Archief voor 3 maart 2018

Een bezoek aan de Thermen van Caracalla (II)

Posted in Romenieuws on 3 maart 2018 by romenieuws

De voorbije dagen kwam je meer te weten over de (soms goed verborgen) resten van de keizerlijke thermen in Rome. Gisteren brachten we een bezoek aan het mooiste thermencomplex van de stad: de Thermen van Caracalla die je sinds kort ook kan bezoeken door gebruik te maken van virtual reality-techniek. Vandaag lees je het vervolg van deze bijdrage. Het reusachtige badcomplex dat de naam van keizer Caracalla zou krijgen, werd volledig opgetrokken uit baksteen op een groot kunstmatig geëffend terrein. De oppervlakte van de Thermen van Caracalla omvatte 11 ha, dat is 330 m bij 330 m.

De enorme gewelven bereikten een hoogte van 33 m en waren gemodelleerd naar de zowat een eeuw oudere Thermen van Trajanus waarbij de zonnewarmte optimaal benut werd. De grootste vernieuwing was de scheiding tussen de eigenlijke baden en de enorme zijvleugels waarin bibliotheken en wandelgangen waren ondergebracht. ’s Avonds, met de nieuwe aangepaste verlichting, zien de overblijfelen van het Caracalla-complex er zo mogelijk nog indrukwekkender uit.

Het interieur van de Thermen van Caracalla was, zoals gisteren verteld, rijk gedecoreerd en liet de thermen elders in het Romeinse rijk verbleken: de vloeren waren bedekt met marmeren mozaïeken, de wanden met mozaïeken en verguld stucwerk. De witte kapitelen en kroonlijsten contrasteerden met de zuilen van veelkleurig marmer, porfier en graniet. Deze decoraties zorgden voor een sfeer van rijkdom en overvloed. Het complex had een enorme, bijna vierkante ommuring, met winkeltjes aan de achterkant en twee reusachtige exedra’s aan beide zijkanten.

De heilzame werking van het nemen van een bad werd beschreven door de Grieks-Romeinse medicus, wijsgeer en astroloog Claudius Galenus (Klaudios Galènos) uit Pergamum, één van de beroemdste medici uit het keizerlijke tijdperk. Galenus (129-199) trok in 157 naar Rome, waar hij de lijfarts werd van keizer Marcus Aurelius.

Hij bouwde voort op de theorieën van Hippocrates en voegde door nauwkeurige observatie nieuwe informatie toe aan de bestaande kennis van de anatomie, fysiologie en geneeskunde en legde onder andere de basis voor de bereiding van geneesmiddelen uit zowel bestanddelen van planten en dieren als mineralen die hij samenvatte in één systeem, dat vele eeuwen de medische wetenschap heeft beheerst.

Dit systeem ging uit van drie stelsels: het aderlijke (dat als beginpunt de lever had), het slagaderlijke (het hart) en het zenuwstelsel (de hersenen). Hij werkte de leer van het Corpus Hippocraticum van de vier lichaamssappen verder uit: bloed, slijm, gele en zwarte gal. Op de menging daarvan zou het temperament berusten (respectievelijk sanguinisch, flegmatisch, cholerisch en melancholisch).

Dat was in die tijd allemaal niet zo gek bedacht en de Romeinen beschouwden Galenus in het algemeen dan ook als onfeilbaar. Op een bepaald moment sprak men zelfs van divinus (de goddelijke) Galenus. Pas door Andreas Vesalius (in de zestiende eeuw) werd zijn anatomie en door Harvey (in de zeventiende eeuw) ook zijn fysiologie met succes bestreden.

Hoewel het exacte verloop van het ‘Romeins baden’, ondanks de uitgebreide en nog steeds bestaande literatuur vandaag niet tot in alle details gekend is, en over bepaalde regels en gebruiken in academische en wetenschappelijke kringen nog steeds wordt gediscussieerd, doen we een poging om een thermenbezoek te beschrijven.

Eerst ging men naar de kleedruimte, de apodyteria, en daarna naar de sportruimte waar allerlei oefeningen werden gedaan om de lichaamstemperatuur geleidelijk op te drijven. Na zo’n opwarming ging de bader ofwel naar de sudatoria, de hete droge kamertjes waar men moest uitzweten, ofwel naar de ovale zaal met warme luchtstromen, het laconicum, waar een hoge temperatuur heerste en die ook als droge zweetkamer diende.

