Archief voor maart, 2018

Een bezoek aan de San Silvestro in Capite

Posted in Romenieuws on 30 maart 2018 by Eric

De San Silvestro in Capite, een basiliek gewijd aan paus Sylvester of Silvester I (315-335) bevindt zich aan Piazza di San Silvestro in het hartje van Rome. De eerste kerk en het bijhorende klooster werd hier gebouwd door paus Stefanus II (752-757) en zijn opvolger en broer Paulus I (757-767) op de plaats van een door keizer Aurelianus (214-275) opgerichte zonnetempel.

Nadat de werkzaamheden in 761 voltooid waren, liet de paus uit de catacomben de resten van talrijke heiligen overbrengen, waaronder de relieken van drie heilige pausen uit de eerste eeuwen, Anterus (235-236, de achttiende opvolger van Petrus), Stefanus I (254-257) en Silvester I (314-335), een tijdgenoot van keizer Constantijn.

Wegens de plunderingen, vernielingen en het algemene verval van de catacomben, wijzigde de Romeinse Kerk zijn politiek betreffende het verplaatsen van relieken, iets wat Rome gedurende eeuwen steeds formeel had verworpen. Enkel de pausen afkomstig uit het oosten hadden deze praktijk toegestaan. Omstreeks 750 herneemt Rome dit gebruik met de Griekse paus Zacharius (741-752).

De toevoeging ‘in Capite’ heeft betrekking op het reliek van (een deel van het hoofd) van Johannes de Doper, dat zich in de kerk bevindt. Dat kwam daar terecht doordat het relikwie in de twaalfde eeuw door paus Innocentius II verplaatst werd. Vanaf toen werd het gebouw officieel de San Silvestro in Capite genoemd.

In het begin van de dertiende eeuw (tussen 1198 en 1216) werd de kerk herbouwd en in het begin van de zeventiende eeuw (tussen 1593-1601) werd alles nog eens overgedaan. De gevel werd precies een eeuw later gerealiseerd door Domenico de’ Rossi.

De klokkentoren of campanile uit 1210 draagt een oudere, twaalfde-eeuwse bronzen haan, de enige in Rome. De oude Sint Pietersbasiliek had destijds ook een haan, die is nu te zien in het Tresoro, de Schatkamer in de Sint-Pietersbasiliek.

De huidige San Silvestro is een ontwerp van Francesco da Volterra (1535-1594) die bij het begin van de werkzaamheden stierf. We mogen deze da Volterra niet verwisselen met Daniele da Volterra (1509-1566), de vriend van Michelangelo.

Carlo Maderno (1556-1629) werd in 1595 bij de werken betrokken en bouwde toen ook de koepel zoals hij onder meer ook de koepel van de San Giovanni dei Fiorentini en de Sant’ Andrea della Valle realiseerde. Maderno is ook de architect die de Sint-Pietersbasiliek verlengde en een gevel gaf.

Carlo Rainaldi tekende het hoogaltaar van de San Silvestro en zorgde voor de versieringen (1680-1696). Sinds 1890 wordt de kerk op verzoek van Leo XIII geleid door Engelse rooms-katholieke priesters, de ‘Padri Pallottini’ zijnde de Society of the Catholic Apostolate of de Pallottijnen die in de hele wereld scholen beheren.

Het klooster, waar tot 1876 zusters Clarissen verbleven, werd in datzelfde jaar door de Italiaanse staat onteigend en werd in 1878 door Giovanni Domenico Malvezzi omgevormd tot het hoofdkantoor van de Poste Italiane.

De San Silvestro in Capite wordt algemeen beschouwd als de Engelse nationale kerk in Rome, maar is ook één van de trefpunten van de Filippijnse immigrantengemeenschap in Rome. Het is de titelkerk van Louis-Marie Ling Mangkhanekhoun uit Laos, die nog maar sinds juni vorig jaar door paus Franciscus tot kardinaal werd gecreëerd.

In de voorhal (met een mooi zicht op de campanile) vinden we tegen de gevelmuur, uiterst rechts van de toegangsdeur een marmeren plaat uit 1119, waarop de toenmalige abt van het Sint-Silvesterklooster, een zekere Pietro, een excommunicatie uitspreekt over al wie de zuil van Marcus Aurelius (waarvan de San Silvestro eigenaar was) aan anderen zou verkopen of verhuren. Het is de grote verticaal geplaatste steen helemaal rechts in de middelste horizontale rij.

Het interieur van de kerk verkeert al jaren in slechte staat. Sinds 2008 worden met mondjesmaat restauratiewerken uitgevoerd. In de kapel links van de ingang wordt, rechts tegenover de pietà, op het altaar in een wassen bol in een glazen kistje een deel van de voormelde schedel van Johannes de Doper bewaard. De kapel die onder andere door Petrarca vermeld wordt in een brief aan zijn vriend Philippe de Vitry, wordt nog steeds druk bezocht.

