Archive for 1 maart 2018

De man die zijn naam gaf aan de mooiste Romeinse thermen

1 maart 2018

Vooraleer we de komende dagen even stilstaan bij de beroemde Thermen van Caracalla in Rome, moeten we het eerst even hebben over de man naar wie dit reusachtige en nog steeds indrukwekkende badcomplex is genoemd. De Romeinse keizer Marcus Aurelius Severus Antoninus, oorspronkelijk Bassianus genaamd (186-217) ontleende zijn bijnaam Caracalla aan een door hem bij voorkeur gedragen Keltische soldatencape, de caracalla.

Hij was de oudste zoon van keizer Septimius Severus en Julia Domna (een heerlijk huwelijk), werd in 198 mederegent van zijn vader en huwde Fulvia Plautilla, de dochter van de machtige praefectus praetorio Plautianus. Beiden werden later door Caracalla gedood. In 211 volgde hij samen met zijn jongere broer Publius Septimius Antoninus Geta zijn vader op.

Op 11 juli 212 vaardigde Caracalla bij decreet de vermaarde Constitutio Antoniniana uit. Dit edict schonk alle of vrijwel alle vrijgeboren inwoners van het rijk het Romeinse burgerrecht. Het doel van dit edict was meer belastinggeld te innen om de oorlogskas te spijzen. De acute behoefte aan geld was ontstaan omdat Caracalla zich door de toenemende inflatie genoodzaakt zag om onder andere de soldij van de soldaten te verhogen.

Eind 212 doodde Caracalla zijn broer Geta, samen met velen van diens aanhangers, waaronder de beroemde rechtsgeleerde Aemilius Papinianus, die in de late keizertijd als de grootste van de Romeinse juristen werd beschouwd. Hij was onder keizer Septimius Severus, met wie hij bevriend was, eerst magister libellorum en vanaf 203 praefectus praetorio. Hij had voor zover bekend geen enkel misdrijf begaan, maar werd waarschijnlijk geëxecuteerd omdat hij een aanhanger van Geta was.

In het gebied dat we vandaag kunnen omschrijven als zuidelijk Duitsland sloeg Caracalla in 213 een aanval van de Alamannen op de limes Germaniae Superioris af, de versterkte grenslinie voor de Boven-Rijn, van Koblenz tot Stuttgart. De Alamannen (of Al(l)emannen) waren een verbond van Germaanse volkeren, behorende tot de groep van de Sueven, met als machtigste stam de Semnonen. Een deel van de Sueven werd door Longobarden, Bourgondiërs en anderen naar het westen gedrongen en in 213, ten tijde van keizer Caracalla, voor het eerst in Zuidwest-Duitsland gesignaleerd onder de naam Alamannen.

Daar oefenden zij druk uit op de Germaanse limes, maar werden door Caracalla tot staan gebracht. Na een mislukte doorbraak in 233-234 lukte het hen om in 260 een nieuwe doorbraak te forceren: de Germaanse limes ging definitief verloren en de Alamannen vestigden zich in het gebied achter de limes tussen de Rijn, de Main en de Neckar, de Agri Decumates. De politieke chaos in het Romeinse Rijk lokte verdergaande penetraties uit. Tegen het einde van de derde eeuw consolideerde de toestand: Romeinse tegenoffensieven bleven zonder resultaat en de linie van de Boven-Rijn werd als nieuwe grens van het rijk versterkt.

Omstreeks 350 hadden weer infiltraties van de Alamannen in de Elzas plaats, maar de toekomstige keizer Julianus wist deze door een verpletterende overwinning bij Straatsburg (357) ongedaan te maken. Keizer Valentinianus versterkte omstreeks 370 opnieuw de Rijnlinie en versloeg de Alamannen in het Zwarte Woud. Sinds 390 konden dezen echter, doordat wegens de burgeroorlogen Romeinse legioenen aan de Rijn-Donau-limes onttrokken werden, Oost-Gallië bezetten. De Romeinen probeerden tevergeefs door verdragen en overeenkomsten een bondgenootschap met hen te sluiten om hun terreinwinst in het Donaugebied te beperken.

Gedurende de vijfde eeuw bleven de Alamannen gevestigd in Zuid-Duitsland, Zwitserland en de Elzas. Zij werden evenwel omstreeks 500 door de uit het grondgebied van het huidige België opdringende Franken onder koning Clovis verslagen: eerst werd het noordelijke deel van de Alamannen onderworpen, in de zesde eeuw werden ook de meer zuidelijk wonenden onder eigen ‘hertogen’ in het Frankische Rijk opgenomen.

Tot zover de Alamannen. Caracalla verving bij de limes Raetiae (voor de Boven-Donau, van Stuttgart tot Regensburg) de palissadering door een stenen muur. Steeds meer posteerde de Romeinse keizer zich als een tweede Alexander de Grote, wiens wereldrijk hij graag wilde herstellen. Om een noodzakelijke veldtocht tegen de Parthen te financieren liet hij in 215 een nieuwe ‘zilvermunt’ van laag gehalte slaan, de Antoninianus, die (aanhoudend gedevalueerd) van 243 tot 293 de voornaamste Romeinse munt bleef.

Een denarius was een Romeinse zilvermunt, die in 209 v. Chr. de omstreeks 269 v. Chr. (naar Griekse standaard) geslagen didrachme verving. Hij had een waarde van 10 as (met als deelstukken de quinarius van 5 as en de sestertius van 212 as), maar werd omstreeks 130 v. Chr. met 16 as gelijkgesteld. De aanvankelijke beeldenaar (goden of godinnen als Roma, op de keerzijde de Dioscuren) werd in de eerste eeuw v. Chr. steeds meer vervangen door namen en familieportretten van de muntmeesters en ten slotte in 44 door de beeltenis van Gaius Julius Caesar. Vooral na Nero (64 na Chr.) had de denarius een steeds hoger kopergehalte. In 215 kreeg de munt een concurrent in de vorm van de ‘zilveren’ Antoninianus, een dubbeldenarius uitgegeven door keizer Caracalla. In de daaropvolgende inflatie verloor de munt in de decennia na 240 vrijwel elke betekenis. Het woord denarius werd in de middeleeuwen gebruikt voor penning. Van denarius is onder meer het woord dinar afgeleid.

In 216 rukte Caracalla tegen de Parthen op, een (oorspronkelijk nomadisch) Iraans ruitervolk, afkomstig uit Midden-Azië, dat zich omstreeks 250 v. Chr. van het Rijk der Seleuciden losmaakte en een onafhankelijke staat stichtte. Op weg van Edessa naar Carrhae werd Caracalla echter op aanstoken van zijn praefectus praetorio en opvolger Opellius Macrinus op 8 april 217 door zijn soldaten vermoord langs de weg naar Carrhae in Klein-Azië, terwijl hij even moest plassen. Zijn opvolgers Heliogabalus (218-222) en Alexander Severus (222-235) voltooiden de thermen die later door Aurelianus (270-275) gerestaureerd werden.

Caracalla was een bittere vijand van de senatorenklasse, hetgeen de traditie omtrent hem, onder andere bij de scriptores historiae Augustae, ongunstig beïnvloedde. Daarentegen nam hij vele leden van de ridderstand (equites) in de Senaat op en begunstigde hij de lagere klassen, voor wie hij in 217 te Rome de gedeeltelijk bewaard gebleven thermae Antoninianae (thermen van Caracalla) inwijdde. Deze thermen zouden tot in de zesde eeuw in gebruik blijven.