In het caldarium besprenkelde de bader zich met heet water en schrobde er zijn huid om die te zuiveren. Dat caldarium was een grote ronde zaal overdekt met een koepel waarvan we in de Thermen van Caracalla nog steeds overtuigende resten kunnen zien.

Vervolgens ging de bezoeker naar het tepidarium voor een lauwwarm bad, gevolgd door een duik in het koude water van het frigidarium. Tot slot volgde het natatio, het zwembad met massage. De rijke baders lieten zich vervolgens naar hun draagstoel brengen om te gaan feestvieren. Minder rijke of meer bezadigde Romeinen bleven nog wat napraten, wandelden in de tuin of bezochten de bibliotheek.

De ingang van de Thermen van Caracalla lag aan de nu verdwenen Via Nova, een speciaal daartoe aangelegde weg evenwijdig met de Via Appia (vandaag de Via delle Terme di Caracalla), net achter de kerk Santi Nereo e Achilleo die reeds tijdens de vierde eeuw bestond. Vóór het complex lag een nu verdwenen portico, langs de binnenkant van de ommuring liep een overdekte wandelgang.

De helft van de binnenplaats, het dichtst bij de ingang, werd in beslag genomen door de gebouwen met de eigenlijke baden en de kleedruimten, symmetrisch aan beide zijden van de ingang lagen de sportzalen en de droge zweetkamers. Het resterende gedeelte van het complex omvatte uitgestrekte tuinen waar het ook vandaag aangenaam toeven is. Daar zocht Shelley de rust op toen hij er zijn ‘Prometheus Unbound’ schreef.

Achteraan was er een ‘half stadion’ met trappen voor toeschouwers die ook dienden om er de enorme waterreservoirs achter te verbergen. De citernes konden ongeveer een miljoen liter water bevatten. Ze waren met speciale leidingen aangesloten op het Aqua Marcia-aquaduct. De bekende Boog van Drusus hier vlakbij, behoorde tot het ‘Antoninus’-aquaduct dat zelf een aftakking was van de Aqua Marcia. In de nabije omgeving bevinden zich nog andere resten van dit aquaduct.

In het centrale gebouw, binnen het vierkante complex, bevonden zich de vaste faciliteiten van een klassiek Romeins badhuis. Aan de voorkant lag de voormelde zuilengang, met een aantal ruimtes op twee niveaus, waarschijnlijk winkels, die ook dienden als bouwkundige ondersteuning. Het caldarium was de grote, cirkelvormige hete badzaal met een diameter van 34 m en een koepeldak waarvan nog enkele steunpilaren te zien zijn. De ruimte had grote ramen om de zonnewarmte optimaal te benutten. Het tepidarium was een kleinere zaal voor lauwe baden waar aan de zijden twee grote badkuipen stonden. In het midden lag de ‘basilica’, het frigidarium met drie grote kruisgewelven ondersteund door imponerende pilaren en met granieten zuilen aan de voorzijde.

Aan de korte zijden waren twee grote badkuipen uit Egyptisch graniet geplaatst, dat waren dezelfde die vandaag als fonteinen gebruikt worden op de Piazza Farnese. In de enorme zaal bevonden zich tevens vier koudwaterbassins en twee fonteinen. Het ontwerp van deze zaal zou een kleine eeuw later de bouwers van de basilica van Maxentius op het Forum Romanum inspireren.

Het natatio was opgelijnd met het caldarium, het was een groot openlucht zwembad omringd met allerlei beeldhouwwerken. De koude baden en het zwembad waren rechtstreeks verbonden met de vestibules en de kleedkamers, waar het bezoek aan het badhuis werd afgesloten.

Onder het reusachtige complex lagen de bijna even uitgestrekte dienstvertrekken met stookruimtes, ovens en voorraadkamers, en de onderaardse gangen waar slaven en personeel zich buiten het zicht van de baders heen en weer haastten. Het verwarmen van de enorme hoeveelheid water die nodig was voor de thermale faciliteiten in Rome, was een groot probleem. Maar in 89 v. Chr. ontwikkelden de Romeinen een nieuw, praktisch systeem, de hypocaust. Het bestond uit parallelle rijen van stenen pilaartjes ingedeeld in ruitpatronen, rustend op tegels of grote stenen voor een betere verdeling van de warmte schuin aflopend naar de hittebron.