Johannes de Doper werd op bevel van Herodes Antipas, zoon van Herodes de Grote die de tempel van Jeruzalem herbouwde, gearresteerd omdat hij diens woede had opgewekt door hem te verwijten in strijd met de joodse wet te zijn getrouwd met Herodias, de echtgenote van zijn halfbroer.

Herodias organiseerde een verjaardagsfeestje voor haar man, waarop haar dochter Salome zo verleidelijk danste dat ze van haar stiefvader alles kon krijgen wat ze maar wenste. Ze koos, op aanstoken van Herodias, het hoofd van Johannes de Doper op een zilveren bord. Er bestaan nog enkele andere versies en varianten op dit verhaal.

De kerk bezit een prachtig zeventiende-eeuws orgel en schilderijen van kleine meesters uit dezelfde periode. De eerste kapel rechts toont een mooie ‘Madonna en Kind met de heiligen Antonio en Stefano’ (1695), een werk van Giuseppe Chiari (1654-1727) van wie we veel moois in verschillende Romeinse kunnen zien. Let ook op de ‘Sint Franciscus’ door Orazio Gentileschi (1563-1639) uit Pisa in de tweede kapel rechts.

Orazio was de vader van Artemisia Gentileschi (1593-1652) over wiens leven en werk vorig jaar in Rome nog een mooie tentoonstelling te zien was. Orazio Gentileschi was tevens zowat de enige vriend van Caravaggio. Hij nam veel van diens stijl over maar wel herdacht en op zijn eigen subtiele manier. In de tweede kapel links wordt in de kerstperiode een prachtige stal geplaatst, een evocatie van een oude Romeinse straat.

In de basiliek bevinden zich in de laatste kapel links de overblijfselen van een cosmatenvloer uit de dertiende eeuw. De pendentieven van de koepel werden geschilderd door Cristoforo Roncalli (1553-1626) die zijn bijnaam Pomarancio deelt met Niccolò Circignani, die een paar decennia eerder actief was en met diens zoon Antonio Circignani.

In de crypte van de San Silvestro, die je gedeeltelijk vanuit het transept kan zien, zijn tufablokken en andere overblijfselen te zien van de eerste kerk uit de achtste eeuw.

Limited edition zomer-T-shirts Fendi geïnspireerd door Romeinse locaties

Posted in Romenieuws on 30 maart 2018 by Eric

Goed nieuws voor alle modebewuste vrouwen: het bekende Romeinse modehuis Fendi lanceert in april zes exclusieve limited edition T-shirts, geïnspireerd door de stad Rome. Later zullen in deze nieuwe kleurrijke Fendi Pop Tour-collectie nog andere steden worden toegevoegd.

De nieuwe T-shirts verwijzen naar beroemde locaties in Rome met zowel teksten als prints en geven de namen een ironische toets mee. Zo zijn er onder meer Colosseo Beach, Fendi Palace, Trevi Falls, Appia Antica Boulevard, Testaccio Bay en Trastevere Sunset. Alleen in Palazzo Fendi, de flagshipstore in Rome, is nog een zevende versie verkrijgbaar: West Garbatella.

De kleurencombinaties van de zomershirts bevatten tevens tropische elementen zoals grafische afbeeldingen van palmbomen, flamingo’s, zonsondergangen, enz.  De T-shirts zijn van katoen en hebben korte mouwen.  Ze worden geleverd in een exclusieve verpakking: een doos waarin de kleurrijke afbeeldingen terug te vinden zijn, samen met stickers om deze te personaliseren.

Het modehuis Fendi werpt zich in Rome de jongste jaren vooral op als sponsor van een aantal fonteinen waaronder ook de beroemde Trevi-fontein. Drie jaar geleden vestigde het modehuis zijn nieuwe administratieve hoofdzetel in het gerestaureerde Palazzo della Civiltà del Lavoro, in de volksmond vaak het Colosseo Quadrato geheten in de EUR-wijk. Mode-ontwerpster Carla Fendi, één van de vijf zussen die het merk groot maakten en het zakelijke brein achter de onderneming, overleed in juni vorig jaar.

Een kort promofilmpje voor de nieuwe t-shirts vind je hier.

 

Het horrormuseum van Dario Argento in Rome

Posted in Romenieuws on 28 maart 2018 by Eric

Los van de vele belangrijke stedelijke, provinciale en nationale musea vind je in Rome ook heel wat private musea en bijzondere collecties. Een buitenbeentje in die laatste categorie is het Museo degli Orrori. Jawel, Rome heeft een heus horrormuseum. Het bevindt zich een beetje anoniem in de deftige wijk Prati, onder een winkel die horrorspullen, affiches van horrorfilms, filmcuriosa en boeken verkoopt.

In de kelder van de Profondo Rosso Store aan de Via dei Gracchi 260 in Rome kan je dagelijks (behalve op zondag en feestdagen) het Museo degli Orrori di Dario Argento bezoeken. De toegangsprijs bedraagt 5 euro. Het museum werd opgericht door de bekende schrijver, producent, componist en horror-filmregisseur Dario Argento die op deze plaats reeds in 1989 een speciale winkel opende, gewijd aan horror en science-fiction, en waar je allerlei mysterieuze zaken, verkleedspullen, dvd’s, boeken en strips kan kopen.

