Wat er zoal gebeurde op de Capitolijnse heuvel

We hebben het de voorbije dagen gehad over het stadhuis van Rome (het Senatorenpaleis), de Capitolijnse Musea en het Tabularium (het gedeelte dat zich ondergronds bevindt), allen verzameld op wat we vandaag kennen als Piazza del Campidoglio. Het is misschien nuttig om even te situeren hoe deze plek er in de oudheid uitzag. Bezoekers moeten hier zeker even stilstaan om te bedenken dat het Romeinse verhaal hier begonnen is. Deze omgeving was het centrum van waaruit Rome een machtig en zeer uitgestrekt imperium zou uitbouwen.

De huidige Piazza del Campidoglio ligt op de plaats van het Asylum, het dal (intermontium) dat de verbinding maakte tussen de twee heuveltoppen, de Capitolinus en Arx. Deze plaats werd volgens het verhaal door Romulus gebruikt als verzamelplaats voor vluchtelingen van naburige volkeren die bereid waren zich aan te sluiten bij de Romeinen, ze kregen ‘asiel’. Rome was in de vroegste tijden een vrijplaats voor bandieten.

Het gewicht van het oude Rome verschoof met de tijd naar de vallei aan de zuidoostkant van het Asylum, tussen in het westen de Capitolinus, in het noorden de Quirinalus, de Viminalus en de Esquilinus, in het oosten de Velius en in het zuiden de Palatinus en de Germalus (de westelijke top van de Palatijn). In deze vallei zal het Forum Romanum geleidelijk worden uitgebouwd. Het centrum van de stad verschuift definitief naar de plek waar het zich vandaag nog altijd bevindt, ten noordwesten van het Asylum. Op de plaats van het Asylum ligt nu de Piazza del Campidoglio.

Op wat nu de Capitolijnse heuvel wordt genoemd en waar je vandaag het stadhuis van Rome en de Capitolijnse Musea aantreft, bevond zich in de oudheid de befaamde tempel van Jupiter. Toen deze prachtige tempel in 455 na Chr. bij de inval van de Vandalen onder leiding van Genserik werd verwoest en nadat de schatten van Rome waren geroofd, verviel de hele Capitolinus en de directe omgeving al gauw tot een soort spookstad. Het was een plek om te mijden.

Vooral de toen nog jonge Kerk wilde met dit toppunt van heidendom niets te maken hebben en liet de plek over aan wilde wijnstokken, onkruid en weiden waar enkel nog geiten graasden tussen de ruïnes. In de volksmond werd het Capitool al gauw de ‘Monte Caprino’ of de Geitenberg genoemd, een benaming waaraan de huidige Via di Monte Caprino aan de zuidkant van de heuvel nog steeds herinnert. Het heeft toen niet veel gescheeld of Rome was gewoon weggedeemsterd tot één van de vele kleine Italiaanse stadjes.

De tempel van Jupiter Optimus Maximus, waarvan we dankzij onder meer muntvondsten, behoorlijk goed weten hoe die er heeft uitgezien, werd nooit meer hersteld, al bleven de laatste zuilen nog staan tot de vijftiende eeuw. Toen werden ze definitief neergehaald om tot kalk te worden verbrand. Slechts enkele marmeren panelen uit de originele tempel overleefden de tijd en werden herbruikt in de Santa Maria della Pace, vlakbij de Piazza Navona en de Santa Maria dell’Anima.

De vijftiende-eeuwse geleerde, schrijver en humanist Poggio Bracciolini (1380-1459) heeft tijdens zijn tocht door Rome in 1447 nog vrij grote delen van de tempel overeind zien staan. Een deel van de fundamenten van de tempel van Jupiter kan je tegenwoordig nog wel zien in de Capitolijnse musea. De heuvel waar dit alles zich afspeelde, had zoals vermeld oorspronkelijk twee toppen: de lagere en zuidelijke Capitolinus met de voormelde tempel van Jupiter, en net ernaast de hogere noordelijke Arx waar zich de ‘burcht’ en later de tempel van Juno Moneta en het Auguraculum of augurium bevonden.

Tussen 1895 en 1911 werd vlak naast deze historische heuvels, het enorme monument van koning Victor Emanuel II gebouwd dat uitkijkt over de Piazza Venezia. Het witte gebouw overheerst de hele omgeving en is in Rome en elders in Italië beter bekend als het Altare della Patria (Altaar van het Vaderland) of kortweg Il Vittoriano. Daardoor heeft de Arx tussen het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw een dramatische defiguratie ondergaan die nooit meer kan worden hersteld, tenzij men het Vittoriano zou afbreken.

Net vóór de achterkant van het Vittoriano staat de sobere maar bijzondere Santa Maria in Aracoeli, een fraaie basiliek waar we binnenkort nog uitgebreid op zullen terugkomen. Hier bevond zich in de oudheid de tempel van Juno Moneta of Juno ad Monetam bevond. ‘Moneta’ verwijst naar de naam van de plaats waar de Romeinse munten of ‘moneta’ geslagen werden, een woord dat je nog steeds kan terugvinden in het Engelse money, het Franse monnaie, het Spaanse moneda en nog verscheidene andere talen. Volgens een recente studie van Crawford gebruikte de Romeinse munt aan het begin van de eerste eeuw v. Chr. ongeveer 50 ton zilver per jaar.

De restanten van de tempel van Juno Moneta liggen vermoedelijk onder de dertiende-eeuwse Santa Maria in Aracoeli. Gezien de ligging en de structuur van de kerk die op een heuveltop werd gebouwd, zijn hier tot dusver nauwelijks noemenswaardige archeologische opgravingen gebeurd. De tempel van Juno Moneta blijft daardoor één van de grootste archeologische mysteries van de stad.

Waarom de Romeinse staatsmunt ‘moneta’ heette, vertelt Cicero. Het woord zou afgeleid zijn van het Latijnse ‘monere’ of waarschuwen; moneta betekende ‘zij die waarschuwt’. Hiervoor bestaan twee theorieën. De eerste stelt dat het woord werd toegevoegd aan de tempel van Juno omdat er net vóór een aardbeving uit de tempel een opmerkelijk geluid klonk om de Romeinen te waarschuwen dat ze hun huizen moesten verlaten. De tweede uitleg gaat terug tot het verhaal van de snaterende ganzen. In de tempel van Juno stonden inderdaad beelden van zilveren ganzen, dit ter herinnering aan de beroemde ganzen die alarm sloegen en ‘waarschuwden’ toen de Galliërs in 390 v. Chr. de Capitolinus probeerden in te nemen.

In 390 v. Chr. (volgens sommige bronnen in 387 v. Chr.) werden de Romeinen tot hun grote verbijstering verslagen door Galliërs. De apostel Paulus noemde ze later Galaten, naar het Griekse Galatai en Latijnse Galli voor de Midden-Europese Kelten. Maar voor de Romeinen waren het gewoon een groep barbaren, mensen die een onverstaanbare taal spraken en die opeens in het centrum van Italië verschenen waren. Waar ze precies vandaan kwamen was voor de Romeinen niet zo belangrijk, wel dat ze vijandig waren en plots voor hun deur stonden.

De fatale veldslag vond plaats op 18 augustus aan de Allia, een zijrivier van de Tiber ten noorden van Rome. De nederlaag van het Romeinse leger opende de weg voor de Galliërs om Rome te plunderen. De dag van deze nederlaag bleef gedurende eeuwen op de Romeinse kalender, de fasti, gelden als een ‘diës ater’, een ongeluksdag. Na de nederlaag werd Rome dus kaalgeplukt, enkel het Capitool bleef in Romeinse handen. Dat had een goede reden: de helling bleek voor de barbaren immers een onneembare hindernis te zijn, maar een verkenner ontdekte een pad. In doodse stilte beklommen een aantal Galliërs de steile wand. Toen de eerste man boven was, sloegen waakzame ganzen, de heilige dieren van Juno, alarm.

Ene Marcus Manlius, die in 392 v. Chr. consul was geweest, stormde verbeten vooruit en stootte de eerste vijanden manhaftig met zijn schild terug de diepte in. De commandant van de slapende wachters werd achteraf op beschuldiging van landverraad van de Tarpeïsche rots geworpen, een hoge en steile rots aan de zuid-westkant van de Capitolijnse heuvel. Toch hield het beleg na het alarm der ganzen niet op. Na zeven maanden vonden de Galliërs onder leiding van Brennus (wat een Keltisch woord zou zijn dat koning betekent) het welletjes, wellicht omdat hun eigen gebieden ondertussen bedreigd werden door de Venetianen.

Ze boden de Romeinen aan om in ruil voor veel goud hun aanvallen te staken. Nog vóór deze koop gesloten was kwam Furius Camillus tussenbeide en verweet de Romeinen hun twijfelachtige en laffe houding met de uitspraak: ‘het is niet met goud dat men Rome verovert, maar met ijzer’. Daardoor ging de afkoop met goud uiteindelijk niet door en werden de Galliërs alsnog met het zwaard verslagen. Na dit succes werd de stad vlug maar nogal wanordelijk heropgebouwd, wat volgens sommigen een verklaring zou kunnen zijn voor het ingewikkelde stadsplan van het oude (en delen van) het huidige Rome.

Gedurende de daaropvolgende eeuwen werden op het Capitool elk jaar enkele waakhonden gekruisigd, dit als een postume straf voor de honden die hadden nagelaten te blaffen, terwijl Juno’s ganzen als blijvende beloning voor het gegak van hun voorouders op kussens van purper en goud het schouwspel bijwoonden en toekeken hoe de arme honden aan hun einde kwamen.

De Arx was ook de verzamelplaats van de auguren, de priesters van het Auguraculum of augurium, met als opdracht de vlucht en de kreten van de vogels te interpreteren. Omdat de Romeinen overtuigd waren dat de goden het lot van de mensen konden beïnvloeden, vonden ze het belangrijk te achterhalen wat de wil van die goden was. Daarvoor beschikten ze over het college der auguren, een aantal mannen gekozen uit de heersende klasse. Zij raadpleegden de goden alvorens belangrijke beslissingen te nemen, meestal gebeurde dit door middel van vogelwichelarij. Het is een griezelige gedachte dat belangrijke beslissingen die gevolgen hadden voor het hele Romeinse rijk, mede werden bepaald door de grillige vlucht van enkele vogels.

Het openbare leven in Rome werd inderdaad in sterke mate beheerst door de aard van bepaalde voortekens, want de goden waren niet alleen toeschouwers of luisterende goden, ze communiceerden ook, zij het uitermate duister en dubbelzinnig. Om hun wil te kennen keek men dus naar de vlucht van de vogels in het zwerk, waarbij gelet werd op de soort, de vliegrichting en de hoogte, de wijze van vliegen en eventueel ook het gekrijs, het gezang of het gefluit van de dieren.

Het ambt van augur was van grote betekenis in het politieke leven, want er kon geen belangrijke officiële handeling worden verricht zonder raadpleging van de ‘auspiciën’, letterlijk de voortekens, en de daaropvolgende officiële verklaring dat deze gunstig waren. Een reeds begonnen vergadering kon verdaagd worden of een verkiezing kon ongeldig worden verklaard, als de auguren beslisten dat zich bij het schouwen van de vogels een ongunstig teken had voorgedaan. Misbruik van dit machtige ambt lag dan ook voor de hand, maar de Romeinen probeerden dit tegen te gaan door de wettelijke vereiste van een unanieme uitspraak door de vijftien auguren.

Ook de Grieken waren vogelwichelaars, men herinnert zich hoe de ziener Calchas of Kalchas tijdens de Trojaanse oorlog adviseerde Iphigenia, de dochter van Agamemnon te offeren om de toorn van Artemis te verzoenen. Het officiële vogelschouwen behoort echter tot de Etruskische nalatenschap aan Rome. Het doel van de wichelarij was niet zozeer het voorspellen van de toekomst maar het achterhalen of een voorgesteld besluit de goedkeuring van de goden kon dragen. Het was voor de Romeinen erg belangrijk om dat zeker te weten. De manier waarop kippen hun voer oppikten kon bijvoorbeeld beslissen over het al dan niet aangaan van een gewapende strijd.

Vrijwel alle Romeinen, ook van de allerhoogste rang, namen deze poppenkast volstrekt serieus. Zo werden alle tempels systematisch en verplicht ingewijd door de auguren. Het woord ‘inauguratie’ dat we vandaag nog altijd gebruiken vindt daarin zijn oorsprong. Bij Plinius de Jongere lezen we hoe gevleid hij was bij zijn benoeming tot augur op voorspraak van Trajanus, overigens een benoeming voor het leven (insigne est quod non adimitur viventi). Maar wellicht had Plinius wel in de gaten dat deze belangrijke functie eigenlijk niets voorstelde.

Hij zinspeelt immers nauwelijks op de heiligheid van de macht die met het verlenen van deze waardigheid gepaard gaat (sacerdotium plane sacrum), hij heeft het evenmin over het met niets te vergelijken voorrecht dat voortaan het zijne is, namelijk het interpreteren der tekenen van de goddelijke wil en het instrueren van de magistraten en van de keizer omtrent het belang van hun voorzeggingen. Ook Cicero (106-43) heeft dit ambt bekleed. Herinneren we er aan dat ‘templum’ oorspronkelijk niet naar een sacraal gebouw verwees, maar naar een afgezonderde plek waar priesters samenkwamen om de vlucht der vogels te volgen en te interpreteren.

Binnenkort, bij een bezoek aan de Santa Maria in Aracoeli, komen we nog terug op de auguren en het verband met Augustus. In deze basiliek bevindt zich immers een belangrijk voorwerp dat de auguren tijdens hun bezigheden zouden gebruikt hebben. Schaarse overblijfselen van de originele tempel van Juno Moneta bestaande uit metselwerk in opus quadratum en opus caementicium vinden we vandaag nog terug in het parkje tussen de Santa Maria in Aracoeli en het Senatorenpaleis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.