadsuitbreidingen van Rome aan het einde van de negentiende eeuw, gingen met name de standbeelden naar de Capitolijnse Musea. Er werden nieuwe zalen ingericht voor de vondsten uit de Horti Lamiani en de Horti Maecenati (de Tuinen van Lamia en van Maecenas).

In 1925 breidde het museum uit met het Mussolini Museum, waarvan de naam later werd veranderd in Museo Nuovo, na het verwerven van het naast het Palazzo dei Conservatori gelegen Palazzo Caffarelli, dat door de Pruisische ambassade was verlaten. Hier werden de resten ontdekt van het podium van de Tempel van Jupiter Capitolinus.

Het museum werd in 1956 uitgebreid met de Braccio Nuovo (nieuwe vleugel). De toevloed van nieuwe vondsten, onder andere van het terrein rond het Theater van Marcellus en de Tempel van Apollo Sosianus, maakte tegen het einde van de twintigste eeuw een herinrichting noodzakelijk. Een deel van de collectie werd daarom tijdelijk overgebracht naar de Centrale Montemartini, een voormalige elektriciteitscentrale uit 1912 aan de Via Ostiense.

De tijdelijke tentoonstelling op deze locatie, die in 1997 opende, bleek zo succesvol, dat de Centrale Montemartini tot vandaag als een permanent en gewaardeerd filiaal van de Capitolijnse Musea in gebruik is gebleven, zij het dat het veel minder bekend is.

www.museicapitolini.org