Dario Argento is in Italië en voor een groot aantal fans wereldwijd een ware cultfiguur. In het horrorgenre wordt hij algemeen erkend als een echte grootmeester, al maakte hij na een mislukt Hollywood-avontuur in de jaren ’80 van de vorige eeuw enkel nog low-budgetfilms met zijn eigen onafhankelijke productiemaatschappij Medusa.

Het museum was een logisch vervolg van zijn niet zo alledaagse werk. Profondo Rosso, genoemd naar de titel van een van zijn vele films (uit 1975), profileert zich dan ook niet alleen als winkel en museum maar vooral als een ontmoetingsplaats en een trefpunt voor alle fans van het horrorgenre. Veel bekende liefhebbers waaronder muzikant Alice Cooper en filmregisseur Tim Burton kwamen er al op bezoek.

De films van Dario Argento vormen dan ook de basis van dit museum. Een aantal van de bijzondere stukken die aan het publiek worden getoond in onheilspellend donkere ruimtes is origineel materiaal dat werd gebruikt in de films van Dario Argento, waaronder Phenomena, Opera, Demoni, La Chiesa en La Sindrome di Stendhal. De bezoeker wordt op de hoogte gehouden van wat er te zien is door de naargeestige stem van een geest.

Via de website kan je ook online spullen kopen maar je kan er ook ideeën uitwisselen, nieuws volgen, foto’s bekijken en alles volgen wat er op muzikaal en filmisch vlak gebeurt in de wereld van de horrorfilm.

Museo degli Orrori di Dario Argento
Via dei Gracchi 260, Rome
(kelderruimte Profondo Rosso Store)
www.profondorossostore.com

Diefstal aubergine kost Italiaanse Staat duizenden euro’s

Posted in Romenieuws on 28 maart 2018 by Eric

Liefst negen jaar na de feiten is een 49-jarige Italiaan uit Lecce (Püglia) door het Hof van Cassatie vrijgesproken van diefstal van een aubergine. De verschillende rechtszaken hebben de Italiaanse belastingbetaler 7.000 tot 8.000 euro gekost omdat de man in kwestie te arm was om zelf een advocaat te kunnen betalen. De man werd in 2009 betrapt met een aubergine in zijn emmer toen hij probeerde te vluchten uit een veld. Zijn smeekbede dat hij werkloos was en enkel zijn kinderen te eten wou geven, haalde niets uit bij de agenten die hem oppakten. Ook de rechter in eerste aanleg toonde zich onverbiddelijk en gaf hem een gevangenisstraf van vijf maanden en een boete van 500 euro. De advocaten van de man konden die straf in beroep daarna terugbrengen tot twee maanden cel en 120 euro.

Toch bleef de man erbij dat hem onrecht was aangedaan en dat de rechters weinig of geen rekening hadden gehouden met het feit dat hij geen geld had om fatsoenlijk eten te kopen voor zijn gezin. Zijn advocaten trokken daarop naar het Hof van Cassatie in Rome. Daar werd de man deze week vrijgesproken. De rechters in Rome gaven de man gelijk en spraken van een uitermate zwakke zaak die door het parket werd voorgeleid. De man handelde duidelijk om de honger van zijn gezin te stillen. Er zijn redenen tot rechtvaardiging, motiveerden de rechters het vonnis. Het oorspronkelijke oordeel werd daarom vernietigd. Het Hof van Cassatie hekelde ook het feit dat de Italiaanse Staat aan een dergelijke futiele zaak zoveel geld heeft uitgegeven.

Romeinse legionairs op weg naar Gallo-Romeins Museum in Tongeren

Posted in Romenieuws on 27 maart 2018 by Eric

Tussen 4 en 8 april 2018 trekken Romeinse legionairs door onze streken. Met pak en zak, in volle wapenrusting en met hun lastdieren. Het gaat om een experiment van de Gentse re-enactmentgroep Desmumhnach. Op zondag eindigt hun tocht in het Gallo-Romeins Museum van Tongeren. Het publiek wordt uitgenodigd om de soldaten op te wachten en met hen in gesprek te gaan. Er zijn demonstraties en try-outs.

De soldaten van de Romeinse Legio VII maken een voettocht van 100 kilometer door Vlaams-Brabant en Limburg. Ze trekken van Tienen naar Geetbets en vervolgens via Linter, Landen, Gingelom, Zoutleeuw, Sint-Truiden en Borgloon naar Tongeren. Hun tocht eindigt in het Gallo-Romeins Museum. Daar komen ze aan op zondag 8 april omstreeks 14 uur.

De tien legionairs dragen een uitrusting uit de eerste eeuw v. Chr. en meer bepaald uit de tijd van de Gallische oorlogen. Vanaf 57 v. Chr. begint het leger van de Romeinse veldheer Julius Caesar aan de verovering van onze streken. Ook Ambiorix en zijn Eburonen worden verslagen. Vanaf dan maakt onze regio deel uit van het Romeinse Rijk.

De soldaten zijn te zien in volledige wapenrusting. Ze trekken rond met hun lastdieren. Die dragen levensnoodzakelijk materiaal zoals tenten en maalstenen. Onderweg zorgen de legionairs voor hun voeding. Ze malen graan en bakken brood. Ook proberen ze een aantal antieke recepten uit. ’s Nachts trekken ze de wacht op en leggen ze een kampvuur aan.

Via dit experiment willen de leden van Desmumhnach proefondervindelijk leren over het soldatenbestaan in de Romeinse tijd. Ze willen ervaren hoe het er dagelijks tijdens zo’n marstocht aan toeging. Alles gebeurt met kennis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. De legionairs maken ruim tijd om verslag uit te brengen over hun tocht. Geïnteresseerden mogen hun wapenrusting uitproberen: een wapen in de hand nemen, een helm opzetten of borstharnas aantrekken. Ook zijn er demonstraties zoals het breien van netten en malen van graan.

Patrick Dewael, de burgemeester van Tongeren, is blij dat de legionairs van Desmumhnach zijn stad hebben gekozen als eindbestemming. “Dat is geen toeval. In de Romeinse tijd heette onze stad ‘Atuatuca Tungrorum’. Na de Romeinse verovering groeide ze uit tot hét religieus, commercieel en politiek centrum van de regio. Die was een pak groter dan het huidige Limburg. Dat boeiende verhaal vertellen we in het Gallo-Romeins Museum”, aldus de burgemeester.

Zondag 8 april, om 14 uur komt de eenheid aan in het Gallo-Romeins Museum. De soldaten zijn aanwezig tot 17.30 uur. De demonstraties zijn gratis en vinden plaats op het museumplein of bij slecht weer in de inkomhal. Ze zijn geschikt voor kinderen. De toegang tot de collectie van het Gallo-Romeins Museum is betalend.

De schedel van Plinius de Oudere

Posted in Romenieuws on 27 maart 2018 by Eric

Italiaanse wetenschappers zijn bezig met een project dat de resten van Plinius de Oudere met zekerheid moet identificeren. Ongeveer honderd jaar geleden werden in Castellammare di Stabia (in de oudheid Stabiae) een zeventigtal skeletten opgegraven. Afgaande op de uitrusting en de wapens die op één skelet werden aangetroffen, ging de ontdekker ingenieur Gennaro Matrone er al gauw vanuit dat het om de overblijfselen van de bekende Romeinse schrijver en veldheer Plinius de Oudere ging. Die werd op het strand van Stabiae tijdens een reddingsactie, vlak na de beruchte uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr., verrast door een giftige wolk waardoor hijzelf en een aantal manschappen omkwamen.

Italiaanse wetenschappers hebben een techniek ontwikkeld waarmee ze de identiteit van het skelet met zekerheid zullen kunnen vaststellen. Indien succesvol, zou het de eerste positieve identificatie zijn van de overblijfselen van een hooggeplaatste figuur uit het oude Rome. Via namen en inscripties op sarcofagen en in catacomben zijn de laatste rustplaatsen en soms ook nog de resten van talrijke belangrijke overledenen uit de oudheid gekend. Resten van echt hooggeplaatste figuren werden echter nooit positief geïdentificeerd, afgezien van verhalen en legendes die werden gekoppeld aan de relikwieën van christelijke heiligen en martelaren.

Zeker de overblijfselen van figuren zoals Julius Caesar of keizers zoals Augustus, Hadrianus of Trajanus zijn nooit teruggevonden. Dat komt natuurlijk omdat de Romeinen gedurende een groot deel van hun geschiedenis de voorkeur gaven aan crematie. Als die resten werden begraven gebeurde dat in een kleine urne. Een groot contrast met bijvoorbeeld de Egyptenaren die hun leiders netjes als mummie in een rijkelijk versierde sarcofaag stopten en die vervolgens in een grafkamer vol schatten plaatsten.

Daarnaast werden na de val van het Romeinse rijk talloze sites en grafmonumenten geplunderd. De afbraakpolitiek en plunderingen duurden eeuwenlang, het hoeft dus niet te verwonderen dat ook de urnen met de resten van hooggeplaatste Romeinen voorgoed verdwenen zijn in de nevelen van de tijd. De tijdscapsule die Pompeï en de onmiddellijke omgeving vormt, heeft in het geval van de vermeende Plinius wellicht het verschil gemaakt.

In 79 na Christus voltrok zich een gigantische natuurramp. De top van de vulkanische Vesuvius explodeerde. Giftige gassen ontsnapten en vormden een gigantische zwarte wolk; midden op de dag werd het nacht en bedekte een regen van as en puimsteen het welvarende stadje Pompeï. Ook het kleinere Herculaneum verdween voorgoed toen het werd bedolven onder een stroom van kokende lava. Het leven in deze kustplaatsen in de baai van Napels kwam abrupt tot stilstand. Plinius de Oudere zette vlak na de uitbarsting van de Vesuvius een grote reddingsactie op touw. Bij die reddingsactie kwam de man echter zelf om. Het relaas van Pompeï en het verhaal van wat er met Plinius gebeurde, werd later geschreven door zijn neef Plinius de Jongere. In zijn kroniek verhaalt hij hoe zijn oom op het strand van de Golf van Napels overleed toen hij in een wolk van gifgas belandde.

Het is niet met zekerheid geweten hoeveel mensen de veiligheid van de schepen hebben bereikt voordat de gifwolk op het strand van Stabiae arriveerde. De interventie van Plinius heeft wellicht wel 2.000 mensen gered, een aantal dat ongeveer gelijk is aan het geschatte aantal mensen dat tijdens de uitbarsting is gedood in de vernietigde steden Pompeï, Herculaneum en Stabiae. Indirect bewijs hiervoor werd gevonden in de jaren ’80 van de vorige eeuw, toen archeologen in de oude haven van Herculaneum de overblijfselen ontdekten van een Romeinse legionair en een verbrande boot, mogelijk een bemanningslid en wellicht één van de reddingsboten uit de vloot van Plinius. In die periode werden in Herculaneum ook de resten ontdekt van ongeveer 300 mensen die hun toevlucht hadden gezocht in de overdekte scheepshallen van de haven, maar die geen weet hadden van de beruchte pyroclastische golf, een zeer hete wolk vulkanisch gas die kenmerkend is voor dit soort uitbarstingen. Die wolk kostte hen alsnog het leven.

In het begin van de twintigste eeuw ontdekte ingenieur Gennaro Matrone ongeveer 70 skeletten aan de kust bij Stabiae. Eén van de lichamen droeg een gouden drievoudige halsketting, gouden armbanden en een kort zwaard versierd met ivoor en schelpen. Matrone jubelde al snel dat hij de overblijfselen van Plinius de Oudere had gevonden. De plaats waar de resten zich bevonden en de omstandigheden leken hem gelijk te geven, maar archeologen uit die tijd lachten de theorie van Matrone weg en stelden dat een Romeinse bevelhebber niet zou rondlopen bedekt met allerlei sieraden ‘zoals een ballerina’.

Boos en vernederd verkocht Gennaro Matrone de gevonden juwelen aan onbekende kopers die nooit meer werden teruggevonden. De wetgeving over het behoud van archeologische schatten waren toen nog erg laks of werden in de praktijk nauwelijks toegepast. De meeste gevonden botten werden vervolgens herbegraven, want niemand wilde ze hebben. Alleen de schedel van de vermeende Plinius en zijn zwaard werden behouden. Deze artefacten werden later geschonken aan het Museo Storico Nazionale dell’Arte Sanitaria, een klein maar toch wel interessant museum over de geschiedenis van de geneeskunde in Rome, waar ze tot vandaag bewaard bleven maar gaandeweg vergeten werden.

Tot voor kort dus. Want archeologen denken vandaag heel anders over de vondst. Te oordelen naar het type zwaard en de tekeningen die Gennaro Matrone destijds maakte van de sieraden die werden aangetroffen op het skelet (de originele voorwerpen zijn dus vermoedelijk voorgoed verdwenen) oordelen huidige wetenschappers dat deze decoraties en eretekens zeker wel gebruikelijk waren bij hooggeplaatste Romeinse marineofficieren waartoe Plinius dus behoorde.

Een antropoloog die de schedel in het museum had bestudeerd, concludeerde dat die behoorde aan een man van rond de vijftig. Van Plinius de Jongere weten we dat zijn oom 56 was toen hij stierf. Allemaal aanwijzingen dat het dus toch om Plinius de Oudere zou kunnen gaan, al hoeden archeologen zich voor overhaaste conclusies. Daarom worden nu twee testen uitgevoerd: een vergelijking tussen de morfologie van de schedel met bekende bustes en afbeeldingen van Plinius en, belangrijker, een onderzoek van de isotopen in zijn tanden.

Wanneer we water drinken of iets eten, eender of het nu planten of dieren zijn, komen de mineralen uit de bodem ons lichaam binnen. Die bodem heeft op elke plaats een andere samenstelling. Door de isotopen in het tandglazuur dat in de kindertijd wordt gevormd, te vergelijken met deze in bodemmonsters, kunnen wetenschappers tegenwoordig vrijwel exact bepalen waar iemand is opgegroeid. Plinius is geboren en getogen in Novum Comum, het huidige Como in Noord-Italië.

Pier Paolo Visentin, de secretaris-generaal van de Accademia di Storia dell’Arte Sanitaria, die verantwoordelijk is voor het museum dat de schedel bewaart, werd overhaald een tand van de schedel op te offeren aan het onderzoek. Indien het werkelijk om Plinius gaat, zou deze bevestiging het kleine museum veel publiciteit opleveren. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Isolina Marota, een moleculair antropologe van de Universiteit van Camerino in de Marche.

Gaius Plinius Secundus, ook wel Plinius Maior (de Oudere) geheten, werd geboren in Como in het jaar 23 of 24 en bouwde tijdens zijn leven een indrukwekkende carrière op. Hij was een Romeinse militair, magistraat en schrijver, officier in Germania (47-57), procurator in Gallia Narbonensis, Africa en Gallia Belgica, admiraal van de Romeinse vloot in Micene en raadgever van keizer Vespasianus.

Van zijn omvangrijke oeuvre, dat zowel historische geschriften (onder meer Bellorum Germaniae libri XX) als geschriften op het gebied van retorica en grammatica (onder meer Studiosus) omvatte, is slechts het encyclopedische werk in 37 boeken, de Naturalis historia, bewaard gebleven, een werk daterend uit 77. Het (literair weinig waardevolle) werk behandelt de wiskundige en natuurkundige beschrijving van het heelal, de geografie, de etnografie, de antropologie, de dierkunde, de plantkunde, geneesmiddelen uit het planten- en dierenrijk en beschrijft in de boeken 33 tot 37 de mineralogie.

In deze laatste boeken heeft Plinius in verband met het gebruikte materiaal ook de kunstgeschiedenis behandeld. Deze geweldige compilatie werd geëxcerpeerd door onder andere Solinus (derde eeuw na Chr.) en in de Medicina Plinii (vierde eeuw). Vooral in de middeleeuwse wetenschap zien we overal sporen van het gebruik van Plinius’ werk. Tijdens de vulkaanuitbarsting werd Plinius in de eerste plaats ook gedreven door zijn wetenschappelijke interesse voor de uitbarsting van de Vesuvius; de reddingsactie waarbij hij de dood vond kwam pas later.

DE UITBARSTING IN POMPEI IN 79 – ACHTERGROND

Pas bij opgravingen in de achttiende en de negentiende eeuw bleek dat Pompeï en de stadjes in de omgeving vrijwel intact bewaard waren gebleven. Nergens kan men het dagelijkse leven van de Romeinen, hoe ze leefden en woonden zo helder in kaart brengen. Ondertussen is ongeveer twee derde van Pompeï blootgelegd. Interessant is dat de site een schat aan informatie bevat over de Romeinse planologie en over hoe de Romeinen omgingen met de bouw van hun steden. Deden ze aan stadsplanning of werd er zomaar wat gebouwd?

Archeologen verdeelden Pompeï in negen regio’s. Ze stelden vast dat er een oude stad was rond het forum, waar het politieke, religieuze en commerciële centrum was. Daarachter waren nieuwere delen die een duidelijk stadsplan hadden: huizenblokken omgeven door rechte straten in een dambordstructuur. Een dergelijke opbouw vinden we vandaag ook in New York. Binnen de huizenblokken hadden de straten dezelfde breedte van 2,5 m tot ongeveer 4,5 m.

Ezelskarren werden via eenrichtingsverkeer in goede banen geleid. Links en rechts waren verhoogde voetpaden, met stapstenen als zebrapad zodat de mensen met propere en droge voeten de overkant van de straat konden bereiken. De straten dienden namelijk ook als afvoerkanalen voor overtollig water uit woon- en badhuizen en voor de stortregens die meteen het vuilnis meesleurden. De wielen van de karren konden passeren door groeven in de stenen.

De inwoners van Pompeï hadden een ingenieus systeem dat hen voorzag van stromend water. Loden pijpen voerden drinkwater aan van een aquaduct 96 km verderop. Watertorens langs de straten zorgden voor een debiet van 42 liter per seconde. Alleen de rijken hadden waterleiding. Gewone burgers moesten hun amforen vullen aan één van de tientallen fonteinen.

Er waren heel wat grote huizen met verdiepingen en versierd met mozaiëken en fresco’s. In het verlengde van het centrale atrium lag meestal een binnentuin, met rondom verschillende woon- en werkvertrekken. De huizen hadden ook commerciële ruimtes aan de straatzijde. Beneden woonden de slaven, zij behoorden tot la famiglia. Men gaat ervan uit dat er geen aparte slavenkrotten bestonden in Pompeï zoals dat in Rome wel het geval was.

Het merendeel van de bevolking – Romeinen, Grieken, Etrusken, joden, Egyptenaren, … – leefde goed. De stad was welvarend dankzij de vruchtbare hellingen van de Vesuvius waar wijn en olijven verbouwd werden. Vooraanstaande Romeinen vonden het er geweldig; de jaren vóór de uitbarsting werden buiten de stadsmuur nogal wat villa’s gebouwd met zicht op zee.

Er was ook altijd iets te doen: Pompeï beschikte over grote theaters en tempels, overdekte markten en drie prachtige thermen, de vierde was in aanbouw toen de fatale uitbarsting de stad overdekte. Rijke mannen deden ‘s ochtends hun zaken, lunchten uitgebreid en spendeerden de rest van de middag in de koele badhuizen.

De ramp in Pompei is van nabij meegemaakt door de achttienjarige Plinius de Jongere. Op het moment van de uitbarsting bevond hij zich samen met zijn moeder in het landhuis van zijn oom, Plinius de Oudere, in Misenum. In twee brieven aan de geschiedschrijver Tacitus doet Plinius de Jongere verslag van deze gebeurtenis.

Hij (Plinius de Oudere) was in Misenum, waar hij persoonlijk het commando voerde over de vloot. Op de 24ste augustus, ongeveer om één uur ’s middags, maakte mijn moeder hem opmerkzaam op een wolk van ongewone grootte en aanblik. Mijn oom had zijn zonnebad genomen en daarna zijn koudwaterbad, hij had ontbeten op zijn rustbank en lag daar nu te werken. Dadelijk vroeg hij om zijn schoenen en hij beklom een heuvel, vanwaar men dat vreemde schouwspel het best kon waarnemen.

Een wolk steeg op (men kon van uit de verte niet duidelijk zien, uit welke berg; later bleek het de Vesuvius te zijn) waarvan het voorkomen en de gedaante zich het best laten vergelijken met een pijnboom. Hoog oprijzend als met een lange stam verbreidde hij zich later met een soort van takken, vermoedelijk omdat hij, door een eerste aanblazing omhoog gestoten, bij het verzwakken daarvan aan zichzelf werd overgelaten of door zijn eigen gewicht gedwongen in de breedte uitvloeide. Nu eens was hij wit, dan weer vuil en gevlekt, naar gelang hij as of aarde meevoerde.

Mijn oom, een man van wetenschap, vond het merkwaardig en de moeite waard om van dichterbij te onderzoeken. Hij liet een jacht zeilklaar maken; hij vroeg mij of ik hem wilde vergezellen; ik antwoordde dat ik liever aan mijn werk wilde blijven; toevallig had hij mij zelf een onderwerp opgegeven. Juist toen hij de deur uitging, kreeg hij een briefje uit Retina, van Bassus, die verschrikt was door het van dichtbij dreigende gevaar, want zijn landhuis lag aan de voet van de berg en vlucht was alleen mogelijk met een schip. Hij smeekte hem uit zijn hachelijke toestand te redden. Terstond verandert mijn oom van plan; wat hij uit weetgierigheid was begonnen, volvoert hij met heldhaftigheid.

Hij brengt vierriemers in zee en gaat zelf aan boord om hulp te brengen niet alleen aan Bassus, maar aan velen, want die bekoorlijke kust had veel vreemdelingen getrokken. Hij spoedt zich dáárheen, vanwaar anderen vluchten; recht de steven, recht het roer gericht naar gevaar, zo onbevreesd, dat hij alle verschijnselen, alle wisselingen van die natuurramp, naarmate hij ze voor ogen kreeg, liet optekenen of zelf optekende.

Reeds viel er as op de schepen, heter en dichter naarmate wij naderden. Toen vielen ook puimstenen en zwarte stenen, door het vuur geblakerd en gebarsten. Een door bergstorting veroorzaakte ondiepte maakte het onmogelijk daar te landen. Een ogenblik aarzelde mijn oom of hij zou omkeren, maar toen de stuurman hem dat voorstelde, riep hij uit: ‘Die waagt, die wint; zet dan koers naar Pomponianus.’ Deze was in Stabiae, aan de andere kant van de golf, want de kust maakt een geleidelijke, maar diepe bocht.

Hoewel het gevaar daar nog verder af was, maar toch duidelijk te zien, en steeds groter werd en naderkwam, had Pomponianus zijn huisraad in bootjes geladen, vastbesloten om te vluchten als de wind, die op de kust stond, was gaan liggen. Diezelfde wind dreef mijn oom met snelle vaart daarheen; hij omarmde zijn angstige vriend, troostte hem, sprak hem moed in en om diens vrees door eigen kalmte te bedaren, liet hij zich naar de badkamer brengen. Na het bad ging hij aanliggen aan tafel en at hij, opgewekt gestemd of, wat even moedig was, opgewektheid voorwendend.

Intussen laaiden uit de Vesuvius hier en daar brede vlammen en hoge branden op, waarvan de gloed en helderheid werden verhoogd door de duisternis van de nacht. (…) Samen overlegden zij, of ze in huis zouden blijven of buiten rondlopen. Want het huis stond te wankelen door herhaalde hevige aardbevingen; het leek wel of het was losgeraakt van zijn fundament en heen en weer schoof. Daar stond tegenover dat men onder de blote hemel te vrezen had voor de vallende puimstenen, al waren die licht en poreus. Toch gaf men na vergelijking van de gevaren aan het laatste de voorkeur. (…) Zij bonden kussens met lakens vast op hun hoofd, tot bescherming tegen al wat er viel.

Reeds was het overal dag, maar daar nacht, zwarter en dichter dan er ooit een nacht was geweest, enigszins verhelderd door tal van fakkels en allerlei lichten. Men besloot naar het strand te gaan en van dichtbij te zien, of de zee al enige kans op vertrekken bood. Maar de zee bleef even woest en vijandig. Men spreidde een laken uit, waarop mijn oom ging liggen; hij vroeg een paar maal om koud water en dronk. Toen naderden vlammen en zwaveldamp, de voorbode van vlammen, die hem wakker maakten en anderen op de vlucht dreven. Steunend op twee slaafjes stond hij op en zakte dadelijk weer ineen; ik vermoed dat door de dichte damp de adem hem werd benomen en de luchtpijp gesloten, die van nature zwak en nauw was en dikwijls ontstoken.

Toen het daglicht terugkeerde (de derde dag na zijn laatste) vond men zijn lichaam, ongeschonden en ongedeerd, geheel gekleed. Hij geleek meer op een slapende man dan op een dode.

Oog op de Oudheid

Posted in Romenieuws on 26 maart 2018 by Eric

Binnenkort komt de traditionele Week van de Klassieken er weer aan, een evenement waarin in heel Nederland en België de oude wereld in het zonnetje wordt gezet. Korte tijd later is er in de Romeinenweek speciale aandacht voor de Lage Landen in de Romeinse tijd. Dit jaar zullen het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden en RomeinenNU de twee evenementen verbinden door Oog op de Oudheid: vier (dinsdag)avonden waarop wetenschappers de laatste ontwikkelingen in de oudheidkunde uitleggen.

Elke avond vindt plaats in de Tempelzaal van het RMO en begint om 20 uur (zaal open 19.30 uur), wordt gepresenteerd door classica Tazuko van Berkel, kent een pauze met Romeinse wijn, geschonken door Manon Henzen van eet!verleden, en eindigt met een korte discussie onder leiding van wetenschapsjournalist Marcel Hulspas. De data zijn  10, 17, 24 april en 1 mei 2018. De toegangsprijs bedraagt 5 euro per avond, of 15 euro voor alle vier de avonden. Aanmelden kan via de website van het RMO.

10 april: Oog op mobiliteit

Elke wetenschap schrijdt voort door nieuwe technieken en daarop is de oudheidkunde geen uitzondering. Op de eerste avond, in de Week van de Klassieken, vertelt Eveline Altena over de (on)mogelijkheden van het DNA-onderzoek, waarvan de eerste conclusies over bijvoorbeeld de Griekse migraties al binnen zijn. In het verlengde hiervan ligt de tweede presentatie, die zal zijn gewijd aan het lopende isotopenonderzoek, dat eveneens toont dat mensen vroeger mobieler zijn geweest dan lang gedacht. De tweede spreker/spreekster is nog niet bekend.

17 april: Oog op de Stoa

Onze visie op de Grieks-Romeinse filosofie verandert voortdurend, want oudheidkundige vragen ontstaan nu eenmaal in het heden. Op de tweede avond bespreken de classici Bert van den Berg en Frans de Haas het Grieks-Romeinse filosofische stelsel dat bekendstaat als de Stoa: in de oudheid bijzonder populair en vandaag de dag in toenemende mate weer. Deze avond gaat over bestaande kritische discussies over de Stoa, waarbij de moderne psychologie en ethiek met inzichten komen die aansluiten bij de antieke Stoa-opvattingen.

24 april: Oog op ethiek

De basis van elke wetenschap bestaat uit rauwe data. Voor zover oudheidkundigen zich beperken tot klassieke teksten en bona fide opgravingen, zijn er geen problemen. Maar wat te doen met gestolen collecties of voorwerpen afkomstig uit clandestiene opgravingen? Hebben die wetenschappelijk waarde of moeten we ze negeren om toekomstige plunderingen tegen te gaan? En hoe stop je illegale handel in tijden dat oudheden een steeds grotere economische betekenis krijgen toegedicht, dit tot grote blijdschap van clandestiene opgravers, sjoemelende kunsthandelaars en vervalsers? Egyptoloog Olaf Kaper behandelt de plunderingen in en vervalsingen uit Egypte; RMO-conservator Lucas Petit vertelt over Syrië en Irak.

1 mei: Oog op je collega

De oudheidkunde is verdeeld in kleine specialismen, die elkaar soms overlappen. Juist dan wordt het interessant. Tijdens de Romeinenweek wordt aandacht besteed aan de Romeinse vlootbasis in Velsen, vrijwel zeker het fort Flevum waarover de Romeinse auteur Tacitus vertelt. Classicus Piet Gerbrandy legt uit hoe een archeoloog – of welke lezer dan ook – het beste kan omgaan met teksten als die van Tacitus, terwijl archeoloog Arjen Bosman toont hoe we scherper inzicht krijgen in Tacitus’ werkwijze door ook te kijken in het bodemarchief.