Bij opgravingen in de zestiende en de negentiende eeuw werden prachtige standbeelden, bassins en mozaïeken gevonden. De meeste artefacten verdwenen in musea. Ter plaatse is vandaag, op enkele fragmenten na, elk spoor van deze prachtige decoraties helaas verdwenen.

In het begin van de twintigste eeuw werd in de ondergrondse ruimtes van de thermen een aan Mithras gewijde tempel, een zogenaamd mithraeum, ontdekt. De tempel ligt tegen de buitenmuur voorbij de huidige ticketbalie, en loopt deels voorbij het begin van de rechter exedra. Het betreft een ruimte met een kruisgewelf dat ondersteund werd door pilaren, met aan de zijkanten twee grote banken voor de gelovigen. Men kwam binnen via een klein portaal en nog een hal, wellicht de stal voor de stier die werd geofferd bij de initiatie van nieuwe volgelingen.

Mithras was een oude Arische lichtgod, oorspronkelijk de hoeder van de kosmische orde en de beschermer van verdragen. De godheid is zowel bekend uit de Indische Veda’s (onder de naam Mitra), als uit de Perzische Avesta en kreeg grote betekenis in de hellenistisch-Romeinse wereld. In de Veda’s is hij steeds nauw verbonden met Varuna: beiden hebben een meer ethisch karakter dan de andere goden.

In Perzië werd Mithras veel belangrijker dan in Voor-Indië. Zijn cultus werd tijdelijk door Zarathoestra’s hervorming teruggedrongen, maar in het na-Zarathoestrisch mazdeïsme nam de god opnieuw een voorname plaats in. Tijdens de Perzische overheersing van Voor-Azië drong de Mithras-verering ook buiten Perzië door en nam zij andere (met name astrologische) elementen op, terwijl zij zich geleidelijk omvormde tot een mysterie-godsdienst.

De hellenistische wereld identificeerde Mithras met de zonnegod Helius, de latere Romeinse keizertijd met de ‘onoverwinnelijke zon’ (Deus sol invictus). De Mithras-verering drong in de eerste eeuw v. Chr. flink door in het Romeinse Rijk, maar verbreidde zich er pas op grote schaal tegen het einde van de eerste eeuw na Chr. De verering werd bevorderd door de Romeinse soldatenkeizers en verspreid door de Romeinse legioenen.

Met de bekering (in 312) van keizer Constantijn de Grote tot het christendom begon de achteruitgang van de tot dan behoorlijk populaire Mithrascultus. Na een tijdelijke opleving onder Julianus de Afvallige verdween de verering van Mithras. Het is zeer omstreden in hoeverre de Mithras-godsdienst en het jonge christendom elkaar beïnvloed hebben, maar dat er overeenkomsten zijn is duidelijk.

De verering van Mithras in het Romeinse keizerrijk is bijna uitsluitend uit voorstellingen bekend (schilderingen, plastieken), waarvan de meeste gevonden zijn in de Mithraea, onderaardse heiligdommen, natuurlijke of nagebootste grotten, als symbool van de geboortegrot van de godheid. Het centrum daarvan wordt gevormd door een nis met een afbeelding in reliëf van Mithras die een stier doodt. Deze handeling werd als de belangrijkste heilsdaad van de god beschouwd: uit het bloed van de stier ontstaat nieuw leven, hier en in het hiernamaals. Bij de inwijding moest men een reeks beproevingen doorstaan, een eed afleggen, gebrandmerkt worden en de leider van de cultus, de Vader, de hand drukken. Er waren zeven graden van inwijding, getiteld Raaf, Bruid, Soldaat, Leeuw, Pers, Zonneloper en Vader. Wat deze graden precies inhielden of betekenden is niet bekend.

De Mithraea waren door het hele Romeinse Rijk verspreid; in Rome zijn er enkele tientallen (waaronder de bekende Mithrasheiligdommen in de Santa Prisca en onder de San Clemente). In Ostia werden er eveneens een aantal gelokaliseerd. Gewoonlijk waren zij ingericht voor ongeveer honderd personen. Langs de lange zijden waren banken aangebracht voor de ingewijden. Op de afbeeldingen draagt Mithras vrijwel steeds een Phrygisch gewaad, bestaande uit een korte tuniek, een korte mantel, een lange broek en een muts met een omgekrulde